cover big

Metaforenmachine

Erwin Jans

Over Zabor van Kamel Daoud (vert. Manik Sarkar)

Ambo Anthos, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789026341557 / 287p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 31-10-2018

Bookmark and Share

Op 25 juli 2018 vond in het vredegerecht in Oostende een hoogst merkwaardig proces plaats: kunstenaars Eva Knibbe en Bart van de Woestijne klaagden de dood aan. Ze beriepen zich daarbij op Artikel II-62 van de Europese grondwet dat zegt dat iedereen recht heeft op leven. Het was het proberen waard, maar Ismaël, het hoofdpersonage uit Zabor, de tweede roman van de Frans-Algerijnse schrijver Kamel Daoud (1970), weet beter: ‘Schrijven is de enige list die werkt tegen de dood. Men heeft het geprobeerd met bidden, medicijnen, magie, onafgebroken recitaties en inertie, maar ik denk dat ik de enige ben die de oplossing gevonden heeft.’ Wie zijn roman met die zin opent, moet zeker zijn van zijn zaak. Hij kruist immers de degens met de ultieme vijand.

Met zijn eerste roman Moussa of de dood van een Arabier (2015) bewees de Frans-Algerijnse schrijver Kamel Daoud al dat hij van uitdagingen én van literatuur houdt. Zijn debuut was een gewaagd antwoord op een van de bekendste Franse naoorlogse romans, L’Étranger (1942) van Albert Camus. Daarin schiet het hoofdpersonage Meursault op het strand van Algiers een anonieme Arabier dood. In Moussa geeft Daoud het woord aan Haroen, de broer van de vermoorde, en redt op die manier de anonieme Arabier van de totale vergetelheid. Met Zabor herneemt Daoud de thema’s van dood, anonimiteit en schrijven tegen de vergetelheid, maar in een andere, nog ambitieuzere constellatie. En met succes.

Schrijven om de dood te overwinnen is een eeuwenoud literair motief. In een van zijn bekendste oden schrijft de Romeinse dichter Horatius over zijn poëzie: ‘Exegi monumentum aere perennius’, oftewel: ‘Ik heb een monument voltooid, duurzamer dan brons.’ In dat monument van woorden zal een deel van de dichter blijven leven. In Zabor moet dat ‘blijven leven’ heel letterlijk genomen worden. Ismaël is de zoon van Hadj Brahim, een rijke en gerespecteerde slager in Aboekir, een Algerijns dorpje aan de rand van de woestijn dat nog de sporen draagt van zijn Franse koloniale verleden. Ismaël wordt als kind samen met zijn moeder door zijn liefdeloze vader verstoten. Na de dood van zijn moeder wordt hij opgevoed door zijn ongetrouwde tante Hadjer en door zijn grootvader die langzaam dementeert. Ismaël is een gebrekkig kind met een ‘geitenstem’. Door de bijgelovige dorpelingen wordt hij beschouwd als geestelijk gestoord en bij momenten zelfs als bezeten. Hij leeft als een outcast en mag zich alleen’s nachts op straat begeven.

Ismaël heeft echter een heel bijzondere gave, waarvoor hij tegelijk bewonderd en gevreesd wordt omdat het onduidelijk is of de gave van god dan wel van de duivel zelf komt. Door verhalen te schrijven kan Ismaël stervenden in leven houden. Hij kan duizend-en-één nachten aan een mensenleven toevoegen door erover te schrijven. De verwijzing naar de beroemde verzameling Arabische verhalen is geen toeval. Daarin wordt verteld hoe sultan Sjahriaar zijn vrouw doodt nadat ze hem bedrogen heeft. Zijn wraak is daarmee echter niet bekoeld. Iedere nacht neemt hij een nieuwe bruid die hij de volgende ochtend laat doden. Totdat prinses Scheharazade zijn bruid wordt. Zij begint hem een verhaal te vertellen waarin zij een ander verhaal begint waarin zij weer een ander verhaal begint… zodat de volgende ochtend het einde niet is bereikt. Omdat Sjahriaar de afloop wil kennen, spaart hij haar leven nog een dag langer. Scheharazade past die verteltechniek duizend-en-één nachten toe tot de sultan geen wraakgevoelens meer heeft en genezen is van zijn waanzinnige verdriet. Met haar verhalen weet zij haar eigen dood uit te stellen en uiteindelijk zelfs te voorkomen.

Toch heeft wat Ismaël doet niets te maken met Horatius’ trots dat een deel van hemzelf overleeft of met Scheharazades uitstel van de eigen dood. Hij verwijt de prinses zelfs dat ze de levens van de andere vrouwen niet heeft kunnen redden. Wat Ismaël doet, is immers niet zijn eigen leven redden, maar het leven van de inwoners van Aboekir, zijn onooglijke geboortedorp aan de rand van de woestijn. Dat is een enorme opdracht. Ismaël moet alle details onthouden om ze neer te kunnen schrijven. Hij wordt de archivaris van zijn leefwereld: ‘Ik red de hele wereld met de lange schrijfsessies waar ik me op mijn kamer dagelijks toe zet, die veel weghebben van gebeden of inventarisaties. (...) De wereld heeft zijn voortbestaan alleen te danken aan het feit dat hij door iemand, ergens beschreven wordt - zoveel is zeker. Soms voel ik een steen in mijn maag bij het idee dat ik een detail zou vergeten en dus zou meewerken aan het verdwijnen ervan, of die verdwijning in elk geval zou versnellen. Als ik vergeet, herinnert de dood zich.’

Schrijven tegen de dood is een bovenmenselijke opgave die alle krachten en alle energie van de jongen vergt. Zijn situatie is paradoxaal: ‘Ik leef vanuit een ander punt, buiten het dorp, in het donkere hart ervan.’ Hij leeft buiten de gemeenschap, maar door zijn bijzondere gave heeft hij intiem met alle levens te maken. Schrijven gebeurt in die dialectiek van afstand en nabijheid, van vervreemding en identificatie.

In de loop van het verhaal neemt Ismaël de naam aan die zijn tante hem gaf toen hij in een put gevallen was: Zabor. De Franse titel van de roman luidt Zabor ou Les Psaumes. Volgens geleerden is de Zabor, die een aantal keren in de Koran vermeld wordt, de verzameling zangen die in de joodse en christelijke traditie de Psalmen worden genoemd, waarvan de meeste aan koning David worden toegeschreven. De Psalmen behoren tot de meest poëtische en meest extatische teksten uit de Bijbel. Van de nieuwe naam van het hoofdpersonage loopt dus een rechtstreeks pad naar de barokke en bloemrijke taal van de roman.

Het gevecht tegen de dood wordt plots heel persoonlijk wanneer Zabors halfbroer hem vraagt om hun stervende vader te redden. Die vraag, die de rode draad van de roman vormt, confronteert het hoofdpersonage met een existentieel dilemma: waarom zou hij de man redden die hem verstoten, bespot en een leven lang liefdeloos en wreed behandeld heeft? Die verhaallijn is dun en vooral bedoeld als kader waarbinnen hij terugblikt op zijn leven en reflecteert op zijn schrijverschap. Al is reflecteren niet de juiste term. Hoewel dit boek het schrijven, en dus op een bepaalde manier het ontstaan van zichzelf, als onderwerp heeft, is Zabor geen metafictie. Het is geen schrijven over schrijven, maar een permanente productie van metaforen, een metaforenmachine: ‘Ik moest een taal voor mezelf vinden die zo scherp was als een oordeel, die de precisie had van een nagel maar ook het geduld van een wolk die ontstaat.’

Die metaforenmachine wordt ingezet tegen een als nihilistisch ervaren bestaan: ‘Alles was zinloos en uitzichtloos, als het leven van een dwangarbeider die zich niet bewust is van zijn lot. / Verder valt er niets te zeggen: de ware betekenis van de wereld lag in de boeken (...).’ Daoud, zelf autodidact, heeft ongetwijfeld veel autobiografische gegevens verwerkt in deze bildungsfabel: ‘Toen ik precies acht jaar was ontdekte ik de verschrikking van het onzegbare. God had negenennegentig namen, maar mijn wereld had er niet één.’ Uitvoerig, gedetailleerd en gepassioneerd vertelt Zabor hoe hij de taal en het schrijven ontdekt: van de populaire tv-series uit India en Egypte die op de Noord-Afrikaanse televisie worden uitgezonden, via de Koranlessen tot de ontdekking van het Frans en de literatuur. Het hoeft niet te verbazen dat dit een boek vol boeken is. De Koranverhalen van Ismaël, van Yunus (Jonas) en de walvis, van Yussuf (Jozef) en zijn broers, naast Het eiland van Robinson Crusoe, De vruchten van de gramschap, Alleen op de wereld, etc. Het hoofdpersonage vertelt hoe hij als kind alleen al door de titel van een boek gefascineerd raakte en daarbij een ander verhaal verzon.

Vanuit een strikt islamitisch perspectief zou je Zabor een blasfemisch boek moeten noemen. Het vervangt de religie immers expliciet door de literatuur en de profeet door de dichter. Zabor wijst daarenboven het Arabisch, de taal van de heilige Koran, als expressie van zichzelf af ten voordele van het Frans, de taal van de voormalige westerse kolonisator. Wanneer hij op de Koranschool de helft van de Koran uit het hoofd geleerd heeft, stopt hij ermee, tot grote ergernis van zijn vader. Het Arabisch, hoe mooi hij die taal ook vindt, is voor Zabor een taal van regels en wetten, een taal van herhaling en stilstand. In de figuur van zijn dorpsgenoot Hamza duikt het fundamentalisme op: ‘Hij was voor mij een monsterlijke, verdoolde tweelingbroer, de kwaadaardige versie van mijn gave.’ Het is pas in het Frans dat Zabor zichzelf ontdekt, het lichaam (het zijne en dat van de vrouw), de erotiek, de sensualiteit en de seksualiteit. Ervaringen waarvoor hij in het Arabisch geen woorden vindt. Het is met het lezen van Franstalige romans en Franstalige tijdschriften dat hij volwassen wordt. Het is geen toeval dat hij Duizend-en-één-nacht in het Frans leest: ‘dit was de eerste keer dat ik op een belangrijk werk van mijn volk stuitte, vertaald in de taal van mijn geslachtsdeel.’

Zabor is niet alleen een niet aflatende lofzang op de taal, het schrift, de kalligrafie, de verbeelding, de literatuur, het lezen en het schrijven. Het is, net als Moussa, ook een boek over de gelaagdheid van geschiedenis, herinnering en erfenis, geschreven in een overweldigende en excessieve zintuiglijke stijl.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?