cover big

Monument voor een tweezak

Marnix Beyen

Over Wil van Jeroen Olyslaegers

De Bezige Bij, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789023498438 / 333p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 14-05-2017

Bookmark and Share

De vraag of Jeroen Olyslaegers (1967) het epitheton ‘de nieuwe Hugo Claus’ verdient, laat ik graag door anderen beantwoorden. Dat hij met Wil een belangrijk boek heeft geschreven, staat wél buiten kijf. De lezer krijgt een sterk geschreven, ingenieus gecomponeerd en aangrijpend verhaal voorgeschoteld, maar de blijvende betekenis ervan moet ongetwijfeld elders worden gezocht. Zo is het heel nadrukkelijk een stadsroman, wat in de Vlaamse literatuur tot vandaag toch eerder een uitzondering blijft. Misschien is het wel van Georges Eeckhouds La Nouvelle Carthage (1893) geleden dat Antwerpen nog eens zo’n prominente rol heeft gekregen in de prozaliteratuur. Anders dan bij onder meer Willem Elsschot vormt deze stad in Wil niet zomaar een decor, maar is zij een bepalend en weerbarstig personage. De herinneringen van het hoogbejaarde hoofdpersonage worden gestuurd door zijn omzwervingen in de actuele stad. Die herinneringen brengen hem altijd weer naar de Tweede Wereldoorlog, maar vaak gebeurt dit via pleisterplaatsen van het geheugen in de tussenliggende periode. Op die manier ontstaat een temporeel gelaagd beeld van de stad, dat sterk herinnert aan de manier waarop Patrick Modiano Parijs tot leven brengt in onder meer Pour que tu ne te perdes pas dans le quartier (2014) of Josse De Pauw een niet nader genoemde stad in zijn onvolprezen theatertekst Dédé le taxi (2004).

Toch is Wil voornamelijk als oorlogsroman een statement. Olyslaegers heeft in dit opzicht niet alleen een literaire, maar ook een historiografische bijdrage geleverd. Hij heeft overduidelijk grondig kennis genomen van de studies die historici als Lieven Saerens, Herman Van Goethem en Dirk Martin hebben geschreven over de Jodenvervolging, het politieapparaat en het dagelijks leven in de Scheldestad tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bovendien heeft hij zich als literator concrete vragen gesteld die doorgaans nauwelijks opkomen bij de academische specialisten van deze periode. Bewogen de mensen zich onder de Duitse bezetting op een andere manier door de stad dan voorheen? Hoe verging het klassieke Antwerpse rituelen, zoals Moederdag op 15 augustus? Hoe kleedden de ‘zazousnotapen’ en hun liefjes zich precies?

Om antwoorden op die vragen te verkrijgen, is hij ongetwijfeld te rade gegaan bij mensen die de periode nog hebben meegemaakt. Het beeld van de stad onder Duits bestuur is daardoor rijker en aanschouwelijker dan wat de wetenschappelijke geschiedschrijving op dit vlak te bieden heeft. Zowel de historicus als de overlevende van die periode zal ongetwijfeld hier en daar een detailfout kunnen aanwijzen (zo schrijft Olyslaegers systematisch Feldkommandatur in de plaats van Feldkommandantur en een oudere Antwerpenaar wees me op het feit dat in het bezette Antwerpen nooit bakken vol vis uitgestald stonden, wat Olyslaegers op bladzijde 269 wel laat gebeuren), maar ook op dat vlak verschilt deze roman niet fundamenteel van de meeste wetenschappelijke werken.

Behalve zorg voor het historische detail toont Olyslaegers met deze roman ook een duidelijke vertrouwdheid met het algemene paradigma waarbinnen de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog de laatste decennia wordt bestudeerd. Ook al krijgen zowel de collaboratie met als het verzet tegen de bezetter een prominente plaats in het boek, toch laat Olyslaegers vooral zien hoe ontoereikend deze begrippen zijn om het concrete gedrag van mensen in oorlogstijd te begrijpen. Ook de notie ‘accommodatie’, die historici in de jaren tachtig bedachten om het gedrag van de stille meerderheid in bezettingstijd te duiden, blijkt niet fijnmazig genoeg te zijn. ‘Partiële collaboratie en partieel verzet konden perfect samengaan’, zo schreef ikzelf niet zo lang geleden in een bijdrage over het cultuurleven in Vlaanderen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Olyslaegers lijkt uitgerekend dat inzicht dramatisch uit te vergroten. Hij laat zijn hoofdfiguur, Wilfried Wils, in de schijnbaar parallelle werelden van collaboratie én verzet terechtkomen, en zorgt er bovendien voor dat deze werelden elkaar dan toch kruisen – met tragische gevolgen voor zijn omgeving en hemzelf. Centraal in dit boek staat noch de collaborateur, noch de verzetsheld, noch de meeloper, maar – om de term te gebruiken die door het hele boek heen geregeld wordt gebruikt – de ‘tweezak’.

Helemaal nieuw is deze benadering niet, ondanks de bewering op de achterflap dat Olyslaegers ‘de breed aangenomen grenzen tussen goed en kwaad’ betwist. Meer zelfs, in de literaire en artistieke beeldvorming van de Tweede Wereldoorlog kregen de paradoxen van het menselijke handelen tijdens de bezetting al veel vroeger aandacht dan in de academische historiografie. Van Louis-Paul Boons literaire kroniek Mijn kleine oorlog (1947) tot Hugo Claus’ monumentale Het verdriet van België (1983), van Paul Berkenmans melodramatische film Want allen hebben gezondigd (1961) over Claus’ regiedebuut De vijanden (1967) tot André Delvaux’ beklijvende Vrouw tussen hond en wolf (1979): allen hebben ze de Vlamingen erop willen wijzen dat de keuze vóór of tegen de nationaalsocialistische bezetter minder eenduidig was dan men had willen doen geloven. Net zoals de hoofdpersonages uit deze werken is Olyslaegers’ protagonist een kleine garnaal wiens handelen in hoge mate door toeval, materiële noodzaak en menselijke ambities wordt bepaald. Wat Wils sterk doet verschillen van zijn fictieve voorgangers, is dat hij als lid van de politie zélf actief betrokken is bij het geweld tegen joden en verzetslieden. We krijgen hier met andere woorden het perspectief van iemand die tegen wil en dank en zonder enige affiniteit met het nationaalsocialisme, dader is geworden. En ook al combineert hij dat daderschap met een al even weinig overtuigde inzet voor een ondergedoken jood, toch wordt hij zelden door spijt getroffen. Meer zelfs, zijn daderschap lijkt ten dele te berusten op een amorele, bloeddorstige drang naar geweld, die hij ook tentoonspreidt tegenover de collaborateurs die zijn eigen positie in het gedrang brengen. Aan de basis van zijn gewelddadigheid lijken vooral frustraties te liggen over (literaire en andere) ambities die door zijn familie en omgeving worden gefnuikt.

Anders dan in eerdere Vlaamse fictiewerken over de Tweede Wereldoorlog verschijnt het centrale individu in Wil niet als een tragisch slachtoffer van de grote, gewelddadige geschiedenis, maar wordt het geweld mee vormgegeven door een eenvoudige jongeman die geen gebruikmaakt van de ruimte die hij heeft om dit geweld te ontwijken of gedeeltelijk te vermijden. Morele of politieke idealen spelen sowieso geen grote rol in het boek. Voor zover de twee ‘intellectuelen’ in Wil toch idealen kenbaar maken, vinden zij nauwelijks gehoor bij hun omgeving. Wils’ leraar Frans en mentor Felix Verschaffel alias ‘Nijdig Baardje’ droomt van een raszuiver Antwerpen, terwijl het verzetsengagement van ‘de professor’ aangedreven wordt door een humanistisch wereldbeeld dat door Wils zelf als wereldvreemd wordt ervaren. Wils’ eigen schoonvader, daarentegen, biedt alleen onderdak aan een joodse huisvader in de hoop hier geldelijk gewin uit te halen. De inzet die Wils’ collega, schoonbroer en stiekeme aanbidder Lode voor diezelfde onderduiker betoont, lijkt wel door menselijke waarden bepaald, maar ook uit zijn mond valt geen politieke of morele belijdenis op te vangen.

Deze afwezigheid van grote idealen beantwoordt ongetwijfeld aan een realiteit die te weinig aandacht heeft gekregen van academische historici. Hoewel deze laatsten al lang uit de tweedeling van goed en fout zijn geraakt, toch richten zij hun aandacht vooral op ideologisch gemotiveerde actoren. De redenen daarvoor zijn divers. Enerzijds bestuderen vele historici de Tweede Wereldoorlog omdat zijzelf vooral geïnteresseerd zijn in de ideologische aspecten van dit conflict (en de doorwerking ervan tot in hun eigen tijd), anderzijds hebben ideologisch gemotiveerde actoren meer geschreven bronnen nagelaten dan hun politiek onverschillige evenknieën.

Het is zonder meer goed dat literaire auteurs de historici eraan herinneren hoezeer deze focus op ideologische beweegredenen heeft bijgedragen tot een eenzijdig geschiedbeeld. Toch moeten we ons ook hoeden voor een scheeftrekking in de andere richting. Dat kleine collaborateurs zeker niet alleen handelden uit materiële noodzaak of kleinmenselijke berekening bleek onlangs nog uit het proefschrift van Aline Sax (Voor Vlaanderen, Volk en Führer uit 2012). Omgekeerd mag men niet onderschatten dat ook in Vlaanderen een weliswaar klein, maar niet verwaarloosbaar aantal verzetslui actief was dat werd bewogen door een brede waaier aan ideologische motieven. Daarbij moeten we niet in de eerste plaats vanuit ons hedendaagse perspectief denken aan de verdediging van universele waarden zoals dé democratie of dé mensenrechten, maar veeleer aan een geheel aan waarden dat de overkoepelende naam ‘vaderlandsliefde’ meekreeg. Die kon zich uiten in een rechtse, koningsgezinde vorm met een voorkeur voor autoritaire trekken, maar ging in vele gevallen gepaard met een primaire verdediging van de religieuze en vrijheidsgezinde tradities van het land.

Doordat het verzet al snel na de Bevrijding in diskrediet kwam naar aanleiding van de vergeldingsacties die ‘septemberweerstanders’ op Duitsgezinden (niet noodzakelijk collaborateurs) uitvoerden, is deze erfenis in Vlaanderen grotendeels vergeten. Ook de literatuur en de film hebben nauwelijks aandacht besteed aan de vele mannen en vrouwen die hun leven hebben gewaagd voor dat vaderland en die al dan niet de dood hebben gevonden in Duitse concentratiekampen. Hoewel weinig bekend is over hun motieven, kunnen we ervan uitgaan dat materiële verrijking daar voor zeer weinigen toe behoorde. Natuurlijk wil ik hier niet pleiten voor een romantiserende literatuur die deze verzetsfiguren doet uitgroeien tot helden van bovenmenselijke allures, zoals dat onder meer nog in Robbe De Herts Engelstalige productie Gaston’s War (1997) het geval was. Maar het zou wel mooi zijn als een literaire auteur één van deze vergeten figuren in al zijn of haar veelzijdigheid en tegenstrijdigheden tot leven zou wekken. Om dat mogelijk te maken zouden ook historici eerst meer onderzoek moeten verrichten naar dit deel van de geschiedenis. Zo kunnen historici en literatoren (of andere cultuurmakers) samen een schromelijke onrechtvaardigheid in het Vlaamse collectieve geheugen ongedaan helpen maken. Op basis van de prestatie die hij met Wil heeft geleverd, lijkt Jeroen Olyslaegers alvast een uitgelezen kandidaat om een dergelijk project mee op de sporen te zetten.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?