cover big cover big

Na een eeuwigheid van uitdrukkingsloosheid

Peter van Lier

Over Namens de dingen van Francis Ponge (vert. Piet Meeuse)

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2018,
ISBN 9789078627449 / 88p.

Over Het zakboekje van het pijnboombos van Francis Ponge (vert. Christian Hendrikx)

Koppernik, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789492313454 / 71p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 02-10-2018

Bookmark and Share

‘Als iemand me midden in de nacht wakker zou maken met een pistool op mijn borst en de vraag wat het uitzonderlijkste is dat ik ooit gelezen heb, zou ik zonder aarzeling antwoorden: “Le Carnet du bois de pin van Francis Ponge.”’ Dat is nog eens een aanbeveling! Ze komt van niemand minder dan Charlotte Mutsaers, die deze woorden schreef in Zeepijn (1999). Ik moest deze aanbeveling aan mij voorbij laten gaan, omdat ik het Frans niet machtig ben.

In 1973 kwam, in een vertaling van Peter Nijmeijer, een eerste boek van Ponge in het Nederlands uit: Zeep. In de jaren negentig vertaalde Piet Meeuse Twaalf geschriftjes, Namens de dingen en Proëmia. De Nederlandstalige lezer kon dus al een redelijk zicht hebben op het oeuvre van Ponge, maar al deze vertalingen zijn inmiddels alleen nog maar sporadisch verkrijgbaar via het antiquariaat.

Daarom is het verheugend dat er recent weer twee titels van Ponge in het Nederlands algemeen beschikbaar zijn. Uitgeverij Vleugels publiceerde de tweede druk van Namens de dingen en bij Koppernik verscheen Het zakboekje van het pijnboombos, in een vertaling van Christian Hendrikx. Mijn nieuwsgierigheid is weer helemaal opgelaaid.

Deze werken zijn een literaire variant van wat in de filosofie als fenomenologie bekendstaat. ‘Terug naar de zaken zelf’, het adagium van Edmund Husserl, geldt ook voor Ponge, die wil spreken ‘namens de dingen’. Daarmee strijdt hij in zijn boeken tegen het absurdisme en het gevaar van zelfmoord zoals dat in De mythe van Sisyphus (1942) van zijn vriend Albert Camus wordt gethematiseerd, zo blijkt uit een toegevoegd hoofdstuk aan Proëmia, maar ook gaat het hem erom ons te redden van de berusting en de inertie. Het absurdisme is op te vatten als de mislukking van het modernisme, waarbij de objectieve werkelijkheid in wezen onkenbaar blijft. Ponge tracht opnieuw een oorspronkelijke band tussen het bewustzijn en de realiteit daarbuiten te stichten door uiterst sensibel en heel precies de wereld te beschrijven waarop die zich aan hem voordoet.

Ik heb het vermoeden dat de concentratie op de fenomenen ook aansluit bij een tijdgeest die momenteel in opkomst is en die met post-postmodernisme of metamodernisme wordt omschreven. David Foster Wallace stelde de ver doorgevoerde deconstructie en het ironiseren van de realiteit binnen het postmodernisme al ter discussie. Tijdens een interview in 1993 reageerde hij op de onaangename toestand die overblijft als alle maskers van de realiteit zijn afgetrokken: ‘“Then” what do we do?’. Een nieuwe sensibiliteit voor wat zich aan ons voordoet, hernieuwde aandacht voor de dingen zou ook in onze tijd een uitstekend aanknopingspunt kunnen zijn om opnieuw in contact te treden met de realiteit, om binnen- en buitenwereld weer tot elkaar te brengen. Zoals Ponge in Namens de dingen schrijft: ‘een geest met gebrek aan begrippen moet zich eerst voorzien van verschijningsvormen.’

In dit boek laat hij de meest onbeduidende dingen tot spreken komen. Uit zichzelf kunnen ze dat niet, maar doordat de schrijver zich zo nadrukkelijk met hen identificeert, komt er via hem een niet te stuiten spraak op gang vanuit de dingen. Ponges diepste overtuiging is dat de dingen in hun sprakeloosheid ‘het slachtoffer’ zijn van hun uitdrukking. In Proëmia, waarin vooral poëticale teksten zijn opgenomen, onthult het tekstje ‘Getuigenis’:

Zo staat tegenover de dichtheid van de dingen slechts een aanspraak op geest, die de woorden met de dag kostbaarder en hun nood dringender maakt.

Ponge biedt via zijn geest de dingen de mogelijkheid zich in taal uit te drukken. De bramen, het kratje, de kaars, de sigaret, de sinaasappel, de oester, het brood en de strandkei zijn enkele zaken die zich door zijn dienstbaarheid weten te uiten. Ontroerend is om te zien hoe in de vereenzelviging met een ding de auteur kennelijk ineens de overtuiging heeft om niet meer ‘over’ maar ‘vanuit’ het beschreven object te spreken. Onder de dingen rekent Ponge ook planten, dieren en een enkele keer zelfs mensen; kennelijk vervalt voor hem iedere hiërarchie in de verschijningsvormen als het om hun onvermogen gaat zich uit te drukken. In een tekst over slakken schakelt hij in een alinea ineens over van ‘ze’ naar ‘ik’ om bepaalde ervaringen te verwoorden. Over het met zich meedragen van een slakkenhuis op de rug deelt Ponge mee:

Ze kwijlen van trots op deze mogelijkheid, dit gemak. Hoe is het mogelijk dat ik zo’n gevoelig en kwetsbaar wezen ben, en tegelijkertijd zo beschermd tegen de bestorming door lastposten, in het volle genot van mijn rust en mijn geluk? Vandaar het bewonderenswaardig fier opgeheven hoofd.

Het hele boekje bestaat uit de meest subtiele en verrassende beschrijvingen en uitingen van allerlei dingen uit de wereld om ons heen. De taal lijkt zich moeiteloos aan te passen aan het gedrag en de bewegingen van de beschreven zaken. Bijna te mooi is de vliegbeweging van de vlinder beschreven:

Als een minuscuul zeilbootje van de luchten, door de wind als overtollig bloemblad mishandeld, zo vagebondeert hij in de tuin.

Je kunt je afvragen of in de geschriften van Ponge de realiteit wel centraal staat of toch eerder de taal. Maar misschien moeten we vanuit fenomenologisch perspectief ons over deze vraag het hoofd niet breken, want binnen dit ervaren zijn realiteit en taal nadrukkelijk met elkaar verweven. Vanuit de aanvangsletter van het woord ‘Gymnast’ komt Ponge tot de volgende komische beschrijving:

Zoals de G al aangeeft, draagt de gymnast een sik en een snor, die bijna geraakt wordt door een dikke lok in de vorm van een krul op een laag voorhoofd. [...]

Tot besluit valt hij soms van de brug als een rups, maar springt weer overeind, en dan is hij het bewierookte voorbeeld van de menselijke domheid dat u groet.

Ik kan wel blijven citeren. Elk tekstje uit de bundel blinkt uit in trefzekerheid, zelfs in die mate dat je je afvraagt of de zelfverzekerdheid soms niet te groot is. Het lijkt erop dat Ponge geen beperkingen kent in zijn vermogen om zich te identificeren met de dingen en zich daarover uit te drukken. Het zou daarom goed zijn om de hedendaagse lezer ook Proëmia opnieuw in vertaling aan te bieden (dit is een verkapte oproep aan uitgeverij Vleugels), waarin de auteur zelf ook zijn twijfels uit ten aanzien van zijn bijna onbegrensde uitdrukkingsmogelijkheden. Hij spreekt in een inleidend tekstje in gedachten tot een persoon wiens achting hij wenst te krijgen met zijn werk:

Wat Le Parti pris des choses betreft had die persoon vooral gevonden, leek me, dat de teksten van die bundel getuigden van een wat makkelijke onfeilbaarheid.

En die persoon verwijt hem vervolgens ook de ‘zelfverzekerde toon’ van Proëmia.

Ponge maakt het zichzelf niet gemakkelijk. Daarom is het zo verheugend dat nu Het zakboekje van het pijnboombos in het Nederlands is verschenen. De bezwaren die de auteur aantekent tegen de twee genoemde vroege teksten, zijn in de nieuwe vertaalde tekst verdisconteerd. De impressies van het pijnboombos zijn veel tastender van karakter, het falen in de beschrijving van de fenomenen uit zich in de vele herhalingen van de observaties en gedachten die hij weergeeft in telkens weer iets andere bewoordingen. Tijdens een verblijf in een bos bij La Suchère in augustus en september 1940 (in oorlogstijd dus!) concentreert Ponge zich enkel en alleen op het hem omringende bos. Menigeen zal zich over deze houding verbazen en die mogelijk zelfs afkeuren, maar mij ontroert deze vorm van afzijdigheid. Fenomenologisch bezien zijn de indrukken van een bos niet minder belangrijk dan politieke verwikkelingen. Voor de mensen die in oorlogstijd door afschuw, ellende en geweld worden overspoeld zijn observaties van de dagelijkse omgeving misschien wel belangrijker. Ponge schrijft daarover: ‘Het zijn de voorwerpen, de dingen van de tijd, waaraan ik, buiten mijn ijdele persoon om, mijn geluk toeschrijf’.

Op 7 augustus 1940 start hij zijn impressies van het bos met: ‘Je komt er gemakkelijk vooruit (te midden van die hoge stammen met hun tint tussen die van brons en rubber)’, in een stukje dat eindigt met deze typering van de bomen: ‘Deze grote zwarte of op zijn minst creoolse masten.’ In de namiddag herschrijft hij dezelfde impressies: ‘Het is gemakkelijk voortstappen tussen deze hoge zwarte of in elk geval creoolse masten, nog geschorst en met korstmos tot halverwege, strak als brons, buigzaam als rubber.’ Een dag later noteert hij: ‘Midden in deze veelheid… Aan de voet van deze zwarte of in elk geval creoolse masten niets wanordelijks’. Op 9 augustus probeert hij deze impressies voor het eerst te vatten in twee dichtregels:

O achtenswaardige zuilen, bedaagde masten!
Bejaarde zuilen, tempel van bouwvalligheid.

Pas op 25 en 26 augustus probeert hij alle indrukken te vangen in een volledig gedicht, maar kennelijk is hij daarover niet tevreden, want meteen volgt er een ‘Variant’ en vervolgens ‘Nog een’. Daarna probeert hij het gedicht toe te spitsen op ‘Een aspect van het pijnboombos’, waarna er opnieuw met varianten wordt gestrooid. Het definitieve gedicht komt niet tot stand en hij concludeert wat mismoedig: ‘Dit is allemaal niet wat het zijn moet. Wat ben ik opgeschoten met die 16 bladzijden en in deze tien dagen? – Niets bijzonders voor de moeite die het gekost heeft.’

Ik ben het in zekere zin met hem eens. De gedichten in al hun varianten halen het niet bij de terloopse beschrijvingen die eraan voorafgaan en nog niet streefden naar het condenseren en mogelijke vervolmaken van alle opgedane indrukken en associaties. Plichtsgetrouw ten aanzien van het pijnboombos geeft hij na het mislukken van het definitieve gedicht het maken van aantekeningen gelukkig niet op, ‘Want na een eeuwigheid van uitdrukkingsloosheid in de stomme wereld, wil het [pijnboombos] hoognodig verwoord worden nu ik het er hoop op of een voorproefje van heb gegeven.’

Ponge, met zijn dichterlijke geest, schreef bij voorkeur geen gedichten, maar notities die daar de aanleiding voor hadden kunnen zijn. In een ‘Aanhangsel’ bij Het zakboekje van het pijnboombos schrijft hij dat het hem ‘veel minder gaat om het ontstaan van een gedicht dan om een (verre van geslaagde) poging tot de vernietiging van het gedicht door zijn onderwerp.’ Ook het boekje Zeep, waarmee hij wat later in de oorlogsjaren begon (1942), schreef hij met dezelfde instelling. Het is net zo’n sprankelend, speels en tastend boekje als Het zakboekje van het pijnboombos. Ik hoop dat (oproep voor uitgeverij Koppernik) ook dit boekje weer algemeen beschikbaar komt voor de Nederlandstalige lezer.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?