cover big

Negatief nationalisme als exportproduct

Gijsbert Pols

Over Op leven en dood van Tom Clancy

Vertaald door Hugo Kuipers

A.W. Bruna, Utrecht, 2010,
ISBN 9789022991374 / 624p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-06-2011

Bookmark and Share

Clark had nooit veel begrepen van de discussie over de vraag of water-boarding al dan niet marteling was. Iedereen die het had meegemaakt of het met eigen ogen had gezien, wíst dat het marteling was. Je bereikte er resultaten mee, maar je had een bijzonder bekwame ondervrager of goed inlichtingenwerk nodig om na te gaan of degene die je martelde de waarheid sprak. Clark verkeerde in het gelukkige bezit van het eerste, maar voor het laatste ontbrak het hem aan de tijd en de middelen.

Clark – John Clark – ontbreekt het aan tijd en middelen omdat hij zich middenin de apotheose van Tom Clancy’s Op leven en dood bevindt. Hij werkt voor een Amerikaanse inlichtingendienst, de Campus, die nog geheimer is dan de CIA en zich aan elke vorm van democratische controle onttrekt. Deze organisatie weet de Verenigde Staten op het laatste nippertje te behoeden voor een nucleaire aanslag. Verantwoordelijk voor die aanslag is ‘de Emir’, aanvoerder van de ‘Umayyad Revolutionary Council’, een mondiaal opererend terroristisch netwerk. Aan het einde van de thriller zijn de leden van dat netwerk allemaal vermoord, voor het grootste deel door toedoen van de schietgrage Clark en zijn kompanen. De Emir wordt overhandigd aan de CIA, maar niet nadat hij bijna doodgemarteld is.

Er kan geen twijfel over bestaan dat Clancy dergelijke praktijken goedkeurt: Clark en de zijnen gelden bij hem als helden omdat ze er koelbloedig op los martelen en moorden. Dat is bedenkelijk, want Clancy is een schrijver met een immens bereik. U behoort misschien niet tot het Amerikaanse miljoenenpubliek dat zijn boeken koopt, maar u bent vast wel eens al zappend in een film als Patriot Games, Clear and Present Danger, The Sum of All Fears of The Hunt for the Red October terechtgekomen, die allemaal op zijn werk zijn gebaseerd. Clancy’s verbeelding vindt inmiddels zo gretig aftrek dat hij boeken publiceert die geschreven worden door productieteams. Veel van Clancy’s boeken liggen bovendien aan de basis van computerspellen die op hun beurt weer grandioos verkopen, zelfs dermate grandioos dat het Franse bedrijf Ubisoft het exclusieve gebruik van Clancy’s naam heeft gekocht – voor heel, heel veel geld.

Dat maakt het boek ook interessant voor lezers die snel zullen walgen van de ideologie achter het in Op leven en dood opgeroepen wereldbeeld. Want gezien Clancy’s enorme bereik dringt de vraag zich op waarin precies de aantrekkingskracht van dat wereldbeeld kan liggen.

Net echt

Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst worden vastgesteld dat Clancy zijn uiterste best doet om zijn wereldbeeld met een schijn van waarachtigheid te omgeven. Het boek eindigt niet in een hotelsuite waarin de held in het gezelschap van een blonde stoot een fles Dom Perignon ontkurkt. Integendeel: zijn helden zijn feilbaar. De al genoemde Clark heeft steeds weer moeite om zijn jonge collega’s bij te benen. Jack Ryan, net als Clark een oudgediende uit eerdere romans, heeft moeite met het ophouden van zijn plas. Eén van de helden van de Campus komt zelfs om bij een inzet.

De wereld waarin deze feilbare mannen hun werk doen, is een onherbergzaam oord waar voor elk beetje vrijheid en veiligheid gevochten moet worden. De overheden waarmee ze te maken hebben zijn bureaucratische monsters waarin schimmige figuren hun machtswellust uitleven. Politici zijn vooral bezig met scoren bij de kiezers en over de hele planeet loert het dodelijke gevaar van islamitisch geïnspireerd terrorisme – dat met de ‘Umayyad Revolutionary Council’ en ‘de Emir’  nadrukkelijk op respectievelijk Al Quaida en Osama bin Laden wordt gezinspeeld moge duidelijk zijn.

Kortom: het wereldbeeld van Clancy sluit perfect aan bij de modiale werkelijkheid zoals die dagelijks in de Westerse media wordt gepresenteerd. Dit virtuele realisme wordt door Clancy nog versterkt door schier eindeloze uitwijdingen over internet, wapens, bommen en gecodeerde communicatie. Hij verleidt de lezer ertoe te denken dat hij daadwerkelijk inzicht krijgt in datgene wat zich achter de coulissen van het wereldtoneel afspeelt – het zou tenminste zo kunnen zijn, dat is de suggestie waar Clancy op uit is.

Krenking

Op leven en dood verscheen nog voordat Bin Laden werd vermoord. Maar wie zich de beelden van de feestende Amerikanen herinnert, zal zich realiseren hoe diep de rancune over 9/11 nog altijd zat. Met die rancune doel ik niet op de wraakgevoelens die nabestaanden van de slachtoffers zullen koesteren, maar op de Amerikaanse rancune van de nationalistische trots, voor wie de beelden van in elkaar stortende wolkenkrabbers geen smartelijk verlies van dierbaren, maar een narcistische krenking betekenen. Die krenking werd in het afgelopen decennium nog versterkt: de weinig glorieus verlopende oorlogen in Afganistan en Irak en de financiële crisis hebben duidelijk gemaakt dat de Verenigde Staten niet de ongenaakbare natie is die steevast aan de goede kant van de geschiedenis staat.

Door in nu zijn net echte wereld een fantasie te ensceneren waarin de Verenigde Staten er wel in slagen een terroristische aanslag te voorkomen, Al Quaida te elimineren en Bin Laden op hun foltertafel te doen belanden, restaureert Clancy het nationalistische zelfbeeld.  Zelfs op economisch vlak zijn zijn helden onoverwinnelijk: tussen het martelen door financieren Clark en de zijnen hun organisatie met slimme speculaties op de beurs. Daarnaast levert Clancy een perfide verklaring waarom de Verenigde Staten niet altijd als ongenaakbaar uit de bus komen: zijn coole killers zouden de terroristen natuurlijk in no time kunnen opruimen, maar ze worden systematisch tegengewerkt door een keur aan juristen, journalisten en politici. Clancy zet hen nadrukkelijk neer als mensen wier handelen niet gedreven wordt door noodzaak of overtuiging, maar door eigenbelang.

Een goed voorbeeld is het personage Kealty. Kealty is in Op leven en dood op dubieuze wijze president van de Verenigde Staten geworden en houdt zich bezig met het pesten van de ‘gewone man’ met hervormingen in de gezondheidszorg en belastingverhogingen. Zijn pogingen de geheime dienst te civiliseren voert Clancy terug op morele zelfgenoegzaamheid: hij wil laten zien ‘wie er de baas is’. Uiteraard kan Kealty niet bogen op een heroïsche staat van dienst in de CIA, het leger of zelfs maar het bedrijfsleven, integendeel: hij geldt als ‘met een gouden lepel in de mond geboren’ – overigens: dat het in het Nederlands doorgaans een zilveren lepel is, zullen we de vertaler vergeven.

Negatief nationalisme

Het is geen prettige constatering, maar de aantrekkingskracht van het door Clancy geëtaleerde wereldbeeld ligt dus allereerst in de nationalistische ideologie zelf. De Verenigde Staten worden gepresenteerd als paradijselijk toevluchtsoord in een wereld die verder als onherbergzaam, gevaarlijk en onoverzichtelijk geldt. Lukt het niet om dat toevluchtsoord voor de bedreigingen van buitenaf te verdedigen, dan moet er een binnen de natie een kracht zijn die haar moedwillig ondermijnt. Zo worden mensenrechten, democratie en gerechtigheid in één retorische beweging gereduceerd tot holle frasen waarachter een zelfgenoegzame en hypocriete elite haar dolk verborgen houdt. Om Clancy’s huisfilosoof John Clark nog eens aan het woord te laten:

... het hoort bij dit soort werk dat je bereid bent oogkleppen op te zetten. Je wordt met dingen geconfronteerd en daar moet je mee afrekenen. Iedere terrorist heeft een moeder en een vader. Misschien kinderen, misschien mensen die van hem houden. In zes van de zeven gevallen zal hij een fatsoenlijke burger zijn, maar vanaf de dag waarop hij besluit een geweer op te pakken of een bomaanslag te plegen, vormt hij een bedreiging. En als jij degene bent die tussen hem en onschuldige levens in staat, mag je alleen maar aan die bedreiging denken.

Het gaat bij Clancy’s fantasie dan ook niet om een vorm van nationalisme die we uit de negentiende eeuw kennen. Daarbij ging het namelijk om een ‘positief’ nationalisme, waarin de natie tot het symbolische middelpunt van een burgerlijke cultus gemaakt werd. Bij Clancy wordt er weinig met vlaggen gezwaaid, niemand zingt God bless America. Dit nationalisme is negatief: het dient niet om mensen op te nemen in een hiërarchie, maar om ze als bedreiging (de ‘terroristen’) of als verraders (de ‘linkse elite’) te kunnen identificeren en rücksichtslos uit te schakelen.

Van dit negatieve nationalisme is Clancy natuurlijk niet de auteur, maar de zoveelste explorateur in een reeks die vermoedelijk teruggaat op de entourage van Richard Nixon. In een maatschappij die wordt gedomineerd door consumptie blijkt dit negatieve nationalisme steeds beter te verkopen: George W. Bush won er zijn verkiezingen mee, Fox News is er groot mee geworden en enkele kapitaalkrachtige mediamagnaten en captains of industry weten er een Tea Party mee te vullen. Het idee dat je geen baan hebt en in de metro niet veilig bent omdat de president geen echte Amerikaan is, gaat er nou eenmaal makkelijker in dan de constatering dat er iets fundamenteel mis is met de manier waarop je landgenoten hun leven financieren en of je overheid in de rest van de wereld haar belangen najaagt.

Consequentie


En in Europa? Het succes van Clancy aan deze kant van de Atlantische Oceaan kan natuurlijk verklaard worden vanuit een exotische fascinatie voor het Amerikaanse oorlogsapparaat, die al decennialang met boeken, films en computerspelletjes wordt gevoed. In zijn ‘Umayyad Revolutionary Council’ herkennen we op ons continentje dan niet Al Quaida, maar een eigentijdse variant van wat ten tijde van de Koude de Oorlog Sovjets en in de jaren negentig de buitenaardse wezens waren – sparring partners voor Rambo en de zijnen, die ons met hun heldendaden heerlijk wisten te entertainen. 

Maar ik vraag het me af. Het lijkt er namelijk op dat het nationalisme dat Clancy uitbuit in het afgelopen decennium gretig naar Europa geïmporteerd is. Juist vanwege zijn negatieve karakter is dit soort nationalisme overal ter wereld toepasbaar: het is immers om het even aan welke voorstelling van een natie het gekoppeld wordt, mits die voorstelling maar toestaat een gevaarlijke buitenstaander en diens interne bondgenoten te identificeren. Dat lukt met ‘Nederland’ of met ‘het Westen’ even goed als met ‘Amerika’. Zoals Willem Schinkel in zijn boek De gedroomde samenleving (2008) heeft laten zien, laten politieke leiders ook in dit deel van de wereld geen kans onbenut om de eigen natie als een perfecte constructie te presenteren, wat onvermijdelijk met zich meebrengt dat de oorzaak van alle problemen dus bij hen moeten liggen die van buiten komen (de moslims, de allochtonen, de Polen en actueel de Grieken) en bij hen die die natie verloochenen (de socialisten, de intellectuelen, de werkelozen, de gehandicapten en actueel natuurlijk de redacteuren van literaire tijdschriften).

Kortom: het consumentistische gemak dient het politieke denken inmiddels ook aan deze kant van de Atlantische Oceaan en daarom zal een fantasie die daar perfect op aansluit hier evengoed gretig aftrek vinden. Misschien dat sommige lezers er moeite mee zullen hebben dat Clancy het geweld waarmee het negatieve nationalisme gepaard gaat zo gretig zichtbaar maakt – zeker in Nederland wordt dat liever naar de achterkamertjes van de samenleving verschoven. Maar juist daarom is het goed om uitgebreid kritische aandacht aan een boek als Op leven en dood te besteden. In de wellustige manier waarop hij zijn fantasie uitleeft, wordt namelijk pijnlijk duidelijk hoe hoog de prijs voor het gemak van het negatieve nationalisme is: in naam van de veiligheid worden de burgerlijke vrijheden uitgehold en doordat de werkelijke oorzaken uit zicht raken, blijft de maatschappelijke toestand zoals die is. Voor veel Amerikanen is het die prijs waard. Of die prijs hier ook betaald moet worden, is een vraag waar Europeanen niet langer omheen kunnen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?