
Nietzsche in een handomdraai
Cin Windey
Over Omwentelingen van Mark Z. Danielewski
De Bezige Bij, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 234 2055 2 / 360p.
(4) reactie(s) - geplaatst op 20-01-2010
Toen Mark Z. Danielewski in 2000 zijn innovatieve en ambitieuze debuutroman House of Leaves (vertaald als Het kaartenhuis) publiceerde, was dat een literair evenement. Veel daarvan had te maken met de talloze eigenaardigheden van het boek, waaronder niet alleen de raadselachtige inhoud, maar ook de vier verschillende versies waarin het van de persen rolde én het afzonderlijk verschenen ‘companion piece’ The Whalestoe Letters (De Walvisteenbrieven). De commotie werd nog wat groter toen zangeres Poe (het pseudoniem van Danielewski’s zus Ann) rond diezelfde tijd het muziekalbum Haunted lanceerde, dat in allerlei opzichten met de roman was vervlochten. Ondertussen cultiveerde Danielewski in interviews de ambiguïteit tussen zijn eigen biografie en die van zijn personages. Alle geheimzinnigheid in en rond het boek, maakte van Het kaartenhuis al snel een bestseller met een zelden geziene cultstatus, tot en met gespecialiseerde online-discussiefora waarop fervente lezers druk speculeerden over de betekenis van elk minuscuul detail van de roman.
Ook de literaire pers droeg bij aan de ophef. Er werd gesproken van een geniaal meesterwerk in de lijn van Sterne, Joyce, Borges of Cortázar, maar ook het kamp van de sceptici kon – los van alle hypes – de nodige waardering opbrengen voor het uitgekiende evenwicht tussen horror, documentaire, science-fiction en filosofisch essay, de experimentele vormgeving en de ingenieuze verhalen-in-verhalen-constructie. Die kenmerken waren, in mindere mate, ook aanwezig in de daaropvolgende novelle The Fifty Year Sword, maar deze bleef toch grotendeels onder de radar van pers en publiek, wellicht omdat iedereen met ingehouden adem zat te wachten op Danielewski’s tweede ‘grote’ roman.
Die grote roman kwam er in 2006, met Only Revolutions. Ook toen ontstond een kleine rel in literaire kringen, zij het dan niet altijd uit enthousiasme: de roman wekte in eerste instantie vooral een enorme scepsis op, vanwege de wel zeer complexe en experimentele vorm waarin hij was gegoten. Sommige recensies (New York Times Book Review, Washington Post, Bookforum) spraken al bij al een lovend oordeel uit, maar vele andere stonden bol van bijtend sarcasme en intense minachting: de doorwrochte structuur van het boek werd afgedaan als nietszeggend formalisme, dat blijkbaar vooral moest dienen om de afwezigheid van een boeiende plot te camoufleren. Behalve hun genadeloze verdict, hadden de meest negatieve van die kritieken nog een belangrijk kenmerk met elkaar gemeen: hoe minder de recensent het boek had gelezen, hoe neerbuigender het oordeel.
As a curious reader, though, I was defeated early on, worn out by all the wordplay, the rush and tumble of his two babbling narrative voices. There is enough experimentation here to keep academics and cyber-geeks satisfied for years to come, but long before the end - wherever that is - I was left longing for the lull and sway of a classic tale well told. Not one for Richard and Judy, I suspect.
(Sean O’Hagan in The Observer)
Oh corks. Confession time. This reviewer doesn’t really do experimental fiction, and could not cope with this loony enterprise at all. Apparently, it is about a couple of teenagers on some sort of journey, but I had to get this information from the cover. Inside it is a mess of footnotes, different-sized fonts and gnomic gobbledegook. Part of it is printed upside down, because you can also read it backwards if you haven’t got anything better to do with your life. Think of the bricks at the Tate. If you thought that was a great work of art, you might like this. It’s a free country.
(Kate Saunders in London Times)
Bovendien bleek een aantal recensenten niet alleen te weinig, maar ook bewust onnauwkeurig te lezen: de samenhang van de roman viel meer dan eens ten prooi aan oversimplificatie en (mogelijk) betekenisvolle details kregen niet de aandacht die ze vereisten. Uiteraard is absolute volledigheid in dezen onmogelijk (ook deze recensie zal ongetwijfeld niet voldoen aan dat criterium), maar zeker is wel dat een al te vluchtige lectuur helemaal haaks staat op het soort hyper-gedetailleerde, bijna technologische proza dat Danielewski aflevert, en dus ongeschikt is om tot enige interpretatie, laat staan appreciatie te komen van zijn werk.
Uiteraard betekent dat nog niet dat Danielewski’s roman hiermee zomaar is vrijgepleit van de kritiek die hij ontvangt. Dat Omwentelingen bijna meer een designobject dan een roman is, kan de indruk wekken dat de inhoud wordt overschaduwd door de (overigens wel zeer knappe) vormgeving. Tegelijk wordt de ijzeren logica van het wisselende kleurgebruik en letterformaat, de bladspiegelindeling en de roterende paginanummers dan weer zo ver doorgedreven, dat het idee van ‘vrijblijvende Spielerei’ maar moeilijk met deze constructie te rijmen valt. Veeleer versterkt dat het idee dat de vorm een deel van de inhoud is. En zo komen we bij een tweede, veel belangrijker bezwaar, namelijk dat die ingewikkelde vormgeving de lectuur van de inhoud in de weg staat, en dat de gehanteerde taal zo dichterlijk is – lees: zo cryptisch en bevreemdend – dat de lezer haar amper kan doorgronden. Dat klinkt misschien als een onoverkomelijke patstelling, maar eigenlijk is het niet meer dan het eeuwenoude verzoek van de experimentele lectuur aan het adres van de lezer: om, waar nodig, de vertrouwde romanconventies los te laten en anders te gaan lezen.
Anders lezen is zeker van toepassing op Omwentelingen: Danielewski stuurt de lezer namelijk in verschillende leesrichtingen tegelijkertijd. Elke pagina bevat twee tekstblokken: de helft van een pagina wordt ingenomen door het relaas van het personage Sam, de andere helft – ondersteboven afgedrukt – dat van het personage Hailey. In de kantlijn van elk tekstblok wordt bovendien in een aparte kolom gefastforward door 200 jaar wereldgeschiedenis – het toneel waarop de V.S. een hoofdrol spelen. Als we die ‘nieuwskolommen’ opvatten als de tijd waarin de roman op dat moment opereert, dan speelt Sams verhaal zich af tussen 1863 (de afschaffing van de slavernij) en 1963 (de moord op Kennedy) dat van Hailey tussen 1963 en 2063 (volgens sommige wetenschappelijke bronnen het jaar waarin komeet Halley weer door ons zonnestelsel trekt). Toch blijkt de aanname dat de twee verhalen zich in elkaars verlengde zouden afspelen al snel onhoudbaar: Sam en Hailey blijken samen in één verhaal te figureren, dat in twee versies is opgesplitst. Daarbij blijven ze zelf uit de greep van tijd en ruimte: ze worden nooit ouder dan 16 en kunnen pijlsnel de globe rondreizen. Ze beschrijven hun eenheid simpelweg als een ‘US’, een Wij waartoe de hele mensheid behoort, maar dat natuurlijk ook een “U.S.” is, inclusief de history of violence van dat land, die voelbaar door Sam en Haileys aderen raast.
Het lezen van dat verhaal kan ‘technisch’ op meerdere manieren gebeuren. Eén mogelijkheid is het volgen van de leessuggestie die in sommige versies is aangebracht (maar in andere ontbreekt en dus zeker niet bindend is): het boek om de acht pagina’s omdraaien en zo afwisselen tussen de twee ‘gelijkwaardige’ verhalen van Sam en Hailey - een lectuur in vorm van een oneindigheidssymbool. De tekens 8 en II (verwijzend naar 8 pagina’s, 2 personages), maar ook de gekantelde versies daarvan, ∞ en = (oneindigheid en gelijkheid), zijn samen met het getal 360 (de graden van een cirkel én totaal aantal pagina’s van de roman) meteen ook de hoofdmotieven in het boek.
Zoals gezegd staat het de lezer echter ook vrij om andere volgordes te hanteren: bijvoorbeeld door eerst het volledige deel van Sam en dan pas dat van Hailey (of vice versa) te lezen, of zelfs om per pagina het boek om te draaien en zo alle tekstblokken met de wijzers van de klok mee of juist er tegenin te doorlopen. Afhankelijk van zijn keuze zal de lezer andere details van de tekst opmerken.
Wie bijvoorbeeld de twee delen na elkaar leest, merkt vooral de gelijkaardige verhaalstructuur op, het verschil in kleurgebruik (de letter ‘o’ is groen bij Sam, goud bij Hailey), en de continuïteit van de tijdslijn. Wie echter afwisselt tussen Sam en Hailey ziet nog meer detail: hoe ook hele zinsconstructies en woorden worden herhaald, hoe mannelijke personages vrouwelijk worden, hoe S en H allebei omkeerbare letters zijn, hoe revolutionaire patronen zich in de geschiedenis herhalen, hoe woorden inwisselbaar zijn met hun antoniemen en hoe de beginletters van elke achtste pagina een oneindige lus vormen: ‘…Sam van Hailey van Sam van Hailey…’. Wie zover gaat om echt elke bladzijde te roteren, ziet nóg meer spiegeleffecten opduiken: wanneer in Sams verhaal een bepaald betekenisvol personage wordt vermeld, dan komt dat personage in Haileys helft op exact dezelfde pagina voor. (Hier past overigens ook een oprecht woord van lof aan de Nederlandse vertalers, die al deze radertjes ingenieus gaande wisten te houden)
Het is knap staaltje van literaire constructie. Daarbij hebben al die ingrepen ook zo hun filosofische implicaties: Danielewski’s roman flirt nonchalant met Nietzsches idee van de ewige Wiederkehr, de zich eeuwig en identiek herhalende geschiedenis. Sam en Hailey zetten dat idee naar hun hand en proberen een leven te leiden dat tot in het oneindige zou mogen doorgaan: ze trekken rond als bohémiens, geliefden, avonturiers, decadenten… eigenlijk als jonge Rimbauds, sprekend in een taal die doet denken aan de (door Rimbaud geïnspireerde) Beat-poets uit de (revolutionaire) jaren 1960. Hun epicuristische levenswandel is chaotisch, verzengend en egocentrisch, maar ook hartstochtelijk en indrukwekkend compromisloos ten opzichte van de rest van de wereld. Die wereld reageert soms met jaloezie ten opzichte van hun arrogante en jeugdige zelfgenoegzaamheid, maar vaker nog met angst en afschuw wanneer de twee ergens halt houden: zoals een staartster wel prachtig is wanneer ze voorbijtrekt aan de hemel, maar weer een gevaarlijke vuurmassa wordt zodra ze onze planeet te dicht nadert.
Meer nog dan aan de US (Uncle Sam) en wentelende kometen (Hailey/Halley), doen de tieners vooral denken aan incarnaties van de ‘revolutionaire geest’ van de hele geschiedenis: ook deze brandt met een heftig vuur dat in al zijn jeugdige kracht kan schitteren, opgelaaid door telkens nieuwe idealen. Tegelijk is het een onheilspellend gevaarte, dat die idealen razendsnel in rook doet opgaan en veelal verwoesting achterlaat. Danielewski’s vogelvlucht over 200 jaar wereldgeschiedenis leest als Nietzsche in een handomdraai: de roman is gefascineerd door de pracht én de terreur van revoluties als cyclische, historische mechanismen. Wat verandert is de plaats, de betrokkenen en de inzet. Wat terugkeert, is het vurige, gewelddadige verlangen naar de omwenteling, stilistisch gevat in de buitelende maalstroom van eruptieve taal waarin Sam en Haileys verhaal is gegoten.
En de lezer? Die wordt niet verondersteld dat cyclische te begrijpen, maar juist om erin te duiken, zich door de draaikolk te laten meesleuren: dan pas kan hij opnieuw en opnieuw lezen, eindeloos draaien, duizelig worden en toch het gevoel bewaren nooit rond te zijn.
4 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


20-01-2010, om 5:23:48