cover big

Nieuwe epiek

Gijsbert Pols

Over The Fall of Gondolin van J.R.R. Tolkien

Harper Collins Publishers, Glasgow, 2018,
ISBN 9780008302757 / 368p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 07-11-2018

Bookmark and Share

Een dikke vijftig jaar geleden begon Christopher Tolkien met het publiceren van het nagelaten werk van zijn illustere vader J.R.R. Tolkien (1892-1973), auteur van The Hobbit (1937) en The Lord of the Rings (1954-1955). Allereerst verscheen The Silmarillion (1977), een soort epische synthese van de geschiedenis van Tolkiens imaginaire wereld Midden-Aarde. Vervolgens liet zijn ijverige zoon enkele bundels met losse verhalen verschijnen, essays, een brievencollectie, een band met tekeningen en een geschiedenis van Midden-Aarde in niet minder dan twaalf delen. In 2002 verscheen het laatste deel van die geschiedenis, maar ook daarna zijn er nog enkele nieuwe boeken aan het toch kolossale postume oeuvre van J.R.R. Tolkien toegevoegd. Toen vorig jaar Beren and Lúthen verscheen, merkte Christopher Tolkien echter in het voorwoord op dat het er nu, op zijn drieënnegentigste, vermoedelijk echt wel zo’n beetje op zat. Maar de slag om de arm bleek terecht. Opgelucht schrijft hij in het voorwoord van het onlangs gepubliceerde The Fall of Gondolin dat het toch nog één keer gelukt is om een volwaardige postume publicatie samen te stellen.

Nu is het verleidelijk om The Fall of Gondolin af te doen als een publicatie die hooguit voor de allergrootste afficionados van Tolkien toegevoegde waarde heeft. Net als bij Beren and Lúthen en het in 2007 verschenen The Children of Húrin gaat het om materiaal dat al bekend is uit The Silmarillion, waarbij het in het geval van de twee laatst gepubliceerde titels dan ook nog eens om bundels gaat waarin verschillende en veelal onvoltooide versies van hetzelfde verhaal zijn samengebracht, voorzien van uitgebreid commentaar. De teksten in The Fall of Gondolin verschillen echter weinig van elkaar en bovendien missen de protagonisten de morele ambiguïteit die van The Children of Húrin een postuum meesterwerkje maakte.

Toch schiet die conclusie tekort. Het verhaal over de val van Gondolin is net als de meeste vertellingen uit The Silmarillion gesitueerd in de eerste era van Midden-Aarde of ‘Arda’, zoals de correctere naam luidt. Aan dit tijdvlak hechtte Tolkien veel meer waarde dan aan de derde era waarin hij de gebeurtenissen uit The Hobbit en The Lord of the Rings liet plaatsvinden. Sterker nog, het was helemaal niet gepland dat The Hobbit zich in Arda af zou spelen. Pas toen zijn uitgever na het gigantische succes van dat boek om een vervolg verlegen zat, koppelde Tolkien de avonturen van Bilbo Baggins aan de geschiedenis van Arda. Het resultaat daarvan was The Lord of the Rings, een boek waarbij Tolkien aanvankelijk nogal ambivalente gevoelens had. Hem ging het om de eerste era, The Silmarillion had het magnum opus moeten worden waarmee hij niets minder ambieerde dan Engeland het nationale epos te geven dat het in zijn ogen ontbeerde. Van dat epos vormt het verhaal over de val van Gondolin de oerscène. Uit het commentaar van zijn zoon blijkt dat dit het eerste verhaal was waarin Tolkien Arda vorm begon te geven. Hij bleef het zijn leven lang herschrijven.

Als reconstructie van Arda’s oerscène biedt The Fall of Gondolin de mogelijkheid verder na te denken over de politieke dimensies van de door Tolkien geschapen wereld – een wereld die onmiskenbaar een enorme aantrekkingskracht bezit. Het gaat niet te ver om te stellen dat Tolkiens epische ambitie is geslaagd, al werd het geen nationale epiek, maar een planetaire. The Lord of the Rings is met een geschatte verkoop van 150 miljoen verkochte exemplaren het best verkochte boek van een individuele auteur ooit, de verfilming ervan heeft bijna tweeënhalf miljard euro opgeleverd. Maar belangrijker nog: Tolkien staat met zijn werk aan de basis van een compleet literair genre (fantasy), een hele reeks films en series en een vrijwel oneindige reeks producten uit de gaming industry. Er zijn vermoedelijk weinig mensen die niet op een of andere manier in aanraking zijn gekomen met Tolkiens verbeelding. En dan moet het Amazon-imperium nog beginnen met de serie.

Episch conservatisme

Het stemt droevig dat deze planetaire epiek zo nadrukkelijk is voortgekomen uit een conservatief, om niet te zeggen: reactionair verlangen. In een bespreking van het werk van George R.R. Martin wees ik er al op hoe eenduidig Tolkien moraal met herkomst verbindt: de slechteriken komen uit het oosten en zuiden, de goeden komen uit het westen en zijn, of het nu om mensen, elfen, hobbits of dwergen gaat, zonder uitzondering wit – deze racistische constructie werd overigens door de verfilming van Peter Jackson nog eens uitvergroot, zoals deze satirische trailer op een hilarische manier laat zien. Hoewel Tolkien enkele vrouwen opvoert die zich teweer stellen tegen de patriarchale macht – denk bijvoorbeeld aan Éowyn – zijn ze toch nadrukkelijk tot bijrollen veroordeeld en uitgesproken seksloos. Dat laatste geldt ook voor mannen: voor kameraadschap en liefde is er ruimte te over, maar dat die mannen eens seks met elkaar zouden hebben is ondenkbaar. Sekse is sowieso tot in het absurde eenduidig: zelfs wandelende bomen zijn ondubbelzinnig als man of vrouw.

Als oerscène maakt het verhaal over Gondolin het conservatieve verlangen waaruit Arda is voortgekomen nog duidelijker. Gondolin is een stad die gebouwd werd door uit het aardse paradijs van Valinor verstoten elfen, na een conflict met de goden. De stad ligt verborgen tussen enkele bergketens en kan zich daarom lang onttrekken aan de vernietigingsdrang van Morgoth, de god van het kwaad. De elfen laten alleen leden van hun eigen stam binnen. In een gevallen wereld is Gondolin dus een soort feeërieke gated community, een verwezenlijking van de wens je veilig te kunnen afsluiten van de ontwikkelingen in de wereld om je heen – ongeveer zoals extreemrechts Europa graag vorm zou willen geven. Maar zoals de titel al duidelijk maakt, gaat Gondolin ten onder. De oorzaken van die ondergang – sowieso de rechtse obsessie bij uitstek – zijn veelzeggend. De rechtse verbeelding, zelfs als het daarbij een gematigd conservatisme betreft, is zo overtuigd van de suprematie van het eigene (de natie, het volk, de stam, enzovoorts), dat de ondergang nooit door een vijand ante portas bewerkstelligd kan worden. De val begint daarom altijd van binnenuit, met mensen die het eigene verraden, en decadentie.

Voor het verraad is in Gondolin de elf Maeglin verantwoordelijk, de zoon van Eöl die de donkere elf werd genoemd en zich nadrukkelijk buiten de elfensamenleving plaatste. Maeglin leeft wel bij zijn stamgenoten, maar houdt zich vooral bezig met het delven van edelstenen in mijnen diep onder de bergen rond Gondolin. Zijn wapendier is de mol, een dier dat bij uitstek met ondermijning en duisternis geassocieerd wordt. Zijn verraad is gemotiveerd door wellust: hij wil namelijk Idril, de dochter van Gondolins koning Turgon. Idril moet niets van hem hebben, bovendien zou een verbintenis tussen de twee in de beschaving van de elfen als incest gelden, Idril is Maeglins volle nicht. Deze combinatie van donkerte, hebzucht en perversie maakt Maeglin tot een figuur die honderd jaar geleden in nationalistische literatuur de Eeuwige Jood werd genoemd, of de Bolsjewiek – wat in de meeste gevallen zo ongeveer op hetzelfde neerkwam. Tegenwoordig staat deze figuur bekend onder uiteenlopende namen als de Allochtoon of de Linkse Landverrader.

Gondolins zwakte manifesteert zich als een gebrek aan kadaverdiscipline. De zeegod Ulmo, die van alle goden het dichtst bij de elfen staat, wil Turgon ervan overtuigen gezanten te blijven sturen naar Valinor, die daar de zaak van de verstoten elfen bepleiten en de goden en achtergebleven elfen mobiliseren in de strijd tegen Morgoth. Turgon stopt daar op zeker moment mee, om een nogal overtuigende reden: van de door hem gestuurde elfen wordt nooit meer iets vernomen. Ze verdrinken in Ulmo’s oceaan. Om Turgon toch weer te bewegen elfen op pad te sturen rekruteert Ulmo Tuor, telg uit een nobel mensengeslacht dat altijd loyaal met de elfen heeft meegevochten in de strijd tegen Morgoth. Die trouw heeft ertoe geleid dat Tuor als kind tot slaaf werd gemaakt. Na zijn ontsnapping leeft hij eenzaam in de wildernis, wat hem tot de ideale rekruut maakt: hij heeft namelijk niets te verliezen. Tuor weet het verborgen Gondolin te vinden en wordt ook in de stad met alle egards ontvangen – hij mag zelfs met Idril trouwen –maar het lukt hem niet om Turgon te overtuigen.

Desalniettemin vervult Tuor zijn plicht. Nadat Maeglin de locatie van Gondolin prijsgeeft en Morgoth zijn legers aan laat rukken, leidt hij – na een heroïsche rol in de verdediging van de stad – een klein deel van de elfen weg naar de oevers van de zee. Uit zijn huwelijk met Idril komt Eärendil voort, de onverschrokken blonde zeevaarder die er wel in zal slagen om Valinor te vinden, een pact met de goden te sluiten en Morgoth voorgoed te verslaan. De val van Gondolin is daarmee een soort purificatieritueel geworden, een armageddon dat noodzakelijk is om de geschiedenis naar het heil te voeren. Het kost niet veel moeite om hierin de notie van oorlog als zuivering te herkennen dat in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw zo populair was onder conservatieven, of de burgeroorlog tegen Europese mensen van kleur waarover veel rechtsextremisten momenteel fantaseren.

Een geschiedenis voor mannen

Het zal bovendien duidelijk zijn dat voor Tolkien mannelijke leiders de drijvende kracht achter de geschiedenis zijn. Economie speelt geen rol, sociale dynamiek evenmin – überhaupt lijkt er voor Tolkien, om Margaret Thatchers beroemde maxime aan te halen, niet zoiets als een maatschappij te bestaan. Er is alleen de leidende man, zijn antagonisten en zijn kapiteins, en verder een anoniem, volgzaam en bovenal homogeen volk. De modus vivendi van deze leidende man is die van onbaatzuchtige dienstbaarheid aan de goede zaak, zijn middel is geweld en zijn beloning is roem – en een vrouw, uiteraard.

Laten we de trophy wife uit The Fall of Gondolin eens nader beschouwen. Haar functie in het verhaal is volledig gerelateerd aan de mannelijke leiders: ze is de dochter van Turgon, de beminde van Maeglin, de man van Tuor en de moeder van Eärendil. Toegegeven, ze voorziet de val van de stad en bereidt de vlucht van de groep voor die Tuor uiteindelijk in veiligheid zal brengen. Maar ook daarin is ze minder een zelfstandig agerende vrouw dan een symbolische baarmoeder die verantwoordelijk is voor het voortbestaan van de stam na de purificatie. En dan is daar haar uiterlijk. Idril is mooi, maar op een specifieke manier:

Very fair and tall was she, well nigh of warrior’s stature, and her hair was a fountain of gold. Idril she was named, and called Celebrindal, Silver-foot, for the whiteness of her foot; and she walked and danced ever unshod in the white ways and green lawns of Gondolin.

Met andere woorden: haar schoonheid is direct gekoppeld aan haar witte huid. Des te wranger dat het hier om een precaire schoonheid gaat, één die onmisbaar is om de geschiedenis tot een goed einde te brengen en dus voortdurend door donkerte wordt bedreigd. Het is namelijk deze voorstelling die ten grondslag ligt aan het even racistische als misogyne vertoog over ‘omvolking’ en ‘witte genocide’ dat de afgelopen jaren zo salonfähig is geworden. Wie zich nog altijd vertwijfeld afvraagt hoe dat toch zo gemakkelijk gebeuren kon en waarom er zo weinig verweer tegen is, doet er goed aan om The Fall of Gondolin te lezen en zich rekenschap te geven van Tolkiens populariteit. Het gaat er dan natuurlijk niet om Tolkien verantwoordelijk te maken voor de normalisering van openlijk racisme in onze tijd. Waar het om gaat is de vanzelfsprekendheid waarmee dit soort ideeën deel uit kunnen maken van onze culturele mainstream.

Het rechtse karakter van Tolkiens epiek komt nog in een aantal andere aspecten terug. Zo is persoonlijk geluk, zelfs in de vorm van lichamelijk en geestelijk welbehagen, taboe. Als Tuor tijdens zijn vele omzwervingen te lang verwijlt in een pastoraal rivierlandschap vol wilgen en bloemen, stijgt Ulmo persoonlijk op uit de diepte van de oceaan om hem aan zijn plicht te herinneren. Voorts zijn de figuren nadrukkelijk onlichamelijk: ondanks de amoureuze intrige hebben ze geen seks. Hoe Idril de bevalling doorstond blijft eveneens onbeschreven. Zelfs de beschrijving van verwondingen die de protagonisten oplopen zijn opvallend summier, wat maakt dat het vele geweld op een steriele manier geromantiseerd wordt. Verder is het kwaad in Tolkiens wereld eendimensionaal: Morgoth is zonder meer de Vijand, waarom hij zo slecht is, wat hem in zijn machtshonger en vernietigingsdrang drijft, het blijft allemaal onbesproken. Daarmee hanteert Tolkien een visie die elke mogelijkheid op verzoening, ontwikkeling of synthese bij voorbaat uitsluit. Het kwaad is het Kwaad en moet vernietigd worden.

Tot slot moet in dit verband gewezen worden op de stijl die Tolkien in The Fall of Gondolin hanteert. Die correspondeert met de stijl in alle andere publicaties die handelen over de eerste era en wijkt af van die in The Hobbit en The Lord of the Rings. Hijzelf omschreef de stijl als ‘hoog’ en beschouwde haar als middel om Engeland een nieuwe epiek te geven. Het is een boeiende filologische vraag welke epiek op dit punt model heeft gestaan. Tolkien was zowel vertrouwd met de middeleeuwse als met de klassieke epiek, dus aan voorbeelden geen gebrek. Hoe dan ook, Tolkien deed een greep in het verre verleden. Dat bij een nieuwe epiek ook een nieuwe epische stijl zou kunnen horen, lijkt bij hem niet te zijn opgekomen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een tijdgenoot als James Joyce, die met Ulysses (1922) en Finnegan’s Wake (1939) ook een nieuwe epiek nastreefde en daartoe radicaal nieuwe vormen van schrijven ontwikkelde.

Een ander epos

Natuurlijk zijn er elementen in The Fall of Gondolin aan te wijzen die haaks op het rechtse karakter staan. Een goed voorbeeld is te vinden in de volgende passage, uit een versie van het verhaal waarin Morgoth Melko heet en Tolkien beschrijft hoe deze de aanval op Gondolin voorbereidt:

Then on a time Melko assembled all his most cunning smiths and sorcerers, and of iron and flame they wrought a host of monsters such as have only at that time been seen and shall not again be till the Great End. Some were all of iron so cunningly linked that they might flow like slow rivers of metal or coil themselves around and above all obstacles before them, and these were filled in their innermost depths with the grimmest of the Orcs with scimitars and spears; others of bronze and copper were given hearts and spirits of blazing fire, and they blasted all that stood before them with the terror of their snorting or trampled whatso escaped the ardour of their breath; […].

De eerste versie van de val van Gondolin schreef Tolkien toen hij als verbindingsofficier in het Britse leger diende tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij maakte onder meer de slag aan de Somme mee, berucht om de miljoen levens die hij opeiste, maar ook vanwege de introductie van tanks. Me dunkt dat passages als de bovenstaande ingegeven zijn door een diepe afkeer van de gemechaniseerde oorlogsvoering waarvan Tolkien getuige was geweest. Diezelfde afkeer meen ik ook te bespeuren in de indringende beschrijvingen van het helse lawaai en het infernale licht waarmee de val van Gondolin gepaard gaat. Tout court is Tolkiens wereld een fundamentele afwijzing van elke vorm van industrialisering. Het is een wereld waarin de natuur nog ongerept is en een beschaving bestaat die haar hoogste verwezenlijking niet in de beheersing van het leven, maar in de expressie ervan vindt – in poëzie en muziek in het bijzonder.

Maar zo’n afwijzing is niet zonder meer progressief. Ze past ook – en misschien nog wel beter – in een conservatieve levensbeschouwing. Hoe verderfelijk Karl Marx en Friedrich Engels de repressie en vervreemding die de industrialisering met zich meebracht ook vonden, ze begrepen haar ook als onherroepelijk en in veel opzichten zelfs als kans. Een rechtvaardiger politiek kon de mogelijkheden van industrialisering juist aangrijpen om voor iedereen een vrijer, gezonder en gelukkiger leven mogelijk te maken. En vermoedelijk zal ook een ecologisch duurzamer leven altijd nog een beroep moeten doen op de mogelijkheden die de industrialisering ons gegeven heeft. Maar Tolkien biedt daarvoor geen inspiratie. Hij staat met zijn rug naar de toekomst en droomt een verleden bij elkaar.

Gezien Tolkiens enorme populariteit en blijvende invloed kan een kritiek op zijn werk niet volstaan met het expliciteren van de politieke dimensies van zijn wereld. Bovendien had Tolkien gewoon gelijk toen hij stelde dat een geïndustrialiseerde, moderne wereld een nieuwe epiek nodig heeft. Onlangs nog kwam de dichter Jerry King Luther Afriyie in een volkomen andere context en vanuit een volkomen ander perspectief tot een vergelijkbare conclusie. In zijn indrukwekkende getuigenis in de zaak rond de Sinterklaasintocht in Dokkum constateert hij een breed gedragen behoefte aan een nieuw verhaal, aan nieuwe helden om ons verweesde bestaan weer betekenis te geven.

Maar bestaat er zoiets als een epiek die voor een socialer, inclusiever en duurzamer toekomst werkt? In de hierboven aangehaalde recensie schoof ik het werk van Martin als een correctie van Tolkien naar voren. Bij Martin is het kwaad niet absoluut, maar een gevolg van politieke keuzes en psychologische processen. Hij beschrijft ook niet zozeer heroïsche daden maar sociale dynamiek. En zijn figuren hebben lichamen – kwetsbare, hongerige en geile lichamen. Toch blijft ook zijn blik onmiskenbaar mannelijk en vallen er in zijn wereld akelig oriëntalistische elementen aan te wijzen. Martins werk is een buitengewoon intrigerende correctie van Tolkien en vermoedelijk van het hele fantasy-genre, maar hij biedt geen fundamenteel andere fantasy.

Een werkelijk alternatief vond ik in het werk van Ursula K. Le Guin. Ik weet dat het momenteel en vogue is om haar naam te laten vallen, maar zo’n mode is ook vaak een uitdrukking van collectief enthousiasme over een gelukkige vondst. Ik bedoel: met Georg Wilhelm Friedrich Hegel werd er ooit ook gedweept. En ik geloof oprecht dat Le Guin ons ergens brengt waar veel lezers nog niet zijn geweest. Want de meeste literatuur die progressief genoemd kan worden beperkt zich tot een meer of minder impliciet commentaar op onze maatschappelijke, politieke en culturele orde. Alternatieven worden hooguit als negatief van die orde zichtbaar. Bij Le Guin worden de alternatieven echter geconcretiseerd: ze verbeeldt werelden waarin radicaal anders worden geleefd, geloofd en bemind. Door die werelden vervolgens te confronteren met de onze werpt Le Guin de vraag op hoe verandering bewerkstelligd kan worden.

Laat ik besluiten met een Natureingang van Le Guin. In tegenstelling tot Tolkien, die de natuur gebruikt als metafoor voor de kracht van het ongetemde en het zuivere, zet Le Guin de natuur in om te sensibiliseren voor het complexe, het ongewisse, het liminale. Die sensibilisering voert, in een passage als de volgende, uit The Word for World is Forest (1972; als zelfstandige publicatie 1976), tot iets wat zich wat mij betreft het best laat omschrijven als ootmoed:

All the colors of rust and sunset, brown-reds and pale greens, changed ceaselessly in the long leaves as the wind blew. The roots of the copper willows, thick and ridged, were moss-green down by the running water, which like the wind moved slowly with many soft eddies and seeming pauses, held back by rocks, roots, hanging and fallen leaves. No way was clear, no light unbroken, in the forest. Into wind, water, sunlight, starlight, there always entered leaf and branch, bole and root, the shadowy, the complex. Little paths ran under the branches, around the boles, over the roots; they did not go straight, but yielded to every obstacle, devious as nerves. The ground was not dry and solid but damp and rather springy, product of the collaboration of living things with the long, elaborate death of leaves and trees; and from that rich graveyard grew ninety-foot trees, and tiny mushrooms that sprouted in circles half an inch across. The smell of the air was subtle, various, and sweet. The view as never long, unless looking up through the branches you caught sight of the stars. Nothing was pure, dry, arid, plain. Revelation was lacking. There was no seeing everything at once: no certainty. The colors of rust and sunset kept changing in the hanging leaves of the copper willows, and you could not say even whether the leaves of the willows were brownish-red, or reddish-green, or green.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?