cover big

Nog altijd iemand van buiten

Anouk Zuurmond

Over Verzameld nachtwerk van P.F. Thomése

Atlas Contact, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789025447779 / 272p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 04-09-2016

Bookmark and Share

In zijn bundel Verzameld nachtwerk voert P.F. Thomése (1958) de protagonist van zijn roman Heldenjaren uit 1994 weer op: Herman Visch. Deze Herman is een bekend type romanfiguur: een gevoelige jongen, sociaal niet erg begaafd, met hoge artistieke ambities en een omgekeerd evenredige daadkracht. Hij keert in deze bundel terug als auteur van een ingezonden brief aan de ‘geachte “heer” P.F. Thomése’, waarin hij zich beklaagt over zijn lot als personage sinds het verschijnen van een andere roman van deze auteur, J. Kessels: The Novel (2009): ‘In de tijd dat u mij nog “mijn alter ego” noemde, hoorde ik nooit iets over country & western of over het genot van frikandellen’. Hij verzoekt de schrijver dringend om op te houden met die banale praatjes en hem weer op te nemen in een komende roman, ‘alleen al omdat ik waarschijnlijk iets trouwer aan uw idealen ben gebleven dan u’.

De tegenpolen Herman Visch en J. Kessels bepalen de toon van deze bundel, die bestaat uit beschouwingen met een nogal uiteenlopend en ogenschijnlijk tegenstrijdig karakter. Zo zijn er in het hoofdstuk ‘Voorbeelden’ twee beschouwingen opgenomen waarvan het ene ‘Kutwijven & achteruitkijkspiegels’ heet en het andere ‘Theodor W. Adorno’ getiteld is. Het essay ‘Overpeinzingen op een festivalterrein’ is geschreven in de zomer van 2011, toen Thomése voor NRC Handelsblad afreisde naar grote evenementen, ondanks dat hij herhaaldelijk over zichzelf heeft genoteerd dat hij zich ongemakkelijk voelt in de massa. Op het beruchte Zwarte Cross festival in de Achterhoek observeert hij:

Zie ons toch zitten op deze vieze, natte, houten campingbanken, zulke verfijnde geesten als wij, want dat zijn we, sla onze werken er maar op na.

Thomése heeft zich tegen een geëngageerd schrijverschap uitgesproken, maar publiceerde wel een reisverslag over een bezoek aan Israël (Grillroom Jeruzalem, 2011), waar hij verbleef op uitnodiging van een humanitaire organisatie. In de bundel is dit verslag kort samengevat in het essay ‘Hoe ik een Israël-deskundige werd’: een tragikomisch relaas over zijn reis in het ‘amusante gezelschap van succesauteurs Jan Siebelink en Rosita Steenbeek en de glamourpriester Antoine Bodar’.

Deze spanningsvelden tussen het verhevene en het banale, en in meer fundamentele zin tussen de ‘splendid isolation’ van de autonome kunstenaar en de ‘vuile handen’ van maatschappelijk activisme, zijn kenmerkend voor het schrijverschap van Thomése. Een cruciaal essay om deze tegenstrijdigheden te begrijpen is ‘Het raadsel der verstaanbaarheid. Over de kunst van het authentieke’ (gebaseerd op zijn Albert Verwey-lezing uit 2011). Hierin analyseert Thomése de literaire wereld als een economisch bedrijf waar nivellering en democratisering onvermijdelijk leiden tot literatuur die niet meer wordt beoordeeld op kwaliteit, maar op kwantiteit: de mate waarin een tekst een groot publiek zal aanspreken. De verstaanbaarheid – de bevestiging van het bekende – is daarmee een betaalmiddel geworden. De auteur van een boek wordt getransformeerd ‘in een schrijver met een verhaal’. Dit proces van marktwerking is volgens Thomése precies het tegenovergestelde van de romantische mythevorming die eind achttiende eeuw rond de schrijver ontstond: waar de kunstenaar (‘bedenker van raadsel, bezoeker van gene zijde, blinde ziener’) in die tijd werd losgezongen van de massa, is de moderne schrijver de vervulling van de wensen van het publiek. De ontgoocheling is voelbaar wanneer Thomése beide processen vergelijkt:

Hoe anders werkt het in de marketing. Hier wordt de mythe kunstmatig opgewerkt. De marketing laat zich leiden door wat het publiek wil horen.

Wat rest een auteur in deze tijd van marketing en democratisering van de kunst? De ivoren toren van het estheticisme symboliseert hypocriet escapisme volgens Thomése: ‘De schrijver blijft immers deel van de massa, daarbuiten is geen positie mogelijk’. Maar: ‘Toch is de schrijver in de massa niet thuis’. Door de afzondering, de natuurlijke biotoop van de schrijver, kan de kunstenaar een tegengeluid laten horen: ‘De enige positie die een schrijver kan innemen, is de subversieve’. Maar waar ontleent de kunstenaar deze bijzondere positie aan, om vanuit de marge een tegenstem te laten horen? Waarin onderscheidt de kunstenaar zich van de massa? Zeker niet meer door de romantisch-mythologische status van ziener of profeet – die was inmiddels immers efficiënt tenietgedaan door marketing. Thomése heeft de idealen bijgesteld naar moderne maatstaven. Een schrijver onderscheidt zich alleen door zijn schrijftalent:

Hierin toont hij zijn onaangepastheid, zijn verzet tegen de eeuwige herhaling van dezelfde frasen. Het enige wat hij te bieden heeft, is zijn vermogen om de dingen anders op te schrijven dan de meeste mensen het zouden doen. Het subversieve karakter van zijn kunst zit hem dan ook in de vorm.

Maatschappijkritiek is dus een vormkenmerk van de literaire tekst: in de ambiguïteit, ironie en ontoegankelijkheid streeft de schrijftaal, in tegenstelling tot marketingtaal, naar ‘anticommunicatie’. Met deze stellingname laat Thomése overtuigend zien dat engagement in de literatuur niet strijdig hoeft te zijn met de bijzondere aard van literaire teksten. Integendeel: juist de eigenheid van de literatuur biedt een mogelijkheid om de ideologische geladenheid van taal te ontmaskeren. En daarin schuilt voor mij precies de tragiek van het moderne schrijverschap dat Thomése met deze bundel aankaart: de auteur die de verzwegen ideologie van de markt wil ontmaskeren in zijn literaire werk, die de allesoverheersende reclametaal ‘in een zoutzuurbad van ironie’ wil onderdompelen, die auteur is tevens onderdeel van marketingstrategieën in het literaire bedrijf. De ideologie van de markt koloniseert in toenemende mate het domein van de schrijver en de manier waarop Thomése zijn persoonlijke worsteling met die rol beschrijft, maakt indruk.

Thoméses verdediging van het ‘engagement van de vorm’ in het licht van verloren romantische idealen werd ook geconstateerd in de bespreking van zijn roman De weldoener (201o) door Harold van Dijk op De Reactor. De hoofdpersoon uit die roman, componist Sierk Wolffensperger, lijkt overigens in zijn romantische aspiraties, zijn gevoel van uniciteit en het gebrek aan erkenning op de eerder genoemde briefschrijver in deze bundel: Herman Visch uit Heldenjaren. Thomése schetste in deze vroege roman ook al de uitersten van enerzijds een autonoom en anderzijds een geëngageerd kunstenaarschap. De positie van de zoekende, onrustige Herman kan het best worden beschreven als iemand die een middenweg zoekt tussen beide uitersten door ‘van buiten naar binnen’ te kijken. Herman hoort overal net niet bij, en kijkt graag van buiten door het raam naar wat zich binnen in de huizen afspeelt. Die buitenstaanderspositie verdedigt Thomése nog steeds in deze bundel, zoals ook de titel Verzameld nachtwerk suggereert – een knipoog naar het cliché dat grote schrijvers werken wanneer het klootjesvolk slaapt. Met deze bundel is hij in ieder geval – in tegenstelling tot wat zijn eigen personage Herman suggereert – trouw gebleven aan zijn idealen van toen.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?