cover big

Nooit gedacht dat hij dood zou gaan: de historische roman volgens Thomas Rosenboom

Bart Vervaeck

Over Zoete mond van Thomas Rosenboom

Querido, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 214 3717 0 / 549p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 25-10-2009

Bookmark and Share

Er zijn van die dingen die nooit voorbijgaan, zelfs al staan ze helemaal in het teken van het voorbijgaan. De modernisering is daar een voorbeeld van. Ze houdt nooit op. Wat modern is, blijkt immers even later al passé, en dan komt er weer iets wat nog moderner is. Misschien is de recente geschiedenis – vanaf de verlichting en de industriële revolutie – één grote stroom van vernieuwingen die al gauw ouderwets blijken. Wie de historische romans van Thomas Rosenboom bekijkt, ziet die stroom fraai gekanaliseerd voorbij vloeien. De revolutionaire omwentelingen van de late verlichting in Gewassen vlees (1994), de stedelijke modernisering van de negentiende eeuw in Publieke werken (1999) en de radicale vernieuwingen van de vroeg twintigste-eeuwse industrie (meer bepaald de scheepsbouw) in De nieuwe man (2003).

Rosenbooms personages staan altijd dubbelzinnig tegenover de moderne tijd die op hen afkomt: enerzijds willen ze ervan profiteren, anderzijds willen ze niet verliezen wat ze bezaten in voormoderne tijden. Het zijn twijfelaars, buitenstaanders, die vanaf de oever de stroom voorbij zien komen en nu eens vol heimwee stroomopwaarts blikken naar vroeger, dan weer vol verlangen ergens bij te horen stroomafwaarts naar de toekomst kijken.

De historische romans van Rosenboom tonen de geschiedenis dus niet als een stilstaand beeld – een schilderij dat je rustig kunt bekijken – maar als een beweging. Die dynamiek is echter niet te vergelijken met de wervelwind van de gemiddelde avonturenroman, maar veeleer met de soms stokkende voortgang van een vertraagde film. De vertraging à la Rosenboom is het werk, ten eerste, van zijn brede en beeldrijke stijl, die aandacht vraagt voor de beschrijving en zodoende de actie af en toe naar de achtergrond dringt. Ten tweede wordt ze veroorzaakt door het inzoomen op de twijfelzieke personages, die aarzelen tussen terugkeren en vooruithollen, passiviteit en actie. Hun dubbelzinnig verlangen is de microscopische versie van de paradoxale beweging van de tijd, die zichzelf alleen kan handhaven door zichzelf te verraden: er is geen nieuwe tijd mogelijk zonder het achterlaten van de oude.

Zoete mond past helemaal in deze constellatie. De twee hoofdfiguren lijden elk op hun eigen manier aan ‘het grote voorbij’ en onderzoeken hoe ze de moderne tijd kunnen gebruiken om de voorbije een plaats te geven. Dat blijkt alvast niet te lukken door het verleden bij te zetten in een museum. Wanneer Jan de Loper zijn zelfopgezette museum bekijkt, bedenkt hij: ‘Nergens had hij zijn geliefde verleden doder kunnen aantreffen dan juist hier, waar het in leven gehouden werd.’ Nee, je moet de moderne middelen gebruiken om de oude tijd te laten voortleven. In Zoete mond, dat voor het grootste deel in de jaren zestig speelt, zijn dat de elektronische massamedia, die niet alleen populair worden maar ook bepalen wat populair, hip en modern is. De radio, en vooral de televisie, die heb je nodig om te overleven. De ouderwetse media zijn echter nog niet volledig uitgeteld: ook de levensbeschrijving in de vorm van een boek kan het oude in de nieuwe tijd binnensmokkelen. En daar komt de tweede hoofdfiguur van de roman, dierenarts Rebert van Buyten, voor in aanmerking: hij zal de biografie van Jan de Loper schrijven.

In de naam van de spiegel

Jan de Loper, die eigenlijk Jan Florian van Zuylen Rothaar heet, komt uit een rijke familie, maar heeft lak aan de wereld van fatsoen en conventies. Hij wordt geboren in 1900 en lijkt dus een ideale figuur om de nieuwe tijd, de twintigste eeuw, te belichamen. Maar hij houdt van wat voorbij is. Hij bestrijdt zijn melancholische aanleg met een wereldreis en later met allerlei practical jokes en merkwaardige exploten. Zo gaat hij te voet naar Parijs (‘negen dagen en een miljoen passen’), waardoor hij beroemd wordt als Jan de Loper. Zijn naam toont dat hij een gewone mens wil zijn (een Jan) en dat hij de loop van de tijd naar zijn hand probeert te zetten.

De mensen komen van heinde en ver om hem te zien. Ze lachen om zijn grappen, gaan met plezier naar zijn feestjes en zijn dankbaar om zijn gulheid. Maar na de Tweede Wereldoorlog keert het tij. De moderne media brengen vreemdere zaken onder de aandacht en bovendien hoeven de kijkers of luisteraars zich niet meer te verplaatsen: de fascinerende wereld komt zo bij hen binnengewaaid, via radio en tv. Jan de Loper wordt steeds meer een figuur van het vergeten verleden. Hij hoopt op nieuwe – en dit keer eeuwige – roem via een biografie of een televisieprogramma. Maar tegelijk is hij het slachtoffer van die nieuwe ontwikkelingen: ‘Zo bleven de veranderingen van de moderne tijd zich tegen hem keren.’

Rebert van Buyten, geboren in 1930, is dierenarts in Angelen, het dorp van Jan de Loper, maar, zoals zijn naam al aangeeft, komt hij van buiten, meer bepaald van Arnhem. Ook daar was hij een buitenstaander, een eenzame student die nergens bij hoorde. Even leek het of hij toch opgenomen zou worden in het gewone leven toen hij Tine, het meisje van zijn dromen, ontmoette. Ze trouwen, maar Tine sterft in juni 1963 door een ongeluk met de auto – een icoon van de moderne tijd.

Rebert verlaat Arnhem en leert in Angelen de getrouwde Laura Banda kennen. Hij wordt verliefd, maar blijft op een afstand. In het dorp wordt hij een graag geziene figuur omdat hij de huisdieren van de kinderen verzorgt. Wat hij zelf nooit kon, kunnen die dieren wel: ze brengen iedereen bij elkaar. De kinderen vergeten hun ruzies, ze worden dierenliefhebbers en daardoor gelijken. Het geluk dat ze uitstralen, haalt de pers en Rebert is op weg om even beroemd te worden als ooit Jan de Loper. Die vindt dat maar niks.

Vanaf dan wordt de spiegelrelatie tussen de twee hoofdfiguren steeds duidelijker: ze zijn tegelijkertijd identiek en verschillend. Enerzijds lijken ze op elkaar: ze zijn beiden buitenstaanders die het moeilijk hebben met de voorbij stromende tijd. Jan wil terug naar zijn vooroorlogse roem, Rebert naar zijn prille huwelijkstijd. Ze proberen zich op dezelfde manier aan te passen aan de loop van de tijd, namelijk door te lopen: traag en gemoedelijk in het geval van Jan de Loper (Johnnie Walker in het Engels), gehaast in het geval van Rebert, die zich gaat toeleggen op hardlopen. Ze hebben beiden iets met de televisie: Jan wil er doodgraag op verschijnen, Rebert schrijft het script voor een uiterst succesvolle tv-reclame. Ook dat is een omarming van de moderne tijd.

Anderzijds zijn de twee figuren concurrenten van elkaar, niet alleen voor de aandacht van het dorp en de wereld, maar ook voor de liefde van Laura. Laura bewondert Jan de Loper, waardoor Rebert de man gaat haten. Hij belt hem op zonder zijn naam te noemen en spiegelt hem een biografie voor. De extase van Jan de Loper slaat algauw om in radeloosheid als hij beseft dat hij gebeld werd door een practical joker – al is de grap hier kwaadwillend, terwijl de fratsen van Jan altijd goedmoedig zijn.

De spanning tussen de beide mannen wordt opgeheven door twee ingrijpende gebeurtenissen. Eerst is er de komst van een witte walvis, die de vervuilde Rijn afzwemt. Door de pers wordt het dier het symbool van het niet-versagende verzet tegen de moderne tijd die alles kapotmaakt en bezoedelt. Rebert probeert de walvis te volgen, wat al aangeeft dat ook hij iets wil doen tegen de neergang. Wat dat is, wordt hem pas duidelijk door de tweede gebeurtenis: de verhuizing van Laura, die in een laatste brief Rebert voorhoudt dat er niets moediger is dan jezelf te overwinnen. Dat heeft Jan volgens haar gedaan, en dat is wat Rebert ook zal doen: hij maakt een script voor een van de eerste Nederlandse tv-reclames met Jan de Loper in een hoofdrol, en hij schrijft de biografie die hij vroeger als cynische grappenmaker beloofd had.

Aan het eind zijn de twee figuren verzoend met elkaar en is het overleven van Jan gegarandeerd door de reclame en de biografie. Op de dag dat het boek verschijnt, sterft Jan. ‘Ik had nooit gedacht dat hij dood zou gaan,’ zegt zijn meid, maar hij zal nu eeuwig leven. Rebert treedt letterlijk in Jans voetsporen door te gaan lopen. Meteen neemt hij de naam van de dode over: ‘Niemand zou hem nog bij de naam noemen, maar als hij maar bleef lopen werd hij vanzelf een loper.’ Er zullen altijd nieuwe figuren als Jan de Loper zijn, figuren die het voorbije weten binnen te smokkelen in het heden. De naam is het ding, de taal heeft de macht om de dingen uit het verleden te laten voortbestaan, bijvoorbeeld in de vorm van een biografie.

Zoetzuur

Dat is ook wat deze roman doet: elementen uit het verleden bewaren in het heden. Het gaat dan niet alleen om de inhoud – de jaren zestig die hier opnieuw tot leven worden gewekt – maar ook, en vooral, om de vorm. Zoete mond is een klassieke historische roman, die reële gebeurtenissen en figuren (vermeld in de ‘Verantwoording’) vermengt met fictie (onder meer met het genre van de dierendokterverhalen) tot een herkenbaar en meeslepend verhaal dat nergens de grenzen tussen werkelijkheid en fictie overschrijdt of ter discussie stelt. Het lijkt allemaal net echt. En tegelijkertijd gaat het veel verder dan de realistische couleur locale: de herkenbare elementen uit de nieuwe tijd (zoals de vervuilde Rijn, de televisie, het toerisme en de mode van de huisdieren) hebben stuk voor stuk een diepere, symbolische betekenis, die altijd te maken heeft met de verhouding tussen mens en tijd.

Die verhouding wordt niet alleen gethematiseerd, maar ook weergegeven in de gebalanceerde en ingenieuze constructie. In de proloog verschijnt de mythische witte walvis in ‘wit wild water’. Pas na de confrontatie van de twee moderne hoofdfiguren in deel I, ‘Aan de Rijn’, duikt het dier opnieuw op in Deel II – nu niet meer in de open zee, maar in de verontreinigde Rijn. De walvis weet te ontsnappen en daarmee loopt (of beter zwemt) hij vooruit op de bevrijding van de twee hoofdfiguren die in Deel III hun rivaliteit weten te overwinnen.

De afwisseling tussen de delen (walvis/ mens/ walvis/ mens) wordt weerspiegeld binnen de delen door de opeenvolging van hoofdstukken rond Rebert en hoofdstukken rond Jan. In beide gevallen gaat het om een afwisseling van tijden: de mythische tijd van de walvis – expliciet zo voorgesteld in een essayistisch intermezzo over ‘Witte dieren’ – wordt tegenover de moderne tijd van de mens geplaatst, zoals de vroege twintigste eeuw van Jan geconfronteerd wordt met de jaren zestig van Rebert. Alle periodes weerspiegelen elkaar, zonder dat dit ooit aanleiding geeft tot een onoverzichtelijk netwerk van gelijkenissen en verschillen. Rosenboom is een vakman, die een ingewikkelde constructie heel eenvoudig uit de doeken doet in de vorm van een spannend verhaal.

Er zit heel wat filosofie in dit boek en ‘heel wat wereld’ – zoals Herman de Coninck placht te zeggen – maar Zoete mond is en blijft een verhaal op mensenmaat. Vandaar ook dat de roman het menselijke niet schuwt: er wordt gehuild, er zijn momenten van innig geluk en van totale radeloosheid, er is soms een religieus besef van ‘er zijn’ (à la Willem Jan Otten) of een mystieke versmelting met de omgeving (à la Oek de Jong), maar al die emoties ontaarden nooit in sentiment. Daarvoor is de stilistische beheersing van Rosenboom te groot.

De zoete mond uit de titel kun je toepassen op de zoetgevooisde stijl van het verhaal, die nochtans het bittere niet uit de weg gaat. Maar de titel kan ook verwijzen naar de stralende mond van Laura, die met haar goedbedoelde woorden meer dan eens het hart van Rebert verbittert. Zuurzoet is alles in dit boek, en dat past in een lange traditie van de ‘soeten mont’ – de soms kwetsende mond van de geliefde, maar ook de mond van de schrijver die wil behouden wat voorbijgaat. Rosenboom is zo’n schrijver en zijn vakkundige mix van heden en verleden, zuur en zoet laat zien dat de klassieke historische roman nog lang niet voorbijgestreefd is.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?