cover big

‘Nu is het aan jullie generatie’

Christophe Van Gerrewey

Over Het enige verhaal van Julian Barnes (vert. Ronald Vlek)

Atlas Contact, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789025452087 / 256p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 19-03-2018

Bookmark and Share

Aan het beroemde einde van L’éducation sentimentale (1869) van Gustave Flaubert besluit het hoofdpersonage dat wat hij gedurende zijn jeugdjaren niet heeft gedaan, nog het beste is geweest. In 1837 was hij van plan met een vriend een bordeel te bezoeken, maar voor de activiteiten van start konden gaan kregen ze schrik. Het even komische als vertederende moment waarop een jeugdige fantasie niet werd ingevuld, levert de mooiste herinnering op. Het is een bitter en haast schandalig inzicht, dat echter niet alleen typisch is voor Flaubert, maar – zoals Fredric Jameson in navolging van Jean-Paul Sartre heeft beweerd – voor de moderne westerse cultuur: alleen waarover slechts wordt gefantaseerd of wat onwerkelijk wordt gemaakt, lijkt de moeite waard. Wat echt gebeurt, stelt teleur. Ook de verliefdheid die het hoofdpersonage in L’éducation sentimentale ontwikkelt voor mevrouw Arnoux, en die de belangrijkste of zelfs de enige spanningsboog in het boek tot stand brengt, wordt nooit geconsumeerd, blijft enkel als verlangen bestaan, en strookt dus eveneens met het ‘nihilisme van het imaginaire’.

De Britse romancier Julian Barnes (1946) heeft vaker met het werk van Flaubert gedialogeerd, bijvoorbeeld in Flaubert’s parrot (1985). Zijn nieuwe roman heeft veel gemeen met L’éducation sentimentale, maar van de neurose om zijn verlangens af te stoten door ze tot fantasieën te maken, lijkt hoofdpersonage Paul geen last te hebben. Ook hij wordt verliefd op een oudere vrouw, maar krijgt van Barnes zonder terughoudendheid wat hij wilt: twaalf jaar lang zal de relatie duren tussen Paul en Susan, die zo oud is dat ze zijn moeder zou kunnen zijn. Een ander belangrijk verschil is dat Paul aan het woord is, en dat er geen alwetende verteller spreekt zoals bij Flaubert. Het opvallendst, reeds op de eerste bladzijde, is de stelligheid waarmee de bejaarde Paul, terugblikkend op zijn jeugd tijdens de jaren zestig, zijn leven reduceert tot één liefdesaangelegenheid, en tot zijn relatie met Susan.

We hebben meestal maar één verhaal te vertellen. Ik bedoel niet dat ons maar één ding overkomt in ons leven: er doen zich heel veel gebeurtenissen voor, waar we heel veel verhalen van maken. Maar er is er maar één dat ertoe doet, maar één dat uiteindelijk de moeite van het vertellen waard is. Dit is dat van mij.

Wat volgt is dus Het enige verhaal, waarin Paul vertelt hoe hij en Susan op elkaar verliefd worden, hoe zij haar man en haar twee dochters voor hem verlaat, hoe ze twaalf jaar lang samenwonen, en hoe alles fout loopt, vooral voor Susan dan. Dat we zijn verteller niet zomaar op zijn woord moeten geloven, lijkt Barnes expliciet in scène te zetten. Het boek bestaat namelijk uit drie delen. In het eerste deel verloopt alles zonder zorgen: dit is een gelukkige liefde, waarin geen slecht woord valt, niets te betreuren lijkt, en niemand van wat of wie dan ook het slachtoffer wordt. Tot de laatste zinnen vallen – ‘En zo zou ik het me ook allemaal willen herinneren, als ik kon. Maar dat kan ik niet.’ – en het tweede deel begint. Met dat tweede (en derde) deel maakt Barnes er aanspraak op ‘het meest trieste verhaal ooit’ te vertellen, om te verwijzen naar de openingszin van The Good Soldier: ‘This is the saddest story I have ever heard.’ Die roman van Ford Madox Ford uit 1915, over de ongelukkige liefde van twee getrouwde koppels, is een andere ‘intertekst’ van Het enige verhaal, net als overigens van, zoals Barnes heeft mogen onthullen, On Chesil Beach (2007) van Ian McEwan, een andere korte roman uit de Britse literatuur van deze eeuw waarin twee jonge geliefden, ondanks de vrijheid en de blijheid van de jaren zestig, toch niet het geluk bij elkaar vinden. De liefde tussen Paul en Susan heeft uiteindelijk rampzalige gevolgen, wat ook tot uiting komt in de afstand die de verteller tussen zichzelf en de gebeurtenissen probeert in te bouwen. Waar het eerste deel in de ik-persoon wordt verteld, domineren in het tweede en het derde deel respectievelijk de jij- en de hij-figuur: naarmate alles erger wordt, probeert Paul van zichzelf een ander te maken. Een ander flaubertiaans axioma – ‘Le bonheur se raconte mal’ – wordt gerelativeerd: geluk kunnen we ons moeiteloos toe-eigenen; van ongeluk maken we liever andermans verhaal. Het is echter ook mogelijk dat Barnes door deze ingreep Paul zijn eigen schuldbesef laat ontkennen: als hij verantwoordelijkheid opneemt voor de gelukkige jaren met Susan (en trots maar nostalgisch als ik-figuur de gebeurtenissen opeist), dan lijkt hij te suggereren dat het trieste vervolgverhaal (en de ondergang van Susan) door hemzelf wordt beleefd noch veroorzaakt.

Paul wordt op die klassieke manier een onbetrouwbare verteller: niet iemand die bewust de lezer voorliegt, maar een mens die – al te menselijk – geen klaarheid kan scheppen in wat hem is overkomen, en desondanks, door de jaren heen, verklaringen bij elkaar heeft gepuzzeld. Zo’n verteller probeert, hoe wankelmoedig ook, zowel zichzelf als de lezer te overtuigen. Het bijzondere en het verrassende aan Het enige verhaal is dat deze poging in de vorm van een roman een politieke lading krijgt, in de eerste plaats omdat het – paradoxaal genoeg – enkel over hoogstpersoonlijke (en uitzonderlijke) liefde mag gaan. Dat geeft Barnes aan door middel van het motto van zijn boek – een lemma uit A Dictionary of the English Language (1755) van Samuel Johnson: ‘Novel: A small tale, generally of love.’ Zo lijken auteur en verteller het met elkaar eens: Barnes suggereert dat een roman enkel over liefde kan gaan, en Paul beweert hetzelfde over zijn leven, dat geheel en al kan worden naverteld aan de hand van zijn relatie – ‘het enige verhaal’ – met Susan. Toch is het niet zo eenvoudig. Op verschillende momenten onthult Paul, zonder dat hij het lijkt te beseffen, dat dit ‘enige verhaal’ aan andere verhalen raakt – maatschappelijk, historisch, cultureel, politiek, economisch – en dus niet tot een emotionele en tijdloze botsing tussen twee individuen kan worden gereduceerd. Aanvankelijk is hij daar eenduidig in.

De tijd, de plaats, het sociale milieu. Ik weet niet precies hoe belangrijk die zijn in verhalen over liefde. Vroeger misschien, in de klassieken, waar strijd woedt tussen liefde en plicht, liefde en geloof, liefde en familie, liefde en de staat. Zo’n verhaal is dit niet.

Later blijkt echter dat Het enige verhaal wel degelijk zo’n verhaal is – een verhaal bepaald door ‘de tijd, de plaats, het sociale milieu.’ Meer nog: de hoofdvraag van dit boek is net of dit echt ‘het enige verhaal’ is dat Paul kan vertellen – en of er niet nog andere verhalen schuilgaan in of achter het verhaal dat we lezen. Opvallend wordt bijvoorbeeld dat deze jongeman niets met politiek te maken wil hebben. Op de tennisclub waar hij Susan heeft ontmoet wordt in de cafetaria een gesprek gevoerd.

En bijna als een soort vervolgonderzoek werd me gevraagd hoe ik over politiek dacht. ‘Ik vrees dat ik niet serieus in politiek geïnteresseerd ben,’ antwoordde ik. ‘Dat houdt dus in dat je voor de Conservatieven bent,’ zei een bepaald bestuurslid, en we lachten allemaal. Als ik haar erover vertel, knikt Susan en zegt: ‘Ik ben voor Labour, maar dat is geheim. Nou ja, dat was het tot nu toe. Dus wat zeg je me daarvan, vrolijke vriend?’ Ik zeg dat het me helemaal niets uitmaakt.

Wat vervolgens wordt gethematiseerd, is dat Paul en Susan deel uitmaken van een andere generatie: zij heeft de oorlog meegemaakt, terwijl hij in de jaren vijftig, na de Tweede Wereldoorlog, is geboren. Hun leeftijdsverschil wordt niet zozeer futiel gemaakt door de ‘allesbepalende liefde’ – het is zo dat de generatiekloof de voornaamste reden lijkt te worden voor hun relatie, omdat de geliefden hopen dankzij elkaar te ontsnappen aan hun leeftijdsgroep en aan de maatschappelijke verwachtingen die op hen worden geprojecteerd. Susan heeft het gevoel tot een machteloze generatie te behoren en hoopt dat Paul het beter zal doen.

‘Wat je wel moet begrijpen, Paul, is dat wij van een generatie zijn die heeft afgedaan.’ […] ‘We hebben de oorlog meegemaakt,’ zegt ze. ‘Dat heeft een hoop van ons gevergd. We zijn haast nergens meer goed voor. Het is tijd dat jullie het overnemen. Kijk naar onze politici.’

Dat appel tot engagement maakt hem niet blij.

‘Je bedoelt toch niet dat ik de politiek in moet?’ Ik ben stomverbaasd. Ik verfoei politici, die in mijn ogen allemaal opgeblazen gluipers en gladjakkers zijn. Niet dat ik ooit een politicus heb ontmoet natuurlijk. ‘Het komt juist doordat mensen als jij niet de politiek in gaan, dat we nu zo in de ellende zitten,’ houdt Susan vol. Ik sta wederom paf. Ik weet niet eens zeker wie ‘mensen zoals jij’ zouden moeten zijn. Voor mijn vrienden op school en de universiteit leek het juist een verdienste om niet geïnteresseerd te zijn in al die kwesties waar politici eindeloos over delibereerden. En dan werden al hun grote zorgen – de Sovjetdreiging, de teloorgang van het Imperium, de belastingtarieven, de successierechten, de woningnood, de macht van de vakbewegingen – ook nog eens eindeloos herkauwd in de huiselijke kring.

Een tiental pagina’s later wordt deze scene haast verbatim herhaald.

‘Dus je begrijpt, wij zijn van een generatie die heeft afgedaan. Alle goeden zijn weg. We zijn met de minderen blijven zitten. Zo gaat het altijd in een oorlog. Daarom is het nu aan jullie generatie.’ Maar ik voel me om te beginnen geen onderdeel van een generatie, en al ben ik nog zo geraakt door haar verhaal, haar geschiedenis, haar voorgeschiedenis, ik wil nog steeds de politiek niet in.

Tegelijkertijd valt Paul ook voor de illusieloosheid van Susan en voor de manier waarop ze vindt dat zij geen maatschappelijke ‘functie’ heeft omdat ze tot een verloren generatie behoort. In een sleutelscène staat een cartoon centraal van de Britse minister-president op het toilet.

Ik vond het buitengewoon grappig en liet het aan mijn moeder zien; zij vond het stom en kinderachtig. Toen liet ik het aan Susan zien, die niet meer bijkwam van het lachen. Daarmee was alles in één keer bepaald: ik, mijn moeder, Susan en de politiek.

Die laatste zin is verstrekkend: zonder dat Paul het lijkt te beseffen spreekt hij zijn eigen aannames over de autonomie van zijn levens- en liefdesverhaal tegen. ‘Daarmee was alles in één keer bepaald’: het is een politieke cartoon – en zijn wantrouwen in all things political – die in hem het verlangen oproept met zijn moeder te breken. De tragiek van Paul en Susan ligt er dan ook in dat ze beiden aan het beklemmende keurslijf van de naoorlogse, burgerlijke en Britse maatschappij willen ontsnappen, maar dat ze dit alleen kunnen door dat letterlijk te doen – door zichzelf te excommuniceren, door als een ‘gevallen koppel’ te gaan samenwonen, en door er een manier van leven op na te houden die hen, en dan vooral Susan, tot de eenzaamheid veroordeelt. In een hevige tirade onthult Paul de haat die hij (waarschijnlijk nog steeds, ook als oudere man) voelt voor het middenklasseleven dat hem – normaal gezien – te wachten zou staan.

Wat stond me eraan tegen, en wat wantrouwde ik in de volwassenheid? Kort gezegd: het gevoel recht op de dingen te hebben, het besef van superioriteit, de veronderstelling dat je het beter, zo niet het beste, wist, de enorme banaliteit van volwassen opvattingen, hoe vrouwen poederdoosjes tevoorschijn haalden en hun neus poederden,…

En zo gaat het nog een halve bladzijde verder vooraleer Paul tot een terecht besluit komt.

En dat was nog maar een klein lijstje, waar Susan uiteraard volledig buiten viel.

Ook hierin toont Barnes zich schatplichtig aan Flaubert en diens haat voor de bourgeoisie; net zoals L’éducation sentimentale de roman van een generatie was, zo is Het enige verhaal een boek over Barnes en zijn tijdgenoten, die vanuit een diepgeworteld onbehagen in de politiek niet willen of kunnen geloven dat ze macht bezitten om de maatschappij te veranderen, en zich daarom overgeven aan hoogstpersoonlijke, escapistische fantasieën. Het verschil is dat voor Paul de ‘a-politiek’ haast vanzelfsprekend geworden lijkt: hij ziet zelfs de kans niet meer om de wereldgebeurtenissen gade te slaan, terwijl het hoofdpersonage uit L’éducation sentimentale letterlijk op de barricaden had kunnen gaan staan – ze bevonden zich immers vlak om de hoek van de door hem bezochte bordelen. Op zoek naar een waarachtig, dieper en onburgerlijk leven vlucht Paul in een liefdesrelatie, om vervolgens nog harder te worden gestraft door de condities waaraan hij probeerde te ontsnappen.

Over het werk dat Paul doorheen zijn leven verricht is hij kort en meewarig, en ook op andere manieren doen er zich geen existentiële uitwegen meer voor in het verhaal dat hij vertelt, alsof hij koppig en romantisch trouw wil blijven aan het heil dat hij in de liefde meende te mogen situeren. De vraag die Het enige verhaal op die manier oproept, is of een leven dat volledig door de liefde wordt bepaald – en dat zo van elke vorm van engagement bespaard blijft – niet noodzakelijkerwijze eenzijdig, leeg en treurig is. Of is die vraag al te vanzelfsprekend? In de lijn van de hedendaagse, reflexmatige definitie die aan literair engagement wordt gegeven, kan ook Het enige verhaal worden weggezet als het heropvoeren van bekende luxeproblemen, zonder dat er concrete oplossingen worden aangereikt voor de ontelbare dingen die blijvend fout lopen. De via leesplezier verkregen kennis en inzicht die deze reflectie van de innerlijke complexiteit en de historische bepaaldheid van een mensenleven aanreikt, worden in dat geval echter restloos mee afgevoerd.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?