cover big

Of je het Mooi vindt

Daniël Rovers

Over De kunst is mijn slagveld. Brieven 1993-2001 van Nanne Tepper

Atlas Contact, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789025446574 / 752p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 06-05-2016

Bookmark and Share

1. De gave

In literatuur loopt het altijd slecht af en daar bestaat een eenvoudige reden voor, wist Willem Frederik Hermans. Met ieder mens loopt het slecht af, op het einde van ons leven gaan we allemaal dood. Vanuit een hemels standpunt bezien – het perspectief van een gemelijke God – is die stelling onweerlegbaar, maar vanaf planeet aarde zijn er tegenargumenten te bedenken. Niet iedereen groeit op in ellende. Geluk kan zo krachtig zijn dat het je tijdelijk verlost van de gedachte aan welke val of verwoesting ook.

Een roman is in staat de terreur van de dood tot zwijgen brengen. Een schrijver mag zich niet tevreden stellen met het prediken van varianten van de erfzonde. Er is talent nodig om te eindigen met hoop. Wanneer Vladimir Nabokov in De gave (1952) de geliefden Fjodor en Zina elkaar eindelijk laat vinden, zet de uitgelaten Fjodor op een rij welke kansen het lot hem geboden heeft haar te ontmoeten. Het geluk lag de hele tijd voor het oprapen en hij liep eraan voorbij.

In een biografie is de speelruimte beperkter voor een ontsnapping aan het fatale einde. De regels van de kunst eisen dat de biograaf zijn onderwerp volgt van de wieg tot aan het graf. Juist die volledigheid maakt het lezen, of liever het uitlezen van een biografie, hoe inlevend geschreven ook, tot een deprimerende ervaring. Veelbelovend is steevast het begin, maar successen zijn amper gevierd of de teleurstellingen en tegenslagen kondigen de fysieke aftakeling en de emotionele afstomping aan. Gustave Flaubert: ‘Ik voel dat mijn hart verkild is. Ik word dom en gemeen.’

Een levendig alternatief bieden nagelaten brieven. Hier geen van commentaar voorzien overzicht achteraf, maar een verslag vanuit de kraamkamer van het schrijverschap. De belangrijkste informatie is de vorm zelf, de manier waarop auteurs hun inzichten en ervaringen in zinnen hebben gegoten. Aan die gave hebben ze hun faam te danken.

Nick ter Wal, de samensteller van de verzamelde brieven van Nanne Tepper (1962-2012), verschenen onder de titel De kunst is mijn slagveld, geeft in zijn inleiding een waarschuwing mee. Hij heeft het over ‘Teppers weergave van de werkelijkheid’, en voegt daaraan toe: ‘De beleving van een “overgevoelige natuur” hoeft niet per se historisch juist te zijn.’ Een briefschrijver is inderdaad geen kroniekschrijver. In brieven wordt gewoekerd met de eigen versie van de waarheid – meestal de enige versie die voorradig is. 

Als lezer van een brievenboek word je vanzelf in de rol van amateur-biograaf geduwd. In de brieven tref je een schrijver aan die zijn leven blootlegt en onwillekeurig aanwijzingen achterlaat hoe dat bestaan tot roman is gemetamorfoseerd. De eerste revelatie uit het leven van Nanne Tepper is overigens de omvang van het brievenboek. Uit de periode 1993-2001 zijn meer dan zevenhonderd dichtbedrukte pagina’s tekst verzameld. De meeste brieven stammen uit de eerste twee jaar van die periode. Tepper was in die jaren een manische briefschrijver. Een psycholoog had hem aangeraden meer onder de mensen te komen en hij koos voor het briefcontact. Zo kon hij al zijn gedachten en opinies kwijt zonder de indruk te wekken altijd aan het woord te willen blijven.

De jaren negentig beleefde de komst van de computer met floppy disc, Word Perfect 3.1 en het internet. Tepper typt zijn brieven op een elektronische typemachine en schakelt pas laat op een computer over. Zou hij een decennium later geboren zijn, dan had hij wellicht zijn ideeën in een blog in plaats van in brieven geventileerd, net als Jeroen Mettes, die op die manier in 2005 zijn entree maakte in de Nederlandse literatuur. Hoewel de twee weinig overeenkomsten vertonen wat betreft hun werk of persoonlijkheid, deelden ze de overtuiging (een gave op zich) dat taal de wereld stut en dat een auteur daarom de grootst mogelijke verantwoordelijkheid draagt.

2. Debuut

Een kunstenaar is een mens die van dagdromen zijn beroep heeft gemaakt en dat is, alle romantiek over het genie ten spijt, zwoegen geblazen. Er is heel wat oefening en ijver nodig om de verbeelding zo te laten galopperen dat het publiek met alle sprongen mee opveert. Een gelukkige keuze daarom de brieven van Tepper te beginnen met een schrijven waarin het werk centraal staat dat tekstredactie heet. De brief is gericht aan Marc Kregting, destijds vanuit Arnhem de bestierder van het eenmanstijdschrift de Biels. Tepper reageert op de redactie die Kregting heeft gepleegd op het verhaal ‘Fuck ‘Em All’ – zijn debuut in de Nederlandse literatuur, later verzameld in De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke (2008). In zesendertig punten bespreekt Tepper, aanhalig en bijtgraag als een jonge hond, de redactionele ingrepen.

Aan Kregting stuurt Tepper in mei 1993 een deel van het boek dat hij aan het schrijven is. De opzet ligt grotendeels vast. Het wordt een roman in vier hoofdstukken, het eerste hoofdstuk verteld vanuit Victor Prins, het tweede vanuit zijn zus Lisa Prins; het derde hoofdstuk bevat brieven en in het vierde hoofdstuk neemt een alwetende verteller het woord. Tepper waarschuwt voor spelfouten, kondigt aan een extremistische streekroman te hebben gecomponeerd en vraagt om een onbevangen oordeel:

Waar het me om gaat is of je het Mooi vindt, of de personages tot leven komen, of de ellende beklijft en blijft kleven, of je een wereld voor je ziet waarin mijn personages jagen.

De eeuwige jachtvelden, zo zal de roman uiteindelijk heten, is een van de beste romans die de vorige eeuw in het Nederlands verscheen. Dat mag een boude bewering zijn van het type dat Tepper zelf gretig het papier op slingerde (‘Mystiek lichaam van Kellendonk: stilistisch een verschrikking’), maar er zijn wel degelijk redenen voor te geven.

De eeuwige jachtvelden verscheen in een epoche waarin de zogeheten Generatie Nix via het tijdschrift Zoetermeer vernieuwing claimde met een mengeling van reviaanse ironie en Brat Pack-nihilisme. Met Tepper nam een schrijver van buiten de Randstad het woord die het onbeschroomd over echte gevoelens wilde hebben, die weigerde zijn verhaal te laten uitmonden in een Noordzee van hopeloosheid, die het eigen pathos niet bij voorbaat smoorde in ironie. Er zit leven in zijn personages, Victor en Lisa Prins durven te verlangen naar geloof, hoop, liefde en gemeenschap.

Het verschil met de naturalistisch geïnspireerde Nix-romans is een kwestie van temperament en van stijl. In een van zijn brieven verwoordt Tepper, gebruikmakend van nabokoviaanse blanke verzen, wat hem tegenstaat in de personages die hij in de romans van generatiegenoten uit Amsterdam en Utrecht aantreft:

Een volkomen
zelfzuchtig, immoreel, steriel
soort wezen dat zijn dorre ziel
verslingerd heeft aan lege dromen
en razend van verbitterdheid
zijn lege doen aan leegte wijdt.

Tepper nam een voorbeeld aan de grote namen uit de modernistische traditie. Thematisch is zijn debuut schatplichtig aan Nabokov, met name de broer-zus-erotiek in Ada (1969), compositorisch ontleent hij veel aan William Faulkner, en dan vooral het wisselende vertelperspectief uit The Sound and the Fury (1929). Hij schrikt er soms van, schrijft hij, hoezeer hij door Faulkner en door diens mededogen beïnvloed is. Faulkners personages overtuigen doordat de auteur intens met ze meeleeft, aldus Tepper, die zijn eigen disfunctionele familie Prins in het buurtschap Oude Huizen nooit zonder tederheid beschrijft. Hij heeft een roman willen maken die ‘naar hoop neigt’.

De eeuwige jachtvelden speelt zich grotendeels af in de ‘prachtige prairie’ van Groningen, meer bepaald het gebied rond Veendam genaamd de Veenkoloniën. In een van zijn brieven beweert Tepper dat een waarzegger hem heeft voorspeld dat hij in een vorig leven een indiaan is geweest die Amerika is ontvlucht, wat nieuw licht op de titel werpt. Hij onderhield een haatliefdeverhouding met zijn geboortestreek, misschien het best verwoord in die ene bedenking die Victor heeft wanneer hij in Parijs is aangekomen en vooral heimwee naar thuis ervaart: ‘De hemel boven Oost-Groningen: het plafond van zijn jeugd en misschien ook van zijn kunnen.’

Op 3 oktober 1993 schrijft Tepper aan Marc Kregting dat hij die middag zijn ‘sprookjesboek’ voltooid heeft, maar in plaats van opluchting (de klus is geklaard) ervaart hij gemis. Hij mist de personages die hij zelf geschapen heeft. Wat nu te doen? De schrijver maakt een wandeling door de Groningse binnenstad, wordt naar eigen zeggen nagefloten door mollige Mavo-meisjes, leest wat in David Foster Wallace’ debuut Broom of the System (1987) en stelt tot zijn tevredenheid vast dat die veelbelovende Amerikaan meer met J.D. Salinger en Thomas Pynchon gemeen heeft dan met Brat Pack-auteur Bret Easton Ellis. Op het einde van de dag staan hem nog altijd zijn eigen personages voor ogen:

Neen, we blijven somber en zien in de verte het land, nat en zwart en kil en stinkend naar modder en rottend loof en daar, op het randje, springt Lisa in de diepte, en dan Anna, en dan Victor, en ik blijf achter met mijn handen in mijn haar, en het zwarte gat voor mijn neus en ik moet snel, snel nieuwe geesten aanmaken, want anders ga ik voor de bijl in mijn kop, en zal de gekkencontrole nog heel wat beleven.

Achteraf bezien – het perfide standpunt van de biograaf – beschrijft Tepper hier de rouw om het grootste geluk dat hij als romanauteur heeft gekend.

3.Duizelingen

Belangrijke nieuwkomer in 1994 op de deurmat aan de Groningse Nieuwstraat is de Nijmeegse literatuurwetenschapper Wilma Siccama, die deel uitmaakt van de kring rond de Biels. Aan haar richt Tepper zijn persoonlijkste, meest exhibitionistische (‘mijn puberteit dreef in meisjesvocht’) brieven, met steeds de hoffelijke excuses aan haar partner Jack van der Weide – met wie hij voornamelijk over Nabokov correspondeert – omwille van zijn ‘schuinsmarcheerderstoon’. Siccama krijgt een tape toegestuurd met een concert van Teppers band The Imaginary Diseases, live in Simplon. Haar bekent hij jarenlang ‘zo gek als een deur’ te zijn geweest. Nadat hij wegens zijn ‘gekte’ met de lerarenopleiding kapte, heeft hij jarenlang zuipend en snuivend rondgehangen in de nachtkroegen van Groningen, zo volhardend zelfdestructief dat zelfs zijn geliefde Sonja (zijn ‘zusje’) bij hem wegging. Conclusie: ‘Tegenwoordig heb ik als ik terugkijk op mijn tachtiger jaren de gedachte dat mijn beschermengel bijna aan uitputting ten onder moet zijn gegaan.’ 

Pas eind jaren tachtig, begin jaren negentig weet hij zich te herpakken. Dan laat hij de fles staan en wijdt zich volledig aan de literatuur. Als hij niet de schoonheid in het werk van Nabokov en Faulkner en Reve had ervaren, schrijft hij, als hij niet had besloten van de literatuur zijn dagtaak te maken, zou hij zijn ‘ontploft’. Al blijft het de vraag of hij zijn inspiratie in goede banen kan leiden. Een belangrijke recente ontdekking die hij heeft gedaan in de omgang met de mensen rond de Biels is dat artistieke bevlogenheid, een woord dat hij met hoofdletter B schrijft, niet per se hoeft samen te gaan met krankzinnigheid en doem.

Tepper schrijft Siccama over de verhuizing, op zijn tiende, van Hoogezand naar een nieuwbouwhuis in Veendam – ‘het drama van mijn leven’ – waaraan hij een levenslange weerzin tegen nieuwbouw overhield (vandaar dus: Oude Huizen). Hij schrijft over de ‘duizelingen’ die hem als kleuter overvielen omdat hij meer zag, rook en voelde dan goed voor hem was. (Lees het verhaal ‘Duizelingen’, kiem van De jachtvelden.) Hij schrijft over het jaar 1977, toen zijn vader een baan kreeg aangeboden in Amerika, waar de familie een wit huis aan de Mississippi zou betrekken, midden in Faulkners heimat: ‘Mijn lot is wreed, heel wreed; ik was een goed Amerikaans schrijver geworden.’ Hij schrijft over zijn grootvader, die in het dorp Harkstede begraven ligt, de plek waar hij zelf ook wil komen te liggen na zijn dood, en van wie hij zijn vermogen tot herinneren heeft geërfd. (Is die grootvader de overleden Directeur die in het vierde deel van De jachtvelden herrijst?)

In de lente van 1994 deelt Tepper mee dat hij depressief geworden is en dat hij voor het eerst sinds zijn achttiende de stadia van zijn depressie nuchter meemaakt, zonder de trillende ellende te dempen met alcohol. Een afschuwelijke ‘teloorgang’. Hij is uitgeput, voelt zich leeg en afgemat, en hij wil de nostalgie en het schrijverschap wel weer omarmen, maar dat lukt hem niet. Sardonisch merkt hij op dat hij nu eindelijk in staat zal zijn een ‘Nix-epistel’ te schrijven.

Dat voorjaar toont een uitgeverij interesse in zijn werk. Atte Jongstra wijst uitgever Mizzi van der Pluijm op het grote talent in Groningen en zij zorgt ervoor dat De eeuwige jachtvelden bij uitgeverij Contact verschijnt. Het opgestuurde contract ondertekent hij onder toeziend oog van zijn ouders en Sonja, die ter gelegenheid een verrassingsetentje heeft georganiseerd. Het melodramatische moment ontroert hem; hij heeft zijn missie tot een goed einde gebracht, hij wordt een publicerend auteur. Het is donderdag 9 februari, 1994.

In de loop van 1994 nemen de brieven in frequentie en lengte af. Eind mei schrijft Tepper dat hij een zenuwaanval heeft afgeslagen met een flacon goede cognac; hij is met andere woorden weer gaan drinken. In juni vertelt hij over een geheimzinnige ziekte die Sonja getroffen heeft, een ziekte die haar spieren aantast, waardoor er dagen zijn dat ze niet meer kan lopen, fietsen of slapen. Tepper schrijft aan Van der Pluijm:

Zij die mij kennen verwachten emotionele uitbarstingen van jewelste. Het wil maar niet lukken. Ik ben, gezien de omstandigheden en de aard van het beestje, opzienbarend coherent en kalm.

In augustus 1995 verschijnt De eeuwige jachtvelden in een zwarte, gebonden omslag, met de titel in het wit en de schrijversnaam in het geel. Tepper oordeelt over dat detail: ‘In feite vind ik elke tint geel een aanslag op de goede zeden.’ Geel en zwart, dat zijn de kleuren van de voormalige eerstedivisieclub Veendam. (Tepper zelf zit liever op de tribune van FC Groningen te schelden op trainer Hans Westerhof.) Het is een prachtige uitgave, die eerste druk in een reeks waarmee Contact de kwaliteiten van haar debutanten in de etalage zet. Ter Wal schrijft in de inleiding van het brievenboek dat Tepper indertijd geëist heeft dat de eerste oplage vernietigd zou worden, omdat de achterflap rept van het woord ‘insekt’ en niet van ‘insect’, waardoor de verwijzing naar ‘incest’ vervalt. De eis wordt, afgaand op mijn exemplaar, niet ingewilligd.

Het verschijnen van zijn debuut levert Tepper twee contacten op. Een van hen kent hij al. Het is zijn eerste liefde Annette, aan wie hij zijn debuut heeft opgedragen:

Ik heb het boek aan haar opgedragen, precies zoals ik vijftien jaar geleden, terwijl we de laatste druppel van deze liefde uit onze verdorde zielen perste, heb beloofd.

Aan Annette schrijft hij geen brieven, althans, die zijn niet opgenomen in het boek, maar Tepper doet van hun hernieuwde kennismaking wel verslag in brieven aan anderen. Hij noemt haar zijn ‘muze’ en ‘Yvonne’, zoals ook de dertienjarige geliefde van de verteller in De avonturen van Hillebillie Veen (1998) zal heten. De ontmoetingen vinden in het geheim plaats en zij verbreekt het contact wanneer haar man de toenadering ontdekt. Een jaar later verneemt Tepper via-via dat ze gescheiden is.

De tweede aanwinst is schrijver Geerten Meijsing, die Tepper een waarderend eenregelig briefje schrijft en hem complimenteert met zijn debuut. Na enige aarzeling – Tepper moet worden aangemoedigd door Jack van der Weide, uiteindelijk in 2015 de bezorger van de verzamelde brieven van Meijsing aan Tepper bij de kleine uitgeverij Statenhofpers – komt een intensieve briefwisseling op gang.

Tegenover Meijsing weerspreekt Tepper de interpretatie dat De eeuwige jachtvelden een idyllisch boek zou zijn. Hij heeft geen paradijs willen scheppen, net zomin als hij zijn personages in de afgrond van hun verlangens wilde duwen. De roman viert dus niet de teloorgang, zoals wel eens is beweerd. Integendeel: zich afzettend tegen de decadente schrijversromantiek van zijn hoofdpersoon ontwerpt Tepper de mogelijkheid van een volwassen liefdesleven.

Aan Meijsing schrijft hij over zijn eigen erotische biografie, zijn eerste liefdeservaringen met Yvonne en zijn latere verliefdheid op Sonja, die vijftien was toen hij haar leerde kennen. Zijn ‘cliché-inboedel’ noemt hij het zelf; die inboedel leverde hem de grondstof voor zijn oeuvre op. Tepper beschrijft indirect de inzet van zijn drie prozavertellingen:

Adolescenten besmeuren de passie met depressie, manies en overpeinzingen van allerlei aard. Volwassenen parodiëren de erotiek van hun jeugd. Dat maakt me woest! Woest op de schepping.

4. Beschermengel

Het succes van De eeuwige jachtvelden – unaniem positieve recensies, tijdschriften die opeens allemaal iets van hem willen, een interview van net geen drieduizend woorden in NRC Handelsblad met een foto geschoten door Rineke Dijkstra – doet Tepper geen goed. Ondanks alle lof voelt hij zich tekortgedaan en in de steek gelaten, ook door zijn geliefde, van wie hij het verwijt krijgt dat hij in een staat van monomane razernij verkeert. Hij volgt alleen maar zijn passie, verdedigt hij zich, maar dat klinkt minder overtuigend dan zijn pleidooi voor gektevrije bevlogenheid van een jaar eerder. Aan Jongstra – aan wie hij het nodige te danken heeft – schrijft hij een woedende brief omdat uitgeverij Contact zijn Groningse literaire kompaan Wouter Godijn met een kluitje in het Amsterdamse riet heeft gestuurd. Van der Pluijm deelt hij zijn plan mee over het uitgeverswezen een boek te schrijven onder de titel Infinite Fuck Up.

Tepper schrijft in een van zijn brieven dat hij zich bewust is van de gevaren waaraan een schrijver blootstaat wanneer het literatuurbedrijf zijn spotlights in één richting laat schijnen: de auteur dreigt tot acteur te worden gebombardeerd, zonder de vier jaar van een theaterschool te hebben doorlopen. De kwalijkste verleiding, weet hij, zou het schrijven van een column zijn: ‘God verhoede het!’ Hij zal de verleiding niet kunnen weerstaan, voegt hij daar meteen aan toe.

Het wordt 1996 en zomer. Tepper ontdekt ‘Summer’ van Buffalo Tom en blijft dat maar draaien op zijn stereo. De herfst valt vroeg in, een seizoen waar hij de pest aan heeft. Hij belandt opnieuw in een depressie en besluit, op aanraden van zijn arts, Prozac te slikken. Volgens Ter Wal zorgt dat medicijn voor een merkbare vervlakking van zijn stijl, die inderdaad minder sprankelend wordt. (Eerder merkte Godijn in een bekroonde reportage op dat Prozac juist aan de basis van Teppers scheppingskracht lag.)

Voor zijn debuut ontvangt Tepper de Anton Wachterprijs en bij de uitreiking laat de weduwe Vestdijk van zich horen door de debutant en plein public te kapittelen over de bekroonde roman: ze heeft een fout ontdekt in de aan Gustav Mahlers eerste symfonie ontleende hoofdstukmotto’s. De auteur verlaat voortijdig de festiviteiten.

De eeuwige jachtvelden kent een aantal herdrukken, met als gevolg dat Teppers uitkering wordt stopgezet. In de tweede helft van de jaren negentig wordt activering sowieso het toverwoord bij de sociale dienst. De schrijver moet op een andere manier zien te zorgen voor brood en boeken op de plank. In de eerste maand van 1997 schrijft hij zijn eerste betaalde column en hij begint te recenseren voor NRC Handelsblad. Ondertussen werkt hij aan twee prozateksten tegelijk: de eerste gaat over zijn grote jeugdliefde en is een verkorte versie van een boek dat hij naar eigen zeggen in de Rocky Mountains heeft laten begraven, de tweede handelt over een conferencier die genoeg krijgt van zijn metier en aanstalten maakt om als Arthur Rimbaud uit zijn kunst te verdwijnen.

Teppers brieven worden korter en de frequentie neemt verder af. Over zijn gezondheid en die van zijn vriendin Sonja bericht hij met merkbare tegenzin. Een paar keer noemt hij zichzelf in de brieven een narcist – ‘Ik ben een officieel gediagnosticeerde narcist’ – en één keer laat hij zich inderdaad betrappen op wanen van almacht, wanneer hij beweert zijn uitgever opdracht te hebben gegeven ‘Contact te leggen’, zoals hij dat woordspelend zegt, met de belangrijke literaire agenten in New York, voor een op te richten tijdschrift waarvan hij de hoofdredacteur zal zijn.

Het schrijven stemt hem nog altijd gelukkig, schrijft hij in een brief. En ook buiten het literaire werk zijn er momenten van voldoening. Van zijn grootvader krijgt hij in de lente van 1997 een auto cadeau. Sonja grapt dat dan toch eindelijk haar Veenkoloniale meisjesdroom is uitgekomen: ‘Een vriendje met een rijbewijs’! De twee bezoeken een café in Engelbert dat uitkijkt over het Groningse land en dromen van een huisje op het Hooge Land. Bij een antiekboerderij kopen ze een groot mahoniehouten bureau. ‘Aan dit bureau gaan boeken worden geschreven.’ De Groningse verkoper vraagt laconiek: ‘Is dat bouk van die ook te koop?’ Het is een passage in het brievenboek waar je hart van breekt, om een formulering te gebruiken die Tepper zelf zou hebben durven gebruiken. Met nog tachtig pagina’s te gaan besef je dat het slecht zal aflopen. Zijn ouders schenken hem een laserprinter en hij bedankt hen in een ontroerend eenvoudig briefje: ‘Welke schrijver ik ook vertel dat mijn ouders trots op mij zijn – altijd kijkt de persoon in kwestie mijn argwanend aan.’

In 1998 verschijnen tegelijkertijd twee novellen van Teppers hand. De avonturen van Hillebillie Veen, het boek over zijn jeugdliefde, wordt in een beperkte oplage door de Belcampo-stichting verspreid. De vaders van de gedachte, over een conferencier die genoeg heeft van zijn kunstjes, verschijnt in een stijlvolle roomwitte hardcover bij Contact. Het boek begint met een zin die varieert op een briefregel: ‘Mijn beschermengel is aan uitputting bezweken.’

Teppers faam is tegen die tijd groot genoeg om in 1998 voor De vaders van de gedachte een nominatie voor de Libris Literatuur Prijs te ontvangen. Zelf vond hij het een veel minder geslaagd boek dan zijn debuut. In 1999 vertrouwt hij Meijsing toe: ‘Ik kan me niet voorstellen – terwijl ik er toch prat op ga dat ik me alles kan voorstellen – dat ik ooit nog weer aan een roman zal toekomen.’ In de zomer van 2001 schrijft hij een afscheidsbrief aan twee adressanten van het eerste uur: Jack van der Weide en Wilma Siccama. Dat is de laatste brief uit de verzameling. Elf jaar later maakt Nanne Tepper een einde aan zijn leven.

5. Toegift

De brieven die Tepper naliet zijn een machtige toegift van een groot schrijver die na zijn debuut onklaar raakte. De kunst is mijn slagveld had nog omvangrijker kunnen zijn als ook de brieven aan zijn geliefde (zijn ‘zusje’) en aan een barmeisje te Groningen (het beste wat hij ooit schreef, als we de auteur zelf mogen geloven) waren geopenbaard. Er blijft iets om naar uit te kijken.

Aan het einde van het brievenboek gekomen, kan worden vastgesteld dat het Nanne Tepper niet gelukt is te ontsnappen aan de slagschaduw van zijn gave. Ook zijn beschermengelen hebben daar niets aan kunnen veranderen. Ik stel me een scène voor waarin een verre vriend peinzend een postzegel plakt op een handgeschreven enveloppe. Een pathetisch beeld. De eeuwige jachtvelden leert dat ‘de generatie (“excusez le mot!”) die met de televisie was opgegroeid, de grootste vatbaarheid voor sentimentaliteit had ontwikkeld in de geschiedenis van de mensheid. Ze dacht en registreerde in dramatische beeldenreeksen.’

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?