cover big

Ongelijke sporen

Hans Demeyer

Over Graailand. Het leven boven onze stand van Peter Mertens

EPO, Berchem, 2016,
ISBN 9789462670884 / 403p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 05-06-2017

Bookmark and Share

In Hypernormalisation (2016) wijst de Britse documentairemaker Adam Curtis op de invloed van algoritmen die mensen op basis van hun surfgedrag advertenties en informatie aanbieden die aansluiten bij hun voorkeuren. Dit zou bijdragen tot de polarisering binnen de samenleving omdat we zo in hoge mate worden bevestigd in onze eigen standpunten (of vooroordelen) en te weinig de confrontatie aangaan met andere ideeën. Curtis en anderen grijpen de creatie van deze gelijkgestemde netwerken aan om de successen (of mislukkingen) van Donald Trump en Brexit te verklaren.

Hoewel deze kritiek voorbijgaat aan de verschillende vormen van kritische discoursen die op internet kunnen circuleren en waarvan sommige (zoals het kritische essay) geen plaats meer hebben binnen de mainstream media, heeft ze een punt. Van belang is echter vooral de relatie met de traditionele media. Deze nemen deze ‘user-generated content’ immers vaak over. Wanneer het nu gaat om het Gentse mobiliteitsplan of het ontslag van Rachida Lamrabet bij Unia, presenteren de media de reacties vanuit verschillende hoeken van de samenleving, waarbij het verschil tussen de ‘gewone’ burger en politici of beroemdheden schijnbaar vervaagt. Deze opsommingen brengen geen dialoog op gang, maar weerspiegelen louter (enkele) bestaande en veeleer gevoelsmatige dan kritische posities die de lezers kunnen beamen of verwerpen.

Dat de journalistiek zich hierop beroept, aldus Curtis in een interview, wijst er vooral op dat ze zelf niet weet hoe ze de ontwikkelingen van de laatste decennia (hier inzake klimaat en racisme) moet begrijpen en duiden. De journalistiek die meent louter neutraal te weerspiegelen wat er leeft, getuigt vooral van het eigen onbegrip en van een onwil om tijd en geld te besteden aan diepgaander onderzoek, gedreven door een nieuwsgierigheid om te weten wat er aan de hand is. Zo versterkt zij de homogenisering en polarisering waarbij mensen in zichzelf vastzitten: ‘trapped within their own feelings, trapped within their own imaginations’. De media zouden de mens voorbij zijn eigen limieten moeten kunnen brengen. Ze zouden, anders gezegd, de publieke ruimte moeten herstellen waarin ideeën niet louter worden opgevat als posities om te consumeren of niet, maar als voorstellen voor een begrip en een ontwikkeling van de wereld.

De receptie van Graailand, het nieuwste boek van PVDA-voorzitter Peter Mertens (1969), is een mooi voorbeeld (maar bijlange niet het enige) van dit gebrek aan een publieke ruimte. Nergens is er in de Vlaamse media een uitgebreide bespreking te vinden die Mertens’ ideeën en kritieken bespreekt, nuanceert, weerlegt, uitwerkt of in een breder perspectief plaatst. Wel krijgen we interviews waarin vragen de vorm aannemen van wat we ‘automatische kritiek’ kunnen noemen. Automatisch in de zin van spontaan en onnadenkend: vragen die de uitgesleten patronen volgen van wat wij in onze zogenaamde postideologische en pragmatische maatschappij onder kritiek begrijpen. Automatisch ook in de zin van zonder menselijk ingrijpen. We krijgen geen vragen die afkomstig zijn van een alternatieve geïnformeerde stem – stemmen die idealiter de ideologische visies van de diverse nieuwskanalen uitdragen – maar vergelijkbare vragen die een andere journalist (of een robot) evengoed had kunnen stellen.

Het zijn vragen van de orde of iets haalbaar, achterhaald, te pessimistisch dan wel te optimistisch is, en die er veelal op gericht zijn de geïnterviewde in een negatief daglicht te plaatsen door hem/haar in een bepaalde positie te duwen die beantwoordt aan de (volgens de journalistiek) dominante perceptie. Het zijn vragen die zich niet richten op de sociale kwesties die het politieke programma van de PVDA (of eender welke politieke partij) wil aankaarten, maar die veeleer een positie willen ondermijnen via verdachtmakingen van verborgen intenties of al te rooskleurige voorstellen. Rudi Laermans reserveerde daarvoor twintig jaar geleden al de term ‘neokritiek’. Die:

gispt sociale antagonismen noch structuren: zij richt zich gedurig op het ontmaskeren van anderen, en hun spreken of handelen, in termen van persoonlijke belangen, macht, posities.

Zo brengen deze interviews de discussie niet op een hoger niveau waarvan de burger kan profiteren. Op vragen die een positie verdacht maken, kan de politicus slechts zijn positie herhalen die hij eerder al (in een boek of een programma) had geformuleerd. Hetzelfde geldt voor vragen die louter informatief zijn: tegenover de visie van de geïnterviewde schuift de interviewer niet zelf een geïnformeerde visie naar voren die een uitwisseling van ideeën op gang kan brengen. Deze gesprekken genereren geen informatie die de politicus toelaat zijn of haar standpunten verder te ontwikkelen of te herzien; ze brengen de lezer weinig tot niet in contact met andere manieren om bepaalde sociale problemen te begrijpen en te remediëren. Uiteindelijk reproduceren deze interviews de bestaande posities: wie achterdochtig of instemmend was voor het interview zal dat naar alle waarschijnlijkheid daarna blijven. Opnieuw blijft de burger binnen de limieten van zijn of haar (on)zekere positie.

Deze neokritiek lijkt zich te radicaliseren. Met steeds meer verbaal geweld affirmeert het politieke centrum de exclusieve geldigheid en rechtvaardigheid van zijn middelen en plannen. In die aanval op andere posities is er geen ruimte voor onderhandeling of nuance: het gaat niet louter om verdachtmaking, maar om het afserveren van de legitimiteit van een bepaalde positie. Een constante in interviews met Mertens – en vooral in de reacties op de stijgende populariteit van de PVDA – zijn insinuaties en verdachtmakingen die de partij linken met dictatoriale communistische regimes uit verleden en heden. Deze vormen een eclips voor discussie en argumentatie en gebieden vooral afstand nemen of stilzwijgen. [1] Dit kan irrationele vormen aannemen. Bart De Wever noemt PVDA ‘het restafval van de twintigste eeuw’, en Rik Torfs drukt in De afspraak de hoop uit nog snel het land te kunnen ontvluchten bij een machtsdeelname van de PVDA zodat hij niet de gevangenis in zou moeten. De vraag is of deze onbeschaamde aanvallen een blijk zijn van angst voor de oprukkende PVDA of van de arrogantie van het zich onaantastbaar wanende centrum. Mogelijk een combinatie van beide.

Een tweede constante is het verwijt van populisme, en opnieuw heeft die als doel elke vorm van dialoog uit te sluiten. Populisme is immers geen zelfdefiniëring, maar een verwijt – in tegenstelling tot de periode voor de Tweede Wereldoorlog zijn er weinig tot geen partijen die zich populistisch noemen. Marco D’Eramo geeft aan dat ons huidig gebruik van de term zijn discursieve oorsprong heeft in de Koude Oorlog-retoriek waarin ‘populisme’ wees op de dreiging van zowel het voorbije fascisme als het toekomstige communisme. Na de Koude Oorlog veranderde dat in een theorie van extremen waarbij politieke legitimiteit bestaat in de exclusie van elke extreme positie. Het resultaat is een zogenaamd democratisch centrum dat zich moet afschermen van extremen aan beide zijden.

Politiek commentatoren mogen zich er dan wel over verwonderen dat zogenaamde populistische partijen zowel links als rechts zijn, of dat een en dezelfde partij linkse én rechtse standpunten inneemt; de constructie van de term was er net op gericht deze opposities te verbinden:

Its political utility consists in its making possible the equation of movements seemingly at opposite ends of the political spectrum.

De ironie bestaat erin dat een discussie over ideeën opnieuw wordt vermeden en dat via het verwijt dat juist populistische partijen met hun voorstelling van het volk als eenheid of hun versimpelde voorstelling van de werkelijkheid mensen en discussie uitsluiten. [2] Over onder meer welke uitsluitingen op die manier worden verdoezeld in het huidige politieke discours, handelt het boek van Mertens.

Klassenstrijd

Het vierhonderd pagina’s tellende boek Graailand gaat grotendeels over de groeiende ongelijkheid binnen onze samenleving op het vlak van macht en economie. Anders gezegd draait het, hoewel Mertens de term praktisch nooit gebruikt, om de klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid. Dit begrip mag vaak op hoongelach worden onthaald omdat het schijnbaar gedateerd is, maar dat helpt bepaalde groepen slecht om, vaak in het naam van het publieke belang, hun eigen interesses na te streven. Zo stelt Warren Buffet in The New York Times:

There’s class warfare, all right, but it’s my class, the rich class, that’s making war, and we’re winning.

Een klassieke marxist als David Harvey heeft de opgang van het neoliberalisme omschreven als ‘a vehicle for the restoration of class power’ van een economische elite, en dat na de periode van de welvaartsstaat waarin zij zich gebonden wist aan sociale afspraken en herverdeling. Graailand laat zien hoe deze restauratie zich voortzet en verstevigt na de grote crisis uit 2008.

De zes hoofdstukken van Graailand belichten verschillende aspecten van de strijd tussen arbeid en kapitaal. Het boek opent met een hoofdstuk over de situaties waarin de verliezers zich bevinden: de moeilijkheden om te voorzien in basisbehoeften (water, elektriciteit) en in basiszorg (voor zieken, bejaarden, daklozen). Het tweede hoofdstuk, ‘De kaste’, richt zich op de winnaars en vooral op de draaideur tussen de politiek en de grote bedrijven: een prominent politicus die later in de zaken- of bankenwereld gaat werken of vice versa, en de belangenverstrengeling die zo ontstaat. De twee volgende hoofdstukken laten de contouren van deze strijd zien op het vlak van arbeid en belastingen, terwijl de laatste twee hoofdstukken deze uitbreiden naar Europa.

Een ander conflict dat zich tussen deze klassenstrijd weeft is dat tussen het linkse project van PVDA en de ‘veelkleurige liberale eenheidspartij’ waaronder Mertens alle andere Vlaamse partijen en hun Europese partners schaart: van Groen tot N-VA – ze zijn allemaal verantwoordelijk voor het beleid van liberalisering en privatisering van de afgelopen jaren. Het boek onderstreept die eenheid door aan te tonen hoe deze partijen dezelfde maatregelen treffen en plannen maken – ‘nog minder regels, nog minder bescherming, nog meer flexibiliteit, nog meer commercie en nog meer fossiel denken’ – en hoe belangrijke partijfiguren vergelijkbare ideeën debiteren.

Mertens’ focus ligt op het microniveau, met vele concrete voorbeelden en verhalen vanuit de politieke actualiteit en de straat. Zijn argumentatie verloopt evenzeer via concreet cijfermateriaal en vaak lange citaten die de dynamiek van een debat of een situatie uit de dagelijkse realiteit moeten weergeven. In deze tastbaarheid ligt de sterkte van het boek: het toont aan hoe in bepaalde dossiers de klassenstrijd wordt gestreden en in welke omstandigheden mensen moeten zien rond te komen. De woede en verontwaardiging zijn daarbij voelbaar, maar Mertens laat die emoties nooit vanzelf spreken en begeleidt ze met uitgebreid bewijsmateriaal – met uitzondering van de blijkbaar onontkoombare oneliners en taglines van het politieke discours die wel eens vermoeiend kunnen werken.

Toch heeft deze meer beschrijvende dan interpretatieve aanpak ook nadelen. Zo komt Mertens nooit tot overkoepelende syntheses, zelfs niet over de inhoud van zijn eigen boek – er ontbreekt een inleiding die de belangrijkste lijnen van het boek uitzet. De keuze voor veelheid en concreetheid bemoeilijkt binnen het lappendeken aan verhalen en feiten tevens het zicht op de belangrijkste krachtlijnen en constanten. Evenzeer ontbreekt een zeker historisch perspectief: hoe moeten we deze debatten begrijpen vanuit de politieke en economische ontwikkelingen van de laatste vier decennia waarin het neoliberalisme zijn hegemonie vestigde? Het plaatsen van de korte in de lange termijn, het concrete in het abstracte, micro in macro zou volgens mij de bewijskracht van beide versterken en tevens de lezer in staat kunnen stellen om komende gebeurtenissen en conflicten in een breder kader te plaatsen. Niettemin kunnen we enkele (al dan niet benoemde) constanten in Graailand waarnemen, constanten die onontbeerlijk zijn voor een goed begrip van wat er zoal fout loopt in onze maatschappij.

Zorgcrisis, flexibilisering en oligarchie

‘In juli gaan we pas echt diep snijden,’ zegt federaal minister van Werk Kris Peeters:

We leven met z’n allen boven onze stand. Wij allemaal. De regering moet de moed hebben iedereen rechtvaardig te laten meewerken aan het herstel van dat evenwicht.

Deze uitspraak vat perfect de eerste tendens samen: de staatsschulden worden tot een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gemaakt en dienen zo om maatregelen te legitimeren die druk uitoefenen op de reproductie van het sociale leven. Die omvat een geheel aan sociale vermogens: het opvoeden van kinderen, de zorg voor familieleden en ouderen, onderhoud van huishouden en bredere gemeenschappen (de zorg voor langdurig zieken, (ex-)criminelen, psychologische patiënten, enzovoorts). Symptomen van deze ‘crisis of care’ in ons dagelijkse leven zijn de verzuchtingen over ons gebrek aan tijd, de moeilijkheden in de balans tussen werk en leven, de constante boekhouding om huur, afbetalingen, rekeningen, dagelijkse kosten, kinder- en opvangkosten, en ontspanning te financieren. Meestal zien we deze zaken als persoonlijke kwesties, als individuele moeilijkheden met plannen, keuzes en verlangens, terwijl Graailand laat zien hoe onze plannen, keuzes en verlangens constant worden bemoeilijkt door een beleid dat zich legitimeert via de wegwerking van schuld.

Binnen Vlaanderen wijst Mertens onder meer op de ‘Turteltaks’, het groeiend aantal waterafsluitingen na de crisis (van 381 kranen in 2008 naar 3924 in 2015), de privatisering van de daklozenopvang in Antwerpen, waar N-VA de ‘vermarkting van de zorg’ wil doordrukken. In Europa valt uiteraard te denken aan de Griekse schuldencrisis. Het beleid van de Trojka diende vooral om de Europese topbanken te redden, terwijl het land in 2010 al niet meer in staat was om zijn schulden te betalen. Dit beleid heeft geleid tot een enorme stijging van werkloosheid, faillissementen en belastingen en tot een daling van de pensioenen en de koopkracht. In Spanje staan er na de explosie van de vastgoedbubbel 3,4 miljoen eigendommen leeg, maar zijn er tevens vierhonderdduizend families uit hun woning gezet omdat ze de hypotheek niet konden afbetalen. Vaak blijven die wel met een restschuld zitten. Terecht spreekt Mertens van ‘schuldslaven’.

Telkens opnieuw dienen schulden ertoe om de publieke uitgaven van de overheid te beperken, ‘austeriteit’ en privatisering door te drukken en om in onevenredige proporties geld te onttrekken aan de bevolking. Volgens Karl Marx was arbeid binnen het kapitalisme vrij in een dubbele zin: arbeid is niet gebonden aan een particuliere meester of plaats, maar ook vrij van de toegang tot productiemiddelen en grondstoffen zodat de mens in zijn of haar eigen behoeften kan voorzien. Het lijkt erop dat deze definitie door de creatie van schuldslaven niet langer opgaat.

Bevindt deze eerste tendens zich op de grens van de kapitalistische economie en andere lagen van de maatschappij, dan situeert de tweede zich in die economie: de zich voortzettende flexibilisering van de Belgische en Europese arbeidsmarkt en dat onder het beeld van de vrijheid van de individuele werknemer. De voorbeelden van Mertens geven overtuigend aan hoe deze vrijheid vooral geldt voor de werkgever die afhankelijk van de markten meer of minder inzetbare krachten nodig heeft, terwijl de werknemer aan autonomie inboet:

de werknemer [wordt] de mobiele, immer inzetbare flexwerker van wie de bestaansonzekerheid permanent op de helling staat.

Binnen de Europese Unie is een dergelijk beleid geïnstitutionaliseerd sinds het Verdrag van Maastricht (1992). De muntunie maakt de devaluatie van de munt onmogelijk, waardoor landen in economische moeilijkheden moeten teruggrijpen naar vormen van interne devaluatie:

loonsverlagingen, […] besparingen op de sociale uitgaven en gezondheidsdiensten, de afbouw van de pensioenen en het stopzetten van uitgaven voor infrastructuur.

Vanouds dient deze flexibilisering binnen de neoliberale logica om de collectivisering van arbeid te ontkrachten zodat ze geen enkele remming vormt op de kapitaalaccumulatie. Het ‘activeren’ (opjagen) van werklozen en langdurig zieken en het verlengen van de loopbaan dragen daar evengoed toe bij:

zo wordt de druk op de arbeidsmarkt voldoende groot om iedereen eender welke job tegen eender welk loon te laten aanvaarden.

Een recent dieptepunt daarvan vormen de onlineplatformen ClickWorker of PeoplePerHour waarop taken worden aangeboden en de beste en goedkoopste ‘opdrachtwerker’ de taak krijgt: ‘Niks contract, niks kans op promotie, niks bescherming, niks sociale zekerheid’ en dat binnen de context van de wereldwijde concurrentie op het net. De prijs voor arbeid wordt zo bepaald door ‘vraag en aanbod, en niet langer door de krachtsverhoudingen’ tussen arbeid en kapitaal.

Deze twee trends zijn uiteraard met elkaar verbonden: de flexibilisering van de arbeidsmarkt zorgt voor onzekere arbeids- en levensomstandigheden die het uitoefenen van andere sociale vermogens bemoeilijken. Dat hangt samen met een derde trend, met name de vorming van een oligarchie en een elite die zich niet langer om de bevolking bekommert. Door de globalisering is kapitaal niet langer gebonden aan een bepaald territorium of volk om te voorzien in accumulatie, waardoor een zekere zorg ervoor niet langer nodig is. Mertens spreekt van de vorming van een ‘tweesporenmaatschappij’ waarbij er verschillende wetten gelden voor de top en de rest:

Voor de ene klasse van mensen […] weinig steun, veel voorwaarden en harde sancties. Voor de andere klasse […] veel steun, bijna geen voorwaarden en sancties die kunnen afgekocht worden met geld.

Het gaat hier om de draaideurpolitiek, de ongelijke verdeling van rijkdom, om een lakser belastingstelsel voor de top en om twee verschillende legale regimes – tekenend voorbeeld zijn de massale ontduikingen van belasting en de onbestaande straffen daarvoor. Het gaat om de gigantische kasreserves van grote bedrijven die niet worden gebruikt om te investeren, maar om fusies en overnames te financieren en om eigen aandelen op te kopen zodat de aandeelwaardes van de ondernemingen stijgen. Meer en meer kapitaal komt op die manier in de handen van een steeds kleinere groep eigenaars terecht. Het gaat tevens om de agressie en hardheid waarmee de zwakkeren – die al geen bedreiging meer vormen voor het kapitaal – alsnog worden aangepakt en waarmee elk alternatief of kritiek verworpen wordt als ‘populistisch’ of ‘irrationeel’.

William Davies spreekt in dat verband van een ‘punitive neoliberalism’: een neoliberalisme dat zijn soevereiniteit niet langer zoekt via een culturele consensus, zich terugtrekt uit rationele publieke dialogen en een beleid van bestraffingen en besparingen voortzet tegen elke realiteit in. Opnieuw vormt Griekenland hierbij een mooi voorbeeld. Van inspraak, debat of consensus was er amper sprake. Het land werd ultiem tegen de muur gezet doordat de Centrale Bank de geldkraan toedraaide – een manoeuvre dat de Vlaamse econoom Koen Schoors indertijd terecht als ‘bijna crapuleus’ bestempelde. Deze aanpak zet kwaad bloed, en de manier waarop mensen inzien dat het huidige beleid niets voor hen doet, vertaalt zich in het stemgedrag. In Amerika liepen de meeste mensen warm voor Trump of Bernie Sanders; in Nederland verloren alle centrumpartijen zetels; in Frankijk kwamen de drie populairste kandidaten van niet-traditionele partijen – en in Vlaanderen stijgt de belangstelling voor PVDA en wint het Vlaams Belang opnieuw aan supporters.

Herverdeling en integriteit

Vele van de maatregelen die Mertens daar tegenover stelt, draaien rond herverdeling. Op dit moment bestaat er een herverdeling van arbeid naar kapitaal doordat grote bedrijven weinig tot geen belastingen betalen. Daardoor financiert arbeid in hoge mate investeringen in maatschappelijke infrastructuur; een trend die Mertens gestopt wil zien. Verder stelt hij een miljonairstaks voor waarbij de onbelaste schijf anderhalf miljoen euro bedraagt, zodat de middenklasse niet wordt geraakt. Ingrijpender is de arbeidsherverdeling die ontstaat via een kortere werkweek – een ‘complexe zaak waarbij veel parameters komen kijken: competenties, opleidingen, reorganisaties, relatieve arbeidskosten.’ Mertens benadrukt het belang daarvan in het licht van de komende robotisering waardoor het aantal jobs daalt. Daarnaast vergroot deze kortere werkweek de gendergelijkheid en de tijd voor ontplooiing, en verlicht ze de druk op onze gezondheid – alle cruciaal in onze ‘crisis of care’. Verder vormt het boek een pleidooi om basisdiensten als zorg en onderwijs niet te privatiseren en dat in naam van onder meer solidariteit, sociale cohesie, continuïteit en nabijheid. Daarbij is een ‘emancipatorisch middenveld’ nodig.

Mertens besteedt in Graailand ook de nodige pagina’s aan de voorstelling van zijn eigen partij, waarbij veel nadruk gaat naar hun integriteit: ‘Practice what you preach, geen woorden maar daden. Die integriteit zal een hoeksteen zijn van elke linkse herbronning.’ Hoe begrijpelijk dat ook is, het lijkt me gevaarlijk daarop zo sterk in te zetten, al is het maar omdat ‘zelf onbesproken zijn’ vaker een kwestie van perceptie dan van realiteit is. Eén aspect daarvan vormt de beslissing om PVDA-mandatarissen en -kaderleden enkel ‘een gemiddeld werknemersloon’ te laten verdienen. Daarbij heeft de partij gelijk dat politici bij een buitensporig loon vervreemd raken en een extra taks van honderd euro inderdaad niet voelen, maar dat is mogelijk ook een al te ‘brave’ interpretatie van het beleid. Liever dan het loon tot een pijler van integriteit te maken, zou ik willen lezen binnen welke opvatting over loon dit idee past. Het vluchtig vermelde voorstel van een maximumloon voor politici dat gebonden is aan de omvang van een gemiddeld werknemersloon, vind ik interessanter.

Meer pagina’s hadden naar langetermijnvoorstellen mogen gaan en minder naar de presentatie van de partij als new kids in town. Volgens een dergelijke ‘marketing’ wordt het politieke spel vandaag inderdaad gespeeld, maar ook dat onderdeel ervan zorgt voor een vervreemding van en vertrouwensbreuk met de politiek. We hebben geen nood aan een merk, maar aan een verhaal dat het verlangen opwekt te willen investeren in een andere maatschappij.

Meer vormen van ongelijkheid

Om zo’n verhaal te vertellen, zou Mertens ook meer huidige maatschappelijke vraagstukken moeten hebben opnemen. Met de ongelijkheid tussen arbeid en kapitaal wijst hij op een krachtveld dat noodzakelijk is voor elk begrip van onze maatschappij, maar daarmee behandelt hij slechts één vorm van ongelijkheid en laat hij vele daaraan verbonden ongelijkheden buiten beschouwing. Het gaat me dan vooral om de afwezigheid van de klimaat-, migratie- en identiteitsproblematiek. Een boek kan niet over alles gaan, maar Mertens stelt deze kwesties toch te zeer voor als secundair ten opzichte van de primaire strijd tussen arbeid en kapitaal.

We zijn al voorbij drie vierde van het boek wanneer ecologie voor het eerst ter sprake komt. Mertens spreekt over ‘de twee bronnen van rijkdom, de arbeid en de natuur’, maar heeft het over die natuur praktisch nooit. Toch zou ze makkelijk te integreren zijn in zijn verhaal over ongelijkheid. In Four Futures (2016) stelt Peter Frase:

The real question is not whether human civilization can survive ecological crises, but whether all of us can survive it together, in some reasonably egalitarian way.

De economische en ecologische ongelijkheid hangen samen: sommigen zullen zich beter kunnen beschermen tegen de kwalijke gevolgen van de klimaatcrisis. Meer algemeen hebben zogenaamde eco-marxisten gewezen op de intrinsieke relaties tussen arbeid, natuur en kapitaal. Zo ziet Jason W. Moore het kapitalisme als een voortdurende zoektocht naar ‘Cheap Nature’, waaronder hij voedsel, arbeid, energie en grondstoffen schaart. In een dergelijke analyse zijn de uitbuiting van natuur en arbeid sterker verbonden dan Graailand doet uitschijnen.

‘Waar het op aankomt,’ schrijft Mertens in relatie tot vrijheid en gelijkheid, ‘is dat alle talenten zich kunnen ontplooien, van welke afkomst, seksuele geaardheid, sekse of levensbeschouwelijke overtuiging mensen ook zijn.’ Dit is evenzeer een van de weinige algemene opmerkingen die Mertens maakt over identiteitspolitiek en de economische vraagstukken van onze tijd. Wel behandelt hij vaak de positie van vrouwen, niet het minst vanwege de contradictie tussen affectieve en economische arbeid die het boek aankaart. Historisch gezien is de arbeid van sociale reproductie aan vrouwen toegewezen, en zij bevinden zich ook vandaag vaak in economisch zwakkere posities doordat zij – en niet de mannen – deeltijds gaan werken. Toch is het neoliberalisme erin geslaagd marktwerking en emancipatie met elkaar te verbinden – denk aan het toch welluidende idee dat een stem voor Hilary Clinton sowieso een progressieve stem is, ondanks haar neoliberale programma. Doordat dit echter gepaard ging met een verlaging van lonen en meer nodige arbeidsuren heeft deze koppeling, aldus Nancy Fraser, de contradictie tussen affectieve en economische arbeid vooral versterkt en ging ze ten koste van sociale bescherming.

Identitaire spanningen en de migratieproblematiek ontbreken helemaal in Graailand. Mertens haalt uit naar de ‘nieuwe nationalistische en identitaire stromingen’ die stampen naar degenen die nog zwakker zijn, maar ultiem wel ‘systeembevestigend’ zijn. Te weinig gaat het echter over de manier waarop ze dat zijn en over Mertens’ positie tegenover het verkeer van mensen. Dat is opvallend, want wederom past het probleemloos bij zijn grotere verhaal. Identitaire spanningen dragen bij tot een sfeer van competitie en concurrentie, terwijl de instroom van goedkope arbeidskrachten binnen een zwakke arbeidsmarkt de grote bedrijven helpt om de prijzen te drukken.

Tot slot vormt Graailand enerzijds een boek waar je weinig tegen kunt hebben: het kaart met de ongelijkheid, de vorming van een oligarchie, de vernietiging van arbeid door kapitaal en de crisis in onze reproductievermogens als enige politieke partij in België enkele belangrijke maatschappelijke problemen aan, doet dat met de nodige argumentatie en biedt het zicht op een uitweg die niet teruggrijpt naar de nostalgische fantasie van een eenheidsvolk. Anderzijds mocht het, zeker voor een boek van vierhonderd pagina’s, veel meer zijn: meer verbeelding, meer aangekaarte vormen van ongelijkheid, meer problemen, meer synthese, zodat een beter zicht ontstond op onze huidige maatschappij en een alternatief. Al moet gezegd dat zulke vragen bij andere Vlaamse partijen zelfs in de verste verte niet aan de orde zijn.

Noten

1. In zijn opiniestuk voor De Tijd verwerpt Rik van Cauwelaert, op basis van zijn lectuur van Graailand, dergelijke insinuaties: ‘De partij heeft ervoor gekozen zich voorbeeldig in te passen in de parlementaire democratie.’ Van Cauwelaert neemt afstand van de radicale neokritiek, om vervolgens naar de zachtere vorm ervan terug te keren. Het boek bezit namelijk ‘electorale bijbedoelingen’, wat lijkt te veronderstellen dat de link tussen een inhoudelijke analyse en een partijpolitiek programma per definitie doelbewuste vertekeningen inhoudt. Dat het boek niet ingaat op de migratiepolitiek kadert Van Cauwelaert niet als een politiek probleem, maar als een strategie: ‘het is wel duidelijk dat de partij de achterban niet voor het hoofd wil stoten.’
2. De zogenaamd ‘neutrale’ journalist en onderzoeker, die zich zeggen te willen distantiëren van politisering, dragen via hun wetenschappelijke en journalistieke interventies – die het keurmerk van objectiviteit dragen – bij aan de rechtvaardiging van dit verwijtende gebruik van de term ‘populisme’ en aan de versterking van het centrum als enige legitieme politieke macht. De vaak geciteerde Jan-Werner Müller stelt bijvoorbeeld: ‘Populists accuse all other political contenders of being illegitimate. They do not talk in terms of disagreement over policy, which in a democracy is the very point of politics – presenting citizens with options, not just competing on competence and qualification’. Müller is blijkbaar blind voor de manier waarop het centrum en zijn eigen schrijven zogenaamde ‘populisten’ ook als illegitiem voorstelt, en dat vaak via het ‘There is no Alternative’-argument: er zijn geen opties, slechts experts die zeggen hoe het moet. Net op het punt dat academici zich, kortom, distantiëren van politisering, zijn ze in hun reproductie van de bestaande posities niets anders aan het doen.

 

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?