cover big

Politiek voor iedereen

Maartje Amelink

Over Wie weet van Jannah Loontjens

Ambo|Anthos, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789026332340 / 223p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 26-08-2018

Bookmark and Share

‘Dubbele aanslag in Kabul eist 25 levens, onder wie journalisten’. Ik scrol door het nieuwsbericht op mijn telefoon, terwijl ik Wie weet van Jannah Loontjens (1974) opensla. Het is een van de waardevolle aspecten van literatuur: boeken activeren, bijna altijd, een nieuwe dialoog met de werkelijkheid om je heen, of in ieder geval een hernieuwde. Ik word me extra bewust van mijn bankhangende leeshouding, de warme koffie, thee die ik mezelf inschenk en in contrast daarmee de oorlog op mijn smartphone, doden op een schermpje. ‘Onder wie journalisten’, staat er in het bericht, het is een aparte soort blijkbaar. Drie jaar eerder, op 7 januari 2015, werden negen Franse journalisten van Charlie Hebdo vermoord door islamitische terroristen vanwege de cartoons die de redactieleden tekenden. Het was voor veel mensen een aanslag op de westerse intellectuele vrijheid. Journalisten, schrijvers en academici voelden zich geraakt: de redactie van een weekblad in hartje Parijs, dat kwam dichtbij. Loontjens roman speelt zich af op de avond na die aanslag.

Op mijn middelbare school kregen we bij elke geschiedenistoets een spotprent. De Koude Oorlog begreep ik in beren en adelaars. Het was een creatieve manier om kritisch te leren denken, om, achter de satire, een politiek standpunt te herkennen. De spotprenten waren leuke opdrachten, ze gaven visuele flair aan de lappen tekst die het schoolvak domineerden, maar daarvoor moest je ze wel eerst leren begrijpen. Het vereiste historische kennis, een gedetailleerde blik, de vaardigheid om van perspectief te wisselen en uiteindelijk een gevoel voor ironie. De spotprent, zo leerde ik op school, is een genre apart, vaak op het scherpst van de snede, en niet altijd makkelijk te doorgronden.

Besma, een van de negen hoofdpersonages in Wie weet, schrijft haar scriptie over cartoons. Als moslim worstelt ze met haar positie, zeker na Charlie Hebdo. Ze is tegen terreur, maar vóór haar geloof, ze voelt moslimhaat, is zelf ook kritisch over de islam, maar blijft haar hoofddoek dragen, omdat ze haar eigen geloof belijdt – ‘Allah is er voor alle mensen’. ‘En’, zegt ze tegen Manon, haar docent, ‘ik weet ook wat cartoons zijn’. Haar toon is verdedigend, al pratend structureert ze haar gedachten: ‘De tekeningen provoceren. Dat is hun functie. Ik probeer dat al maanden aan mijn moeder uit te leggen’. Ze zegt tegen haar moeder dat het om de context gaat, dat dáár de betekenis uit voortkomt, dat een spotprent geen politieke beslissing is, dat een spotprent te ver móét gaan, anders is het geen spotprent, maar ‘het is moeilijk’ sluit ze af, ‘mijn moeder weet niet wat “context” is’.

Ik zit in de bioscoop. De documentaire Onderkomen (2017) draait; een verhaal over drie Afghaanse vluchtelingen die in een flat vlakbij Maastricht op een verblijfsvergunning wachten. De man die achter mij zit is verbaasd: ‘Normaal ga je toch naar de bioscoop voor kunst, maar dit is, eh ja, dit is eigenlijk meer een soort sociaal project’. Ik beeld me in wat hij zou zeggen na het lezen van Wie weet (‘Vreemd, normaal lees je toch een boek voor…’). Of zou hij zijn definitie van ‘kunst’ hebben bijgesteld na het zien van de documentaire, zou hij oog hebben gehad voor de animaties, voor de montage? En als hij Wie weet zou lezen, zou hij dan inzien hoe juist in een esthetische context zoiets als sociale betrokkenheid tot bloei kan komen, hoe dat een meerwaarde is voor ‘Politiek met een hoofdletter’, zoals Rutger Bregman het in Gratis geld voor iedereen (2014) noemt, politiek ‘die verder gaat dan het puur bestuurlijke’ en nagaat ‘wat überhaupt mogelijk is’. Zou deze man het effect van context – de bioscoopzaal, een boek – op Politiek zien?

Wie weet is geen hoogdravende roman. Dat zie ik als een pluspunt: Loontjens schrijft voor iedereen. Politiek lijkt voor haar een dialoog te zijn over vernieuwing, verandering en verzet waarvan niemand is uitgesloten. Dat weerspiegelt zich in de constructie van de roman. Zes mensen komen bij elkaar om de verjaardag van Paul te vieren: zijn ex Manon, hun dochter Liv, zijn broer Philip, hun vader Bertrand, Manons huidige partner Mohammed, en tot slot Justus, een vriend/collega van Manon en huisgenoot van Bertrand. Elk hoofdstuk is gekoppeld aan de naam en het perspectief van een personage. Ook twee personages die niet bij het etentje aanwezig zijn, geven hun naam aan een hoofdstuk: Besma, de eerdergenoemde student aan de universiteit waar Manon en Justus lesgeven, en Ablah, de nieuwe vriendin van Paul.

De lezer kruipt zo steeds in het hoofd van een ander personage. Ieder van hen reflecteert op de aanslag in Parijs, Pauls verjaardagsetentje de avond daarna (indien aanwezig) en de dag die dáárop volgt, de dag van de protestmars in Amsterdam tegen de Charlie Hebdo-aanslag. Het mooie aan deze vertelconstructie is dat Loontjens sommige zinnen letterlijk in de roman kan laten terugkeren, maar dan zijdelings gehoord door iemand anders of juist expliciet uitgesproken door de persoon in kwestie. Door die cirkelende vorm krijgt het verhaal steeds meer diepgang en context.

Paul, de man die zijn verjaardag viert, is volgens zijn broer Philip ‘een opportunist’. Hij leeft zonder beginsel, drijft op eigenbelang, rijdt met een knalrode Ferrari en vrijt met Ablah vanwege haar rondingen. ‘Ablah. Ablah. Ablah’, denkt Paul, ‘Alleen al die naam. [...] heel dat blah-blah-lichaam van haar. Die billen…’. Voor Paul zijn de mannen in zijn omgeving slapjanussen, watjes. Hijzelf is een tijger: doelmatig, scherp en snel. ‘Alles is van korte duur’, denkt hij, ‘Het moet nu gebeuren. Nu’. Paul zegt precies waar het op staat, het liefst ondersteund met wat wetenschappelijke feiten, en hij maakt van ‘wij’ ‘zij’ als het hem uitkomt. Met een halfslachtige referentie aan Isaac Newton bedenkt Paul dat de Parijse aanslagen laten zien ‘dat we er niet van uit kunnen gaan dat nieuwe deeltjes in een groep zich zomaar aanpassen’ en dat we serieus ‘aan verdediging moeten denken’. Als hij Mohammed, de Nederlands-Marokkaanse vriend van Manon, ziet tijdens de protestmars, complimenteert hij hem omdat ‘het goed [is] als immigranten ook laten zien dat ze voor onze waarden opkomen’.

Opvallend is dat de personages in Wie weet hun gedachten delen alsof ze weten dat ze samen zijn met een lezer. Ze vertellen wat ze denken. Soms voel ik me bijna letterlijk aangesproken, alsof ze de vierde wand willen doorbreken, maar de personages richten zich nooit écht tot de lezer, het is meer een neigende blik in de camera. Loontjens speelt zo via haar personages met het literaire gebod show, don’t tell, maar ze weet steeds het evenwicht te behouden. Haar vertellen blijft beeldend en ook best spannend. Vrij snel in het verhaal wordt duidelijk dat er iets naars is gebeurd tijdens het verjaardagsetentje, iets waar Justus bij betrokken is, maar Loontjens geeft het incident niet zomaar prijs. Via het wisselende perspectief van de personages vallen steeds meer puzzelstukjes op hun plek. Die detectiveachtige spanning motiveert om verder te lezen, zonder dat de roman alleen nog om deze ene open plek draait.

Liv, de dochter van Manon en Paul (die gescheiden zijn), is een typische puber. Gewoon serieus een puber, zoals Loontjens Liv zou laten zeggen. Liv ergert zich aan haar vader (‘hij denkt gewoon dat hij hip is’), vindt het hele Je suis Charlie-gebeuren ‘vet dom’ (‘We voelen ons echt niet verbonden met elke vermoorde gek in Europa. Nee. Alleen omdat de daders moslim zijn. Gewoon daarom.’) en praat voornamelijk in jongerentaal met veel Engelse woorden: snitchen, serieus droog, vet cute, kapot erg, tatta be like, zooo tumblr, gewoon random en, de leukste, ‘there better be a toetje’. Ik vertrouw Loontjens skills in het weten hoe ‘de jeugd van tegenwoordig’ praat, maar toch voelt het behoorlijk gekunsteld aan. Waarom? Welke blokkade ervaar ik als lezer? Is het mijn eigen leeftijd, die inmiddels toch bijna vijftien jaar verwijderd is van de hardcore-puberteit? Livs taal klinkt me vreemd in de oren, mijn interne leesstem kent haar ritme niet, en ik voel me tijdens het lezen een vijftiger die cool loopt te doen met de woorden van Liv. Is dat een verdienste van Loontjens – ze confronteert de (slightly oudere) lezer met een generationele afstand – of is het een gedurfde, maar ontoereikende poging om de lezer toe te laten in een puberbrein?

Taal is niet zomaar overdraagbaar, het maakt uit wie wat zegt, en de betekenis van een uitspraak kan verloren gaan (of grappig, pijnlijk, raar worden) als die twee – spreker en taal – niet matchen. Voor auteurs is dat een uitdaging, want hoe zorg je ervoor, met taal als middel, dat de lezer zo geruisloos mogelijk een ander hoofd binnentreedt op een geloofwaardige manier? Loontjens schrijft hier het volgende over in haar – zeer aan te raden – essayboek Mijn leven is mooier dan literatuur (2013):

Hoe kan ik een consistent ‘ik’ in een tekst presenteren, terwijl ik het zelf niet ben. Of preciezer: ik wil niet dat de tekst over mij gaat, de verteller moet een ander zijn, maar hoe vertel ik een verhaal vanuit het perspectief van een ander zonder dat die ander toch als mezelf klinkt?

Ze bespreekt dit onder het kopje ‘writer’s block’, want niet zelden is het vinden van de juiste vertelstem een lastige hindernis voor auteurs. Loontjens heeft het zichzelf dus niet makkelijk gemaakt door Wie weet vanuit zoveel personages te vertellen, met misschien Liv wel als grootste uitdaging.

Ook de lezer vertroebelt de stem van een personage met zijn of haar eigen stem, daar is niets aan te doen, dat is zelfs wel wenselijk. Meestal levert de mix tussen de taal van de lezer en de taal van een personage een subjectieve interpretatie op, waar vervolgens weer allerlei lezerservaringen uit voortkomen – mijn Liv is nooit helemaal jouw Liv en dat is prima. Maar met een extreme taalbarrière tussen lezer en personage komt het proces van inleving überhaupt niet op gang, alsof er slechts een ervaring van afstand heerst tot de taal die wordt gelezen. Dat maakt een empathische lezing vanuit het personage lastig, terwijl Loontjens dat wel lijkt te beogen – Wie weet is allesbehalve een postmodern metaboek. Maar hoe kan de leefwereld van een puber, dat wil zeggen, van een puber die zich bedient van ‘jonge’ taal (niet alle pubers doen dit waarschijnlijk zoveel als Liv) toch toegankelijk zijn voor iemand die die taal niet beheerst? Moet er een volwassen detour worden genomen? Kunnen de outsiders pubertaal alleen aanhoren via een outsiders-perspectief?

Dat lijkt wel zo te zijn, althans voor mij. Zo verandert Liv in de dialogen met haar moeder opeens in een heel overtuigende tiener, een herkenbare zelfs. Nadat ze door klasgenoten, onder wie haar beste vriendin, uit de klaswhatsappgroep is verwijderd (een werkelijk drama, want: afwijzing), plant ze haar betraande gezicht in de schoot van haar moeder. ‘Ik wil gewoon niet meer naar school’, snikt ze. Ze wil weer een baby zijn, niks hoeven, niks moeten. Nu ik als lezer niet meer in Livs interne wereld verkeer, nu ik haar taal niet meer hoef te ‘denken’ maar kan ‘horen’, kan ik haar probleemloos van buitenaf observeren. Die afstand levert geen vervreemding maar juist identificatie op. Ik begrijp haar nu heel goed en voel met haar mee; ze ervaart in deze situatie een fundamenteel verlangen naar veiligheid. Haar plotse explosie aan tranen, de drang om weg te willen van de wereld, wordt nu juist in positieve zin versterkt door haar puberale positie. Want, zoals The Kooks het al in mijn eigen puberteit zongen, ‘the world just chewed her up and spat her out’. En dan zit er maar één ding op: janken.

Ik ben benieuwd hoe middelbare scholieren Wie weet lezen. Hoewel ik geen docent ben, kan ik me voorstellen dat deze roman levendige discussies kan oproepen in de klas. Over integratie, terrorisme, angst, hoop. En over morele dilemma’s. Is het netjes dat Paul geen varken serveert tijdens zijn verjaardagsdiner omdat hij weet dat Mohammed komt, of getuigt dat van een stereotyperend vooroordeel? Is het hypocriet om wel een protestmars te houden voor doden in Frankrijk maar niet voor doden in Afghanistan? Heeft het Westen de aanslagen aan zichzelf te danken door kapitalistisch imperialisme in het Midden-Oosten, zoals Mohammed betoogt? En er komen nog veel meer maatschappelijke thema’s aan bod: homoseksualiteit, vermeende pedofilie, universiteitsprotesten, zwerfjongeren en de grens tussen de biologische, dierlijke mens en haar empathische, bedachtzame tegenhanger.

Loontjens lijkt met Wie weet vooral in te zetten op toegankelijkheid, op het openbreken van taboes, op het helder maken van ingewikkelde politieke thema’s waar iedereen mee in aanraking komt, waar veel mensen een passende houding in zoeken, maar waar niet altijd de juiste, constructieve context voor is. Dat literatuur zo’n context kan zijn, voor iedereen, bewijst Loontjens in deze roman.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?