cover big

Populisme voor dummies

Rudi Laermans

Over Populisme van Cas Mudde & Cristóbal Rovira Kaltwasser

Amsterdam University Press, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789462984851 / 154p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 04-03-2018

Bookmark and Share

Populisme is al een tijdje in onder kiezers, een trend die politicologen en journalisten uiteraard moeten volgen. Het aantal artikels en boeken over het thema neemt dan ook hand over hand toe, wat de conceptuele hygiëne niet altijd ten goede komt. De veelheid aan invalshoeken en accenten wordt nog eens bevorderd door de ideologische flexibiliteit van het populisme. Dat neemt alle mogelijke politieke schutkleuren aan, gaande van extreemrechts over het politieke centrum tot extreemlinks. In hun recente overzichtsboekje Populisme, dat afklokt op 154 pagina’s all in, noemen politicologen Cas Mudde en Cristóbal Rovira Kaltwasser het populisme daarom een ‘dunne’ ideologie die pas enig contour verkrijgt door de verbinding met meer uitgekristalliseerde politieke vertogen als het nationalisme of het socialisme. Net als de meeste populismewatchers situeren ze het aparte van dit anorectische politieke wereldbeeld in het construeren van een tegenstelling tussen twee vijandige en homogene kampen, het volk en een daarvan vervreemde elite. De verdere duiding van de noties van elite en volk (etnisch of sociaaleconomisch bijvoorbeeld) hangt dan juist af van de meer substantiële achterliggende ideologie: ‘Uit de combinatie van populisme en overkoepelende ideologie volgt een specifieke invulling van “volk” en “elite”’. Terwijl rechtspopulisten zich doorgaans nationalistisch opstellen, bekennen linkse populisten zich in de regel tot een bepaalde vorm van socialisme. Hoe ze ook nader wordt gepreciseerd, de tegenstelling tussen volk en elite krijgt altijd een stevige morele lading: het volk is zuiver en belichaamt het goede, de elite is corrupt en neigt sterk naar het kwade – naar louter eigenbelang, zakkenvullerij, nepotisme…

Het derde en laatste element in de tegelijk heldere en breed ingeburgerde definitie waarvan Mudde en Kaltwasser in Populisme vertrekken, is de idee van een homogene volonté générale of eengemaakte volkswil. De elite is daarvan vervreemd, wat niet kan in een democratie die stoelt op de idee van volkssoevereiniteit. De populistische beweging of partij wil de algemene wil dan ook opnieuw in de politieke ruimte laten weerklinken. Vandaar veelgebruikte vocale metaforen als ‘de stem van het volk’, die uit zichzelf niet per se heel forte klinkt: de populistische politicus beroept zich nogal eens op ‘de zwijgende meerderheid’. Juist door deze nadruk op volkssoevereiniteit en de vertaling daarvan in een algemene wil, kan het populisme een bij uitstek moderne ideologie heten. Cruciaal is dat het in navolging van Jean-Jacques Rousseau een scherp onderscheid maakt tussen een als homogeen voorgestelde volonté générale en de volonté de tous, de wil van allen of de loutere opstelsom van individuele politieke keuzen. De populist zegt op een onbemiddelde, directe manier dé volkswil te representeren (terwijl hij die uiteraard feitelijk discursief mede articuleert of construeert) en hoeft daarom niet meteen de meerderheid van de stemmen te behalen. Dat laatste helpt natuurlijk wel om de legitimiteit van het eigen discours te vergroten, maar het is eerder uitzondering dan regel dat een populistische leider of partij bij verkiezingen meer dan vijftig procent van de stemmen of zetels binnenrijft (het hangt natuurlijk mede af van het vigerende kiessysteem).

Grensproblemen

Volk, elite en algemene wil: conceptuele schraalhans oogt koning, maar met deze drie minimale ingrediënten valt te koken. Enerzijds krijg je er grip mee op het ideologisch veelvormige fenomeen populisme, anderzijds laten ze toe om dat schijnbaar duidelijk af te lijnen van andere politieke kaders als het elitarisme en het pluralisme of meer specifieke ideologische vertogen als het communisme (dat niet het verschil tussen volk en elite, maar het klassenantagonisme uitvergroot). Toch blijven er onmiskenbaar grensproblemen bestaan, zo leert het tweede hoofdstuk ‘Populisme wereldwijd’, dat een beknopt overzicht biedt van zowel de ups en downs van het populisme als zijn gevarieerde verschijningsvormen in de Verenigde Staten, Latijns-Amerika en Europa, met aanvullend nog een paar uitstappen richting Australazië en Afrika. Mudde en Kaltwasser kunnen er met name moeilijk omheen dat de grens die het populisme scheidt van het communisme, het nationaalsocialisme of het fascisme geregeld flinterdun is. Ze maken zich daar met enkele zinnen nogal makkelijk vanaf. Binnen het nationaalsocialisme en het fascisme zouden ras respectievelijk staat de plaats van het volk innemen. Dat is een artificieel aandoend argument: je kan evengoed betogen dat het Duitse fascisme een specifieke, inderdaad racistisch-biologische vorm van populisme was. Weinig overtuigend is ook de stelling dat ‘het marxisme-leninisme een sterk elitaire kern’ heeft ‘waarin de Communistische Partij wordt uitgeroepen tot voorhoede van het volk (dat wil zeggen de arbeidersklasse), dat eerder een volgende dan een leidende rol heeft.’ Zowel in de geschriften van Vladimir Lenin als (nog veel meer uitgesproken) in het maoïsme bijvoorbeeld, ging tijdens mobiliserende fasen – ook toen de Communistische Partij al aan de macht was – de catch all-notie van volk die van klasse overvleugelen, mede vanuit het strategische streven naar coalitievorming tussen boeren en arbeiders.

Dat Mudde en Kaltwasser over deze demarcatiekwesties zo licht heen stappen, houdt behalve met het inleidende karakter van hun boekje vooral verband met twee manco’s die wel vaker zijn terug te vinden in de sociaalwetenschappelijke populismeliteratuur (zie ook de recensie van Jan Blommaert van Jan-Werner Müllers Wat is populisme?). Aan de ene kant koersen Mudde en Kaltwasser impliciet op ingeburgerde of consensuele onderscheidingen, zeg maar common sense-definities van bijvoorbeeld communistische of fascistische partijen als op zichzelf staande fenomenen. Ze willen als het ware hun omschrijving van het populisme niet zodanig hardnekkig doorzetten dat ze daardoor ook tot een herdefiniëring van al gelabelde verschijnselen komen. Dat bevreemdt enigszins, aangezien ze in het eerste hoofdstuk laten uitschijnen dat hun ‘ideële benadering’ – bij het populisme gaat het om een wereldbeeld of discours, een representatie van de politieke ruimte – met de drie genoemde elementen de essentie van het populisme vat. Je verwacht dan juist dat ze wél lineair hun definitie doortrekken richting bijvoorbeeld fascisme.

Aan de andere kant pendelen Mudde en Kaltwasser zonder veel houvast heen en weer tussen een realistische en een constructivistische of cultureel-performatieve benadering van populistische vertogen. Deels zien ze daarin reële verzuchtingen van boeren of arbeiders weerspiegeld: de meervoudigheid van het populisme heeft te maken met de meer specifieke sociale, economische en politieke situatie waarin het ontstaat en gedijt, in het bijzonder ‘de heersende maatschappelijke onvrede in de betreffende context’. Tegelijkertijd benaderen Mudde en Kaltwasser elk populistisch discours als een retorische constructie die mogelijke – en dus niet: al vooraf bestaande – belangen of eisen van bepaalde groepen actief articuleert en onderling associeert via precies de betekenaar ‘volk’: ‘Populistische spelers zijn experts in het opsporen en politiseren van maatschappelijk ongenoegen’, zo heet het in de zin die volgt op de daarnet geciteerde. Zo’n middenpositie mag academisch plausibel aandoen, ze maakt het zichzelf ook moeilijk omdat ze voortdurend de vraag oproept wanneer de notie van volk representerend dan wel performatief wordt ingezet en, vooral, hoe beide dimensies zich in het populistische appel tot elkaar verhouden.

De populistische leider

In het laatste hoofdstuk, ‘Oorzaken en reacties’, proberen Mudde en Kaltwasser die vraag alsnog te beantwoorden vanuit een nogal simpel vraag- en aanbodmodel. Daarbij dreigen ze tevens in een tautologische redenering te vervallen: veel mensen bekijken het politieke gebeuren al door een populistische bril (genre ‘het parlement is een praatbarak, bedoeld voor wie niks kan en toch veel geld wil verdienen’) vooraleer ze door een populistische leider worden aangesproken. Bepaalde factoren zouden deze populistische kijk en het daarop geënte appel versterken, zoals een economische of een politieke crisis (corruptie bijvoorbeeld), het gevoel dat de zittende politieke partijen en leiders niet luisteren (bijvoorbeeld omdat ze van de Europese Unie of de internationale markten dingen moeten doen die indruisen tegen de electorale wil), en de groeiende impact van sociale media (waardoor informatiestromen minder elitair worden gecontroleerd). Het probleem met deze redenering ligt niet alleen in de veronderstelling dat het politieke bestel te vergelijken valt met een markt, wat behalve van metaforisch denken ook van economisme getuigt.

Minstens even kaduuk is de premisse dat er eerst een structureel gevormde neiging tot populisme bestaat, die vervolgens wordt bediend door een discursief aanbod. De performatieve impact of werking van populistische vertogen wordt zo meteen gerelativeerd: men moet al een beetje ziek zijn vooraleer men door het populistische virus kan worden besmet. In het geding is de algemene tendens in sociaalwetenschappelijk onderzoek naar sociologisme of sociaal ‘infrastructuralisme’. Vergelijkbaar met het marxistische basis-bovenbouwmodel, en daar tegelijk van verschillend, schuift het niet enkel economische maar uiteenlopende sociale factoren onder culturele of discursieve fenomenen. Betekenisgeving, bijvoorbeeld van de kant van politieke discoursen, wordt als ‘zacht’ weggezet ten faveure van als ‘hard’ gelabelde variabelen, waarvan het specifieke karakter wisselt met het onderzochte fenomeen (maar de ongelijkheid in onderwijskapitaal of scholingsgraad is een klassieker, ook in het populismeonderzoek). Merkwaardig dat zoveel sociologen de elementaire les van Max Weber, toch een van de grondleggers van de sociologie, blijven terzijde schuiven. Die benadrukt de variabele wisselwerking tussen materiële en ideële factoren: de eerste creëren een context waarin ‘teksten’ hun werk kunnen doen, maar dan zodanig dat ze die context via specifieke vormen van betekenisgeving ook mee kunnen veranderen.

Dat van populistische vertogen effectief een wervende kracht kan uitgaan, illustreren Mudde en Kaltwasser zélf meermaals in ‘Populisme en mobilisatie’, het derde hoofdstuk van hun boek. Ze laten aan de hand van een goed bruikbare driedeling zien hoe het populistisch appel politiek-maatschappelijk gestalte krijgt: top-down via personalistisch leiderschap, bottom-up dankzij sociale bewegingen als de Tea Party of Occupy, of als een combinatie van beide binnen een politieke partij. De leider zegt op een directe, niet gemedieerde manier het volk en haar wil te verpersoonlijken, reden waarom hij nogal eens zijn naam geeft aan de met hem gelieerde beweging of partij (zie het peronisme of Lijst Pim Fortuyn) en tevens de door hem aangevoerde organisatie als een louter electoraal, centralistisch bespeeld instrument hanteert: de andere verkozenen moeten de leider volgen en zich plooien naar diens luimen en beslissingen. De kans op het soort van interne acclamatiedemocratie waarbij de wil van de leider wet is, ook als hij tijdelijk wispelturig doet, is beduidend kleiner binnen populistische bewegingen dan dito partijen, zo benadrukken Mudde en Kaltwasser terecht. Ze neemt nog verder af wanneer de voortrekker van een beweging openlijk politieke ambities begint te koesteren door een eigen partij op te richten (de blijvende spanning tussen de Spaanse Indignados-beweging en de Podemos-partij van Pablo Iglesias Turrion is daar een goed voorbeeld van). Tegelijk effenen populistische bewegingen soms het pad voor een dito partij, zo leert het geval Bolivia.

Populisme en leiderschap van het hardere soort gaan hoe dan ook samen: ‘Bij de meeste succesvolle gevallen van populisme is sprake van een sterke leider’. Mudde en Kaltwasser wijden daarom een apart hoofdstuk aan het fenomeen van de populistische leidersfiguur. In de regel is dat een man, maar het hoeft niet om een ‘politiek beest’ te gaan. Meerdere populistische leidersfiguren claimen een buitenstaanderspositie, ofwel als vrouw (waarbij vaak behendig wordt ingespeeld op het stereotype van de zorgzame moeder, zie bijvoorbeeld – wie herinnert zich haar nog!? – Sarah Palin), ofwel als entrepreneur (Ross Perot, de schijnbaar eeuwige overlever Silvio Berlusconi, en natuurlijk Donald Trump). De populistische leidersfiguur construeert en cultiveert het imago van een doodgewoon iemand, terwijl hij of zij dat natuurlijk juist niet is. Kortom, populisme is ‘politiek voor gewone mensen door buitengewone leiders die een profiel van gewone man creëren’. Dat klopt, maar dan zou je logisch doorgedacht ook een vierde ingrediënt aan de definitie van populisme moeten toevoegen. Want het gaat dus niet enkel om de driehoek volk, elite en volkswil: nodig is tevens een leider. En ook niet zomaar een: het moet gaan om een buitengewoon iemand met charisma, een man of vrouw die retorisch en anderszins weet te overtuigen, niet het minst emotioneel. Het is inderdaad een van de grootste blinde vlekken in de populismeliteratuur, die ook Mudde en Kaltwasser tot op zekere hoogte reproduceren: populistische politiek is affectieve politiek die zowel discursief als via de gevoerde leiderschapspolitiek eerder het ‘hart’ dan het ‘hoofd’ adresseert.

Populisme en (ont)democratisering

Mudde en Kaltwasser stappen soms ook nogal licht heen over de spanning tussen populisme en politieke vertegenwoordiging. Uiteraard klopt het dat populisten hun eigen ‘vertegenwoordigers van het volk’ aan de macht willen zien. Maar er zijn ondertussen legio voorbeelden, zowel in Latijns-Amerika (recent nog Venezuela) als Europa (Hongarije), die aantonen dat populisme en democratie lang niet altijd met elkaar rijmen. Juist omdat ze in naam van de volkswil zeggen te regeren, neigen populistische leiders er nogal eens naar om het niet zo nauw te nemen met de liberaal-grondwettelijke rechten en vrijheden. Vooral bij een sterk presidentieel regime kunnen die autoritaire tendensen al snel gaan overwegen omdat zeer veel macht bij één iemand zit. De legale pijler van de democratie moet het dan in naam van een substantiële interpretatie van de notie van volkssoevereiniteit afleggen tegenover de pijler van volksvertegenwoordiging : de rechtsstaat verkruimelt onder de druk van één leider die beweert een als homogeen voorgestelde volkswil te incarneren. Deze ‘populistische democratie’ staat in het teken van een dubbel fantasma van eenheid: het éne, door sociale noch culturele verschillen getekende volk enerzijds, de versmelting van dat volk met de ene leider anderzijds. Een zekere totalitaire verleiding zit dan ook ingebakken in het populisme, vooral dat van rechts-radicale snit. Een discours dat de politieke ruimte in het teken stelt van eenheid valt gewoonweg moeilijk te verzoenen met de liberaal-democratische nadruk op een nooit op te heffen pluraliteit. Of zoals Claude Lefort het stelt: de democratie is ‘een lege plek’ waarin de verschillende actoren zich wel beroepen op de demos of de wil van het volk, maar die tevens vanuit divergerende opvattingen over het algemeen belang verschillend invullen. Vanuit een substantiële opvatting over het volk tendeert elk populistisch vertoog ernaar om dit pluralisme te contesteren, zoal niet te negeren of – nog een stap verder, en nog erger – te onderdrukken.

Mudde en Kaltwasser beargumenteren in het hoofdstuk ‘Populisme en democratie’ op goede empirische gronden een interessante middenpositie die het populisme niet per definitie in het democratisch verdomhoekje plaatst. Al naargelang de politieke context kan populisme positief of negatief op processen van democratisering uitwerken, althans voor zover we die ijken aan de hand van de maatstaf van de liberale democratie, met haar zonet al genoemde twee pijlers van volkssoevereiniteit (electoraal en parlementair: de meerderheidsregel) en legalisme (grondwet en rechtsstaat die bijvoorbeeld de mening van het singuliere individu beschermen tégen de opinie van de meerderheid). ‘Kort gezegd is populisme in wezen democratisch, maar in strijd met de liberale democratie’, zo merken ook Mudde en Kaltwasser in lijn met het zonet gezegde op:

In de praktijk beroepen populisten zich dikwijls op het beginsel van volkssoevereiniteit om kritiek te leveren op de onafhankelijke instituties die bedoeld zijn om de fundamentele rechten te beschermen die inherent zijn aan het liberaal-democratische model.

Daarbij moeten gewoonlijk de rechterlijke macht en de media het ontgelden, wat kan resulteren in een illiberal democracy. Populisme heeft echter ook positieve effecten, in het bijzonder een verhoogde politieke participatie of betrokkenheid – althans binnen het ‘zuivere’ volk, versta de autochtone meerderheid – via het agenderen van kwesties die de zittende elite negeert of van secundair belang vindt, zoals de gevolgen van migratie en, breder, van economische globalisering of politieke transnationalisering.

Doorslaggevend voor de democratiserende dan wel ‘ontdemocratiserende’ effecten is de directe politieke context: ageert een populistische beweging of partij binnen een kader van volledig autoritarisme, van competitief autoritarisme (met beperkte mogelijkheden voor de oppositie), van electorale democratie (met verzwakte juridische instellingen) of van liberale democratie? Wisselende omstandigheden creëren variabele uitkomsten: naargelang van de context kan populisme zorgen voor liberalisering (van volledig naar competitief autoritarisme), een democratische overgang (van competitief autoritarisme naar electorale democratie) of een democratische verdieping (van electorale naar liberale democratie). Tegelijk zijn onder invloed van populistische partijen omgekeerde bewegingen van ‘ontdemocratisering’ mogelijk: van democratische uitholling (de afbouw van juridische evenwichten, zie Hongarije) naar democratische afbraak en repressie (Mudde en Kaltwasser noemen dat laatste eerder uitzonderlijk, maar het huidige Venezuela is helaas a case in point). Met deze typologieconstructie en het erop geënte aflijnen van mogelijkheden, waarmee Mudde en Kaltwasser grip proberen te krijgen op de verhouding tussen populisme en democratie, belanden we inderdaad in academische medias res. Nuance is de boodschap, eenduidigheid wordt gemeden. Dat maakt juist ook de sterkte van de gegeven beschouwingen over populisme en democratie uit: context is everything, je kunt het populisme niet alleen maar ijken aan de hand van de maatstaf van de liberale democratie en haar dubbele pijler: ‘populisme (heeft) normaliter een democratiserende werking op autoritaire stelsels, terwijl het de kwaliteit van liberale democratieën meestal juist ondermijnt’.

Theorie versus empirie?

Als academische onderzoekers kennen Mudde en Kaltwasser zonder meer hun pappenheimers, wat resulteert in een heel informatief boekje dat past in de reeks ‘Elementaire Deeltjes’ van Amsterdam University Press (de oorspronkelijke, gelijktijdig uitgegeven Engelstalige versie werd gepubliceerd in de bekende ‘Very Short Introductions’-reeks van Oxford University Press, wat kwaliteitscontrole via peer review garandeert). Toch heb ik een kleine reserve. Als voornamelijk empirisch ingestelde studaxen focussen de auteurs in de eerste plaats op recente ontwikkelingen en koersen ze daarbij qua voorbeelden ook nog eens op een breed ingeburgerde consensus over wat wel en wat geen populisme kan heten. Dat zorgt voor een tweevoudige verschraling. Enerzijds mis ik, zoals eerder al gesuggereerd, een historische insteek annex contextualisering waarin fenomenen als het fascisme of het maoïsme worden herlezen vanuit de huidige discussies over populisme. Door de steeds groter wordende kloof tussen politieke historici en politieke wetenschappers zijn de meeste populismeonderzoekers vaak onwetend over de mogelijke voorgeschiedenissen van het hedendaagse populisme (door de sterk gestegen publicatie- en werkdruk hebben ze ook geen tijd om deze lacune te remediëren). Wat in Populisme wordt gezegd over de oorzaken van het populisme en de verhouding ervan met de liberale democratie komt daarom af en toe als weinig historisch geïnformeerd over. Anderzijds is er de consensuele gerichtheid, het zich oriënteren aan de ingeburgerde eenstemmigheid over wat wel, wat geen populisme is. Daardoor worden soms voor de hand liggende interessante vragen omzeild. Is bijvoorbeeld niet ook Recep Tayyip Erdoğans AKP een populistische partij? En zo niet, waarom niet?

Met de no-nonsensehouding van Mudde en Kaltwasser spoort ten slotte ook een enigszins iele theoretische benadering die de ideologische smalheid van het populisme dreigt te verdubbelen. Theoretisch gezien is Populisme eerder een zwaktebod. Naast de reeds gesignaleerde mankementen vallen twee algemene conceptuele tekortkomingen op. In de eerste plaats zou je verwachten dat de idee van het populisme als dunne ideologie die vooral via andere -ismen een concrete gestalte krijgt, zou leiden tot het onderscheiden en bespreken van meer specifieke subtypen als het rechts-radicale etnopopulisme van nationalistische snit, het sociaaleconomisch populisme van linkse signatuur en het ‘common sense’-populisme in het midden (er zijn nog andere mogelijke typen, zoals het religieuze populisme à la Erdoğan). Aan dat soort subtypologie komen Mudde en Kaltwasser dus niet toe. In de tweede plaats gaan ze wel héél minnetjes om met de erfenis van Ernesto Laclau, terwijl die onder meer in On Populist Reason (2007) toch de tot nog toe belangrijkste poging heeft gedaan om het populisme door te denken en niet enkel te beschrijven; het te theoretiseren en niet alleen te inventariseren en van enkele kritische kanttekeningen te voorzien vanuit een moreel-politieke bezorgdheid over ‘de crisis van de liberale democratie’. Dat Laclau-manco vind ik nogal onverteerbaar. Zo moeilijk is het toch niet om in een inleidend boekje te laten zien hoe de notie van volk discursief wordt geconstrueerd door de belangen van heel uiteenlopende groepen, variërende van bijvoorbeeld weggebruikers tot huizenbouwers of vuilgevoelige stadsbewoners, als principieel equivalent of gelijkwaardig voor te stellen vanuit hun aggregatie onder één noemer – het volk – in relatie tot een ‘blokkerende’ elite? En zo hoog-theoretisch gegrepen is toch niet de idee dat juist daarom diezelfde notie van volk in populistische vertogen noodzakelijk fungeert als een lege betekenaar, een allesbinder die aan contour of betekenis verliest met elke eis méér die wordt voorgesteld als emanerend vanuit de volkswil? Maar toegegeven, tussen empirisch en theoretisch ingestelde sociale wetenschappers gaapt wel vaker een moeilijk te overbruggen kloof, ook dus als het over populisme gaat.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?