cover big

Prometheïsatie

Cin Windey

Over Vuur stelen van Willem van Zadelhoff

Meulenhoff/Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 2008,
ISBN 978 90 854 2145 0 / 240p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 25-08-2009

Bookmark and Share

In de inleiding bij zijn vertaling van Aeschylos’ Prometheus geboeid, stelt Gerrit Komrij een pertinente vraag: ‘Wat is de actualiteit van Prometheus? Wat voor levenskracht bezit zijn gestalte voor óns? […] Wat heeft hij ons, de moderne mens in een verscheurde wereld, nog te zeggen?’ Prometheus mag dan al vaak worden gereduceerd tot het symbool van de hybris, de menselijke hoogmoed, maar is daarmee alles gezegd? Volgens Vuur stelen (2008), de meest recente roman van Willem van Zadelhoff, alvast niet.

Eerst maar even de mythologische basis van het verhaal afstoffen: Prometheus, goddelijke gezant op aarde en leermeester van alle wereldlijke schepselen, wil de mens de gave van het vuur en de kennis schenken. Hij gaat daarom in tegen Zeus’ uitdrukkelijke verbod, ontrooft het vuur met een strohalm aan de zonnegod Helios en brengt het zo naar de aarde. Hierop ontsteekt de oppergod in razende woede en laat hij de oneerbiedige Prometheus vastketenen aan een rotswand in de Kaukasus, waar een arend onophoudelijk aan zijn lever pikt, die elke nacht weer aangroeit.

Ondanks de bemiddeling van de hem gunstig gezinde Okeanos en het smartelijke ‘ach wee’ van diens dochters, weigert Prometheus te buigen voor Zeus’ heerschappij en hem te smeken om genade. Uitgerust met de gave van de vooruitziendheid (het ‘pro’ van zijn naam), voorziet hij immers al het moment van zijn bevrijding: eens zal Zeus’ heerschappij belaagd worden en zal de oppergod zijn hulp moeten afsmeken. In afwachting daarvan, houdt Prometheus (over)moedig vol, maar haalt zich daarmee een ware Apocalyps op de hals, waarin iedereen ten onder gaat. Althans, daar eindigt het bij Aeschylos.

Volgens de Griekse mythologie blijft de mensheid inmiddels ook niet onbestraft. Zeus zendt de beeldschone Pandora naar de aarde, uitgerust met een doos die altijd gesloten moet blijven. Epimetheus, die in tegenstelling tot zijn broer Prometheus alleen oog heeft voor het verleden (het ‘epi’ van zijn naam) en derhalve niet bijster voor-zichtig is, opent nietsvermoedend de doos en onmiddellijk storten zich allerlei verschrikkelijke plagen over de mensheid heen. Slechts één ding kan nog op het nippertje worden gevrijwaard: de hoop.

Hiermee hebben we ongeveer alle mythische elementen op een rijtje gezet die in Vuur stelen worden ingeschakeld. Ze worden er gekaderd binnen de context van de Nederlandse theaterwereld na ’68. Vanuit een artistiek standpunt ondervonden die decennia weliswaar nog de naweeën van ‘Aktie Tomaat’, de roep om brechtiaanse vervreemding, anti-bourgeoisie en marksisties-leninistiese progressiviteit, maar maatschappelijk gesproken baadden ze toch vooral in een sfeer van post-contestatie. Revolutionaire ideologieën verwaterden stilaan tot louter retoriek en werden steeds vaker ingehaald door pragmatisme en desillusie. Tegen die achtergrond zet Van Zadelhoff in op de legende van Prometheus, maar niet door ze louter in een hedendaags jasje te verpakken: veeleer laat Vuur stelen Prometheus in allerlei gedaantes uitzwermen over de personages en de thematiek van de roman. Daarbij worden telkens weer andere invullingen van de klassieke mythe aangereikt en relativistisch naast elkaar gezet.

Een van die terugkerende invullingen schoeit Prometheus bijvoorbeeld op een communistische leest. Opstandigheid ten opzichte van een hogere instantie wordt, via personages als de toneelschooldirecteur Gerrie Lamming en de regisseur Leo Doks, een metafoor voor de klassenstrijd: kennis gemeengoed maken, de hiërarchie ontregelen, en zo een van de pijlers van het kapitalistische machtssysteem onderuit halen.

De interessantste connotaties van de mythe worden in de roman echter uitgewerkt aan de hand van de hoofdpersonages. Onder meer via het personage Bob Moreno, voor wie het stuk Prometheus geboeid functioneert als de heilige graal van zijn carrière. Wat ooit zijn grote doorbraak als regisseur had moeten worden, leidde indirect tot zijn ondergang. Toen Hugo Maris, Bobs uiterst getalenteerde jeugdvriend, zich destijds uit de productie terugtrok om zich voor te bereiden op zijn toekomstige gezinsleven, schortte Bob meteen het hele stuk op. In de daaropvolgende maanden stevende Bob af op een psychologische onttakeling, die uiteindelijk een wel zeer dramatische wending zou nemen.

Van Zadelhoffs roman begint wanneer Bob — 15 jaar later — wordt vrijgelaten uit een psychiatrische instelling. Het wekt de suggestie dat we Vuur stelen kunnen lezen als Prometheus bevrijd, het grotendeels verloren gegane vervolgdeel van Aeschylos’ trilogie (die eindigt met het slechts fragmentarisch bewaard gebleven Prometheus de vuurdrager). De cryptische openingspassages – wat de concrete aanleiding was voor Bobs internering, komt de lezer nog niet te weten – wekken een spanning op die herinnert aan dramatische ironie. Het publiek, in dit geval de lezer, krijgt bij het begin van het verhaal wel de rimpelingen van het water te zien, maar komt er pas later achter wie de steen heeft gegooid, wanneer en waarom.

Er zijn nog meer elementen die de tragediestructuur van Vuur stelen onderstrepen: de roman presenteert zichzelf expliciet als een drieakter, en in de afwisseling van het vertelperspectief weerklinken bij momenten de echo’s van een antiek koor. Gaandeweg wordt bovendien almaar sterker gealludeerd op een tragische afloop, met name wanneer blijkt dat Bobs obsessie voor het stuk en voor Hugo allesbehalve is weggeëbd. De roman laat hiervoor zelfs enkele flarden uit Donna Summers hitje ‘Pandora’s box’ voorbij dwarrelen, als een nonchalante profetie van naderend onheil.

Hoewel hij zichzelf meermaals aanspoort om verder te gaan met zijn leven en – net als Prometheus en Hugo – aan de toekomst te denken, neemt Bob vooral de gestalte aan van Epimetheus: hij blikt voortdurend terug op voorgoed voorbije gebeurtenissen. Soms zijn die banaal van aard, soms regelrecht traumatisch, maar altijd weer gaat Bob op zoek naar het moment dat zijn lot heeft bepaald: ‘Zou het anders gelopen zijn als ik toen een vezelrijk dieet had gevolgd?’, ‘Had het iets uitgemaakt als Bob hem destijds uur en plaats van geboorte had doorgegeven? Wat was hij ermee opgeschoten als hij op dat moment al geweten had wat hem te wachten stond? Zijn eigen ellendige karma’.

Bob doet al wat prometheïscher aan wanneer hij stilaan weer nieuwe plannen maakt, maar ook dan baseert hij die nog altijd op de blauwdrukken van het verleden. Bob zet zijn zinnen namelijk op een ultieme reprise, een uitgesteld eerherstel voor zijn mislukte regisseurscarrière, en ziet daarvoor slechts één mogelijkheid: een opvoering van Prometheus geboeid, mét Hugo Maris in de hoofdrol. Bob beschouwt het stuk niet alleen als een metafoor voor zijn eigen leven, ‘15 jaar vastgeklonken aan een rots’, maar is ook gebiologeerd door de vriendschap tussen Okeanos en Prometheus, die volgens hem alludeert op de heropleving van zijn vriendschap met Hugo.

Via het personage van Hugo Maris worden echter ook enkele volstrekt andere invullingen van ‘het stelen van het vuur’ in de roman geïntroduceerd. Omdat Hugo nooit rechtstreeks aan het woord komt, maar altijd gefilterd door Bobs herinnering, is hij een perfect vehikel voor allerlei projecties. Het maakt van Hugo een al even variabel invulbare mythe als de Prometheus-figuur zelf. Zo is Hugo/Prometheus voor Bob onder meer de anti-elitarist die, via een populaire talkshow, het vuur der kennis ontvreemdt aan wie er meent alleenrecht op te hebben: 

Waarom lezen de meeste mensen geen literaire boeken? Omdat ze te moeilijk zijn? […] Dat vind ik een te makkelijke verklaring. Nee, ik denk dat het te maken heeft met dat we elkaars taal niet spreken. In wezen doet de smartlappenzanger hetzelfde als de dichter. […] Het ene is niet minder dan het andere. En we moeten vooral niet bang zijn dat we minder zijn omdat de massa ons begrijpt. Die angst zit er nogal in bij de culturele bovenlaag. Alsof hun cultuur hun hoogsteigen bezit is, waar niemand aan mag komen. We moeten delen, leren delen.

Met de nevenschikking van al deze ‘prometheïsaties’ van verhaallijnen, mikt Vuur stelen evenwel niet op een complete dekking of een exhaustieve opsomming van alle mogelijke Prometheus-interpretaties. Evenmin gaat het hier om een gratuite vorm van postmoderne Spielerei met klassieke bronnen. De roman reconstrueert in de eerste plaats het verhaal van Bob Moreno, dat kan gelden als een uitvergroting, misschien zelfs een lachspiegel, van onze collectieve fixatie op het verleden. Een hebbelijkheid die nochtans haaks staat op de ons omringende en continu veranderende werkelijkheden, waarin meningen en ideologieën – zo bewijst ons onder meer deze roman – duidelijk wel onderhevig zijn aan een maatschappelijke eb en vloed.

Juist daar schuilt, mijns inziens, meteen ook de meest relevante dimensie van deze roman: bij monde van elk personage dwingt de roman het klassieke verhaal in telkens veranderende ideologisch bepaalde keurslijven, waardoor uiteindelijk komaf wordt gemaakt met elk van hen, en met de illusie dat er zoiets zou kunnen bestaan als die éne intrinsieke waarheid. Elke lezer steelt het vuur van het oorspronkelijke verhaal en geeft het aan een nieuwe interpretatie. Sterker nog, van enige betekenis blijft uiteindelijk bitter weinig over, zoals ook de retoriek van een artistiek of politiek ideaal zichzelf in de loop der jaren hopeloos kan uithollen.

Vuur stelen stelt hardop dezelfde vragen als Gerrit Komrij: ‘Hoe lang kan je een mythe naar de hand van de actualiteit zetten tot ze een sleutel geworden is die overal op past, een passe-partout, […] tot ze, vervolgens, iets krullligs en verwrongens wordt, eerder een kurketrekker dan een sleutel, en ten slotte betekenisloos?’ Die vraag wordt in Van Zadelhoffs geraffineerde, knap geconstrueerde en stilistisch uitgepuurde roman geëxploreerd, maar nooit normatief beantwoord: de figuur Prometheus wordt er door een literaire centrifuge gehaald, zeg maar ‘gecentrifigureerd’, en bestaat slechts in het ongrijpbare composiet van al zijn gestaltes. Met Komrij, nogmaals: ‘Dat is wat met de mythe mag’.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?