cover big

Reanimatie van de ziel

Koen Van Baelen

Over Engelen in regenjas van Roel Bentz van den Berg

Augustus, Amsterdam, 2009,
ISBN 9789045702506 / 192p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 18-11-2009

Bookmark and Share

Overgenomen uit De Leeswolf

Ik moet een jaar of acht zijn geweest. Terwijl ik ten huize van een buurjongen mijn hersens pijnigde over de regels van het spelletje dat deze net zelf had uitgevonden, ging de telefoon. De buurman, een forse en flukse man van rond de veertig, nam op, murmelde iets, legde de hoorn neer, deelde zijn zoontje mee dat diens oma gestorven was, en ging het huis uit. Na dat telefoontje moeten er in de fysieke verschijning van de man allerlei minimale verschillen waarneembaar zijn geweest, maar wat ik zag was vooral dit: mijn buurman was iemand anders geworden. In niets, niets wezenlijks, leek de man die het huis verliet op degene die een halve minuut tevoren de hoorn van de haak genomen had.

Aan deze scène uit mijn jeugd moest ik terugdenken bij het lezen van Roel Bentz van den Bergs Engelen in regenjas. Niet omdat de auteur in deze essaybundel ergens een gelijkaardig tafereel zou beschrijven, maar omdat ik mijn jeugdherinnering tijdens het lezen van zijn stukken voor het eerst overdacht in termen die ik daarvóór al snel als inadequaat van de hand zou hebben gewezen: wat ik hier had gezien, zo durf ik nu rustig stellen, was niet minder dan een indringend beeld van de werkzaamheid van de ziel. Ten diepste geraakt door het overlijden van zijn moeder, had mijn buurman een metamorfose ondergaan die onmogelijk in louter fysieke termen te beschrijven viel. Een zielsverandering.

Ik hoor u zuchten, verlichte medemens. Hoe bestaat het dat aan het begin van de 21e eeuw, een tijd waarin het metafysische ideeëngoed allang naar het rijk der fabelen verwezen is, nog iemand op de proppen durft te komen met een uitgehold begrip als ‘ziel’? Een even groot als zinloos woord is het, een woord waarvan de betekenis voorgoed verpulverd is tussen de harde kaken van de moderniteit. Wie het vandaag nog zonder gêne in de mond neemt, is in het beste geval zeemzoeterig en naïef, in het slechtste lichaamsvijandig, fanatiek religieus of geestelijk gestoord.

En toch. In Engelen in regenjas en eerdere essaybundels van Roel Bentz van den Berg is de ziel alomtegenwoordig, zonder dat de auteur van het daarnet genoemde fraais beticht kan worden. Van metafysische of spiritualistische gedachten is in zijn werk geen sprake, noch heeft hij last van ascetische neigingen of new-ageopvattingen van liefde of verbondenheid. Integendeel: Bentz van den Berg is een zintuiglijk ingesteld schrijver, die zijn ogen en oren goed openhoudt en bovendien sterk ontwikkelde voelhoorns heeft voor de wreedheid van het leven en het unheimliche karakter van de werkelijkheid. Schrijvers als Joseph Conrad, Cormac McCarthy en Raymond Carver, de regisseurs Haneke en Lynch, blueszanger Robert Pete Williams en acteur Harvey Keitel – het zijn maar enkele van Bentz van den Bergs voorliefdes die duidelijk maken dat de ziel in zijn werk geen efemeer of angeliek verschijnsel is. En als er in zijn boeken engelen verschijnen, dan zijn het schabouwelijk geklede zwervers die rondhangen in onderwereldportieken of op straat. 

Maar wat is die ziel dan wél? Bentz van den Berg weet te goed waarover hij het heeft om op die vraag een sluitend antwoord te willen formuleren. De ziel kan uit de aard der zaak niet gedefinieerd worden, ze zou in zo een definitie onherkenbaar zijn. Maar hoe onomschrijfbaar ze ook is, onzichtbaar is ze niet, omdat ze zich vanuit een voor de ratio en het ego onkenbare diepte voortdurend naar de oppervlakte werkt. In kunstwerken, gedichten of muziek bijvoorbeeld, maar evengoed in een beweging, een houding, een stem of een gezicht. Voor al die manifestaties van de ziel heeft Bentz van den Berg een scherp oog en oor. Of hij nu schrijft over soulmuziek (“daar komt het altijd heel erg op aan – het verschil te horen tussen de stem van een Céline Dion of Mariah Carey en die van Aretha Franklin”), de ziel van een woning, de foto’s van Annie Leibovitz, een boeddhistische vriendin, de poëzie van Sylvia Plath, de manisch-depressieve stad Los Angeles, romantische komedies, de schilderijen van Karel Appel (“Elke keer dat je er naar keek vormde zich in de maalstroom van kleuren een ander schilderij en toch ook steeds hetzelfde – alsof ze zich permanent voor je ogen aan het herscheppen waren.”) of de iedereen doorschouwende blik van zijn moeder, telkens toont hij hoe de ziel zich midden in ons leven openbaart.

Met verheven spiritualiteit heeft Bentz van den Bergs werk dus niets van doen. Zijn reanimatie van de ziel steunt helemaal op het inlevingsvermogen en de verbeeldingskracht van de mens, die ons in staat stellen gebeurtenissen tot ervaringen te verdiepen en die ervaringen een betekenis te verlenen die door onze cartesiaanse manier van denken veelal verloren is gegaan. Daar wordt in Engelen in regenjas af en toe expliciet over gefilosofeerd, maar Bentz van den Berg is op zijn sterkst als hij de werkzaamheid van de ziel toont – in beelden of verhalen. Bijvoorbeeld waar hij schrijft over de in 2007 overleden jazzdrummer Max Roach:

Het begint speels, aarzelend bijna, met een paar plaagstootjes op de snare en tom tom, een aai over een bekken en een schop tegen de bass drum. En dan blijft het opeens weer even stil, op wat quasi-verontwaardigd gesis van de hihat na, en het is precies die stilte waar hij, de drummer, naar luistert – en ook al die tijd met afgewend hoofd naar luisterde en nu op reageert: de stilte in het hart van de melodie, de stilte waar deze en alle andere melodieën uit zijn voortgekomen en weer naartoe teruggestuurd moeten worden om te kunnen helen.

Vraag en antwoord, weet de drummer nog uit zijn gospeljaren, zo krijg je de stilte aan de praat. Je legt ‘r wat voor, die stilte, laat een kleine staalkaart aan patronen over de vellen rollen, roffeltje erbij, kijkt hoe ze reageert, vraagt het voor de zekerheid nog een keer en trekt dan, als dat goed uitpakt, direct stoutere schoenen aan: bom bom bom, trap op trap af, een hink-stap-sprong, een paardensprong, een tapdans over het plafond en al snel is er sprake van een dialoog, die, laag na laag, onvermoede dieptes aan het licht brengt. Hij, de drummer, gooit daarbij zijn hele hebben en houden in de strijd, alle ritmes die hem ooit zijn overkomen. Het geratel van een trein over de voegsporen in de rails, geblaf van een hond in een achtertuin, gebekvecht bij de buren, gestamp in de machinekamer van de nacht, gerinkel van glazen, een repeterend geweer, het hijgen van joggers, het zwiepen van een touw, gekreun van minnaars, meisjesvoeten die hinkelen op het schoolplein. Hij vuurt ze in hoog tempo op de stilte af, luistert kort naar het antwoord, het ritme van de stilte, en vuurt dan opnieuw. […] Net zo lang tot vraag en antwoord, ritme en stilte, in elke klap samenvallen, samen één klap zijn geworden, de klap van één hand, puur ervaring.

Je merkt het: Bentz van den Berg beschrijft de ervaring niet alleen, hij evoceert haar ook. Hier is geen wetenschappelijk essayist aan het woord die de verschijnselen van op een afstand bekijkt, maar een creatief schrijver die met gebruikmaking van alle mogelijke literaire middelen een gebeurtenis van binnenuit beschrijft om ze ook voor de lezer tot een ervaring om te vormen. De ziel van een drumpartij, of wat dan ook, kan in een essay alleen maar zichtbaar of hoorbaar worden gemaakt in een bezielde taal. 

Deze atypische, zeer persoonlijke en literaire essayist doet ook wel eens voorzichtig aan maatschappij- of cultuurkritiek, maar om een beschouwing over de mens, de dingen, de waarheid is het hem uiteindelijk nooit te doen. Als hij op zoek is naar een waarheid, dan is het die van het moment. Dat Bentz van den Bergs essays zo bijzonder zijn, heeft veel te maken met zijn opmerkzaamheid, zijn openheid ten opzichte van “de bezielde mogelijkheden die zich aandienen in de wijze waarop ieder afzonderlijk ding, elke gebeurtenis apart en elk ondeelbaar moment zich aandient” – zoals hij in zijn vorige essaybundel Zapdansen schrijft. In het leven kan die sterk ontwikkelde intuïtie voor de uniciteit van een situatie resulteren in wat Douglas Coupland some random transcendence noemt: “Je stapt, je huidige bestaan beu, op een willekeurig station uit de trein, en wordt als vreemde in een vreemde wereld op slag gelukkig.” (Zapdansen) Bij het schrijven levert het Bentz van den Berg opmerkelijke invallen, creatieve associaties en verrassende perspectieven op.

Het zal geen verbazing wekken dat deze essays niet steunen op rationele analyse of een rigide systematiek. De gedachten van Bentz van den Berg worden niet volgens een causale logica aan elkaar geknoopt, maar waaieren naar alle kanten uit en gaan met verlangens, herinneringen, waarnemingen, gevoelens en dromen een organische verbinding aan. Zo’n associatief denken, dat vooral gevoed wordt door inlevings- en verbeeldingskracht, heeft vanzelfsprekend ook impact op de structuur van deze teksten. Op het eerste gezicht lijken Bentz van den Bergs essays merkwaardige weefsels die erg losjes ineengevlochten zijn, maar nader beschouwd zitten ze vernuftig in elkaar. En als de schrijver steken in het weefsel laat vallen, dan is dat doelbewust. De gaten in de tekst zorgen voor reflectieruimte – dikwijls zijn het raampjes waardoor je even naar je eigen leven kijkt. Na een citaat uit Wittgensteins Philosophische Untersuchungen (“Bedenk […] hoe je iemands gezicht kunt nadoen zonder dat van jezelf in de spiegel te zien.”) staat het er zelfs expliciet: “Ho. Stop. Meer blanco pagina’s, graag. Ruimte om te oefenen met alle gezichten die je je maar voor de geest kunt halen”.

In de late Wittgenstein vindt Bentz van den Berg overigens een onvermoede medestander in zijn apologie voor de ziel. “Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel”, lezen we eveneens in de Philosophische Untersuchungen. En verder: “Wanneer je het gedrag van een levend wezen ziet, zie je zijn ziel”. Ik denk weer aan mijn buurman en weet hoe waar het is.

Het essay waarin Wittgenstein figureert, vormt ook een mooi voorbeeld van de manier waarop Bentz van den Berg diverse onderwerpen en disciplines met elkaar verbindt: persoonlijke herinneringen (aan zijn vader), poëzie (van Wallace Stevens en Bert Schierbeek) en eigen overdenkingen (over onze onterechte angst voor antropomorfisering van het dierenrijk) worden met de gedachten van de Weense filosoof verweven zonder dat het geforceerd aandoet. Dat lukt niet in alle essays even goed – een enkele keer zijn z’n associatiesprongen toch wat al te bruusk –, maar over het algemeen kan je alleen maar bewondering opbrengen voor de souplesse waarmee Bentz van den Berg heterogene elementen (bijvoorbeeld uit de ‘lage’ en ‘hoge’ cultuur) samenbrengt in een ‘bezield’ verband. En ook degenen die zich niet kunnen vinden in zijn aardse mystiek, kunnen niet ontkennen dat hij een voortreffelijk schrijver is, die zich onderscheidt door zijn fijne neus voor compositie, zijn adequate beelden en zijn subtiele taalgebruik. Maar in mijn ogen is Bentz van den Berg behalve een heel bekwaam ook een belangrijk schrijver, omdat hij zijn stilistische en compositorische kwaliteiten inzet voor een missie waarvan de relevantie in onze tijd moeilijk te overschatten is: de herwaardering en reanimatie van de ziel.

De Leeswolf

Overgenomen uit De Leeswolf, jaargang 15 (2009), nummer 8 (november).

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?