cover big cover big

Schaduwwerk

Johan Sonnenschein

Over & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal van Bernard Wesseling

Querido, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789021402390 / 64p.

Over Gezelschapsjongen van Bernard Wesseling

Querido, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789021406213 / 160p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 27-07-2017

Bookmark and Share

De wisseltrofee voor de teleurstellendste derde bundel van de eeuw is momenteel in handen van Bernard Wesseling (1978), vorig jaar gewonnen met & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal. De Gummbahiaanse titel suggereert dat de afgang intentioneel was of tenminste werd beseft. Zelden kachelde een vitaal begonnen jonge dichter (Focus, 2006) zo rap achteruit tot collectioneur van mismoedige vakantie- & stadskiekjes, enkel nog uitblinkend in prozaïsche vormloosheid. Vond ik Wesselings bejubelde tweede bundel Naar de daken (2012) al een stap in de verkeerde richting, hij bevatte degelijke rouwpoëzie met een redelijk boeiende Vatersuche. De opvolger van vier jaar later echter noopt de hoop te laten varen op een dichterschap van belang. Het verlies van de jeugd, het luxeprobleem dertiger te zijn, wordt zwaarmoedig bezongen. Na een mislukte religieuze bekering in Naar de daken luidt het devies onverschilligheid: ‘die pakt niets aan en niets hem’. De dichter preekt sindsdien resignatie in slappe vorm. Uit ‘De dertigers II’:

[…]
ik heb je helder, vriend
maar het gaat vervelen
ik maak het paf-teken en begin je peuken op te roken
denk dertiger ben ik nu zo’n beetje halverwege
mijn verschijning/verdwijning en
wat ik verwacht van de rest is
met geluk toch niet al te binnenkort
die verwekkers op de schop
en dan met een rotgang
mild worden.

Een jonge dichter van nu vraagt terecht: ‘Waarom zo somber?’ Wesseling antwoordt: ‘Omdat ik niet meer de jongste ben.’ In zijn leeftijdslimbo is geluk dat ouders, onthecht ‘verwekkers’ genoemd, nog even wachten met doodgaan. Immers: zo lang je ouders leven ben je kind. Arme dertigers: nog niet halverwege en al klaar met leven.

Mensengeluk

Nemen we de ampersand serieus en lezen we Naar de daken & de dag ligt open als een ei in zijn gebroken schaal als tweeluik, dan kijkt dertiger Wesseling weemoedig over de hoofdstad uit om in te zien dat zijn leven een lege dop is. Media vita: het punt waarop niet enkel mijn generatie opbrandt van de keuzestress. Maar modetermen verhullen het eigenlijke gevaar: verlies van scheppingskracht. Wesselings ambitie ‘mild’ te worden is juist alle creativiteit in te ruilen voor een zolder met flessen, asbak & wasbak. Om daar spaarzaam verzen af te scheiden en de wereld in te zenden. Ziedaar de levensstijl die hij zich het voorbije decennium heeft aangemeten.

Maar hoe moeten we Wesselings titelverwijzing dan lezen, richting de stichter van een dichterstraditie die het nieuwe, frisse, vitale en opene omarmt? Door Gummbah heen schemert de openingsregel van Herman Gorters beroemde kenteringssonnet uit 1898:

De dag gaat open als een gouden roos;
ik sta aan ’t raam en zend mijn adem uit,
het veld is stil, en nauwlijks één geluid
breekt naar het koepelblauw bij tusschenpoos.

En in mijn kamer, als een donkre doos,
waarvoor de parels hangen aan de ruit,
ga ’k heen en weer, tot waar mijn wandling stuit,
en ik bij donkren wand diep peinzend poos.

Ik heb ’t gevonden, het menschengeluk,
al moest ik worden vier en dertig jaar
eer ik het vond, en ging veel trachten stuk
in spannen worstlen en ijdel gebaar.
Maar zoo zeker als daarbuiten de zon de
wereld befloerst, heb ik ’t geluk gevonden.

Ook Gorter dicht over zijn dertigersdilemma, maar pas als hij dat zegt te hebben overwonnen. Ook hij zit binnenkamers, maar peinst net zo lang tot hij zelfverzekerd de zon weer onder ogen kan komen. Het dak af, de kamer uit, de wereld in, om deel te nemen aan het mensengeluk. Vierendertig – de leeftijd waarop Gods favoriet in wolken opging – is niet te oud om opnieuw te beginnen. Geen enkele leeftijd is te oud. Gorter flikte het door zijn decadente dandykleed uit te trekken, door te breken met de Kloos in hem en zich als jonge socialist de nieuwe eeuw in te storten. Los van wat er in die eeuw gebeurde, heeft hij zich als dichter behoed voor stilte of cynisme.

Probleem met de koers van Wesseling is dat hij aanstuurt op wereldverachting, om vanuit veilige binnenruimtes in verzen gebeiteld defaitisme op de mensen af te sturen. Succes verzekerd, want zijn talent is voldoende dit tot een goed einde te brengen. En zich dan te voegen bij het ogenschijnlijk milde midden van de Nederlandse poëzie.

Met een opdracht aan Menno Wigman en een motto van F. Starik trad Wesseling met zijn vorige twee bundels toe tot een specifiek dichtersgilde. Lid is een verzameling Nederlandse mannendichters die zich scharen rond de kist van Gerrit Komrij. Nauwelijks verholen azen ze op diens vacant gekomen plek van bloemlezer-bovenbaas. Als zijn Opvolger werpt Ilja Leonard Pfeijffer momenteel de hoogste ogen, en lost daarmee Wigman af. Onderwijl zitten F. Starik, Erik Jan Harmens, Chrétien Breukers en Pieter Boskma geduldig dan wel grimmig op de tweede rang. Vanuit een schommelstoel kijkt Jean Pierre Rawie meewarig naar het gekonkelfoes. Vanuit hun lijstje aan de muur bezien J.C. Bloem, Nescio en Willem Kloos het getouwtrek grimlachend aan. Ondertussen ziet de God van Nederland dat het zo goed is, want in deze sociëteit is de moraal helder: men blijft altijd somber; men hekelt de natuur; men looft virtuele en veracht reële vrouwen; men schrijft per kwatrijn; men drinkt tot het lijf het begeeft. En soms, des nachts, met open raam, volbrengt men een sonnet. Maar altijd zonder wending. Want er is niets nieuws en onder de zon gaat alles dood.

Slordigheidsdwang

De roman Gezelschapsjongen waarmee Wesseling onlangs naar buiten kwam, voert een motto van Wigman. Het is de derde regel uit het gedicht ‘Toen ik begon te schrijven’ uit diens jongste bundel Slordig met geluk (2016):

Toen ik begon te schrijven woonde ik in een dorp
met vuilwit zonlicht in mijn mond. Alom vrede.
Ik trapte naar de zon en wist niet hoe te leven.

Toen ik begon te schrijven stond het al geschreven
dat ik naar Amsterdam zou komen. Hela, heisa,
ik leefde en ik schreef. Geen regel bleef.

Als zoon van een verziekte generatie sneed
ik sierlijk in mijn vlees. Ja, ik had liefgehad,
ik dronk wat, reisde wat – nog had ik niks beleefd.

Ik geselde mijn geest, zocht het bij Proust en Yeats,
verloor me in muziek en viel toen stil. – Later
veel later. De dood stond aan mijn autodeur te rukken

en ik schrok weerloos wakker in een witte zaal.
Toen schopte ik de Schoonheid van mijn schoot
en kwam ik grimmig zingend op verhaal.

Dit gedicht stelt schrijven gelijk aan mislukken in het leven (in plaats van deelname eraan), als schrappen (in plaats van scheppen), als automutilatie (in plaats van geschenk), als impasse (in plaats van creatie). Pas wanneer het schrijven leidt tot stilstand en de Dood zegt dat het welletjes is, schiet de dichter in actie. Om wat te doen? De arme Schoonheid, die in 1945 al zo deerlijk haar gezicht verbrandde maar zich niettemin om dichters bleef bekommeren, ‘schopt’ hij van zich af. Dat maakt haar de oude zon waarnaar hij als jongeling al ‘trapte’. Bijna-dood beleeft de dichter dus zijn finest hour. Hij knipt opgelucht het laatste contactdraadje met het leven door, na eerder al gebroken te hebben met zijn afkomst, de natuur, het mensengeluk en de traditie.

In dit akelige universum is geluk iets waar je slordig mee moet omgaan, want anders wordt het deel van je – word jij deel van iets buiten je. Et voilà dichterlijke macht in de Kloos-Bloem-Komrij-lijn: wat leeft, verbinding maakt, creëert en bloeit – dat moet kapot in een vlucht naar voren (Alles gaat Dood). Deze waarheid als een koe in de oude sloot – daaruit melkt men ook post-Komrij nog volop vettige verzen. Althans: tot het zo verachte lichaam ‘ho’ zegt. De enig beschikbare kentering voor deze dichterssoort is stoppen met drinken (zie ook Rawie). Sindsdien is Pfeijffer ‘geëngageerd’ (Idyllen), is Harmens ‘écht’ (Hallo muur) en ambieert Wigman ‘grimmige’ poëzie. Slordig met geluk is echter verre van subliem, helaas: de bundel klinkt naar goede gewoonte nog weer een tikje welluidender dan zijn toch al sierlijke voorganger.

Waarom zo bewonderd? Wat maakt de Kloos-Bloem-Komrij-traditie zo aantrekkelijk? Is het de zuiverheid van de vorm, zijn het de alliteraties? Is het de opluchting niet mee te hoeven scheppen aan de wereld – anders dan met een volmaakt sonnet? Is het de vrijheid het eigen lijf te mogen vernietigen? Deze vragen stelde ik al naar aanleiding van Wesselings vorige prozaboek uit 2010. Daarin kraakte hij via meeloper ‘Prins’ de inborst van de navolger, de gezel, de epigoon, als het verlangen niet zelf te hoeven kiezen in het leven. Zich aanpassen aan de onaangepastheid: dat is de zelfbedriegende truc van de ‘verziekte generatie’ waarvan Wigman dicht. Q.e.d., want jezelf een ‘kind van je generatie’ noemen is pure keuzeluiheid. Je ziet af van zorg voor jezelf onder verwijzing naar Vadertje Tijdgeest. Volgens Peter Sloterdijk maakt deze manoeuvre ons tot ‘verschrikkelijke kinderen van de moderne tijd’. We bijten de navelstreng met onze biologische afkomst (Wesselings ‘verwekkers’) door en ruilen oude rituelen in voor heersende modes.

Schaduwweduwe

Laat Wesselings werk nu precies draaien om baldadige zoons die met hun afwezige vaders proberen te breken. Ook in zijn jongste roman werkt hij dit oude gegeven uit. De titelheld is een kakelverse vaderverliezer, die met vrouwelijk gezelschap de leegte vult. Veroveren kost hem geen moeite, maar het veroverde is zo contourloos dat de vrouwen virtueel blijven. Daaraan werkt mee dat ze naamloos zijn. De ikzegger verantwoordt dat in zijn enige apostrof:

want stel – stel – dat ik haar, laten we zeggen, Vera zou noemen (haar naam is waarheid), dan is de kans toch groot dat jij, lezer, iemand kent met die naam, een oudtante met artritis misschien, zodat deze tante de hele tijd bevend in beeld gaat staan, ben ik bang.

Deze humor, onaardig jegens vrouwen, familie én chronisch zieken, typeert het gezelschap dat deze jongen zelf is.

Kluun-achtig aan dit boek is dat de mooiste vrouwen zonder opgaaf van redenen voor de bijl gaan. Hun prima inter pares is de vrouwfiguur die geen Vera mocht heten. Zij noemt onze antipathieke ikzegger ‘de gezelschapsjongen’. Hij op zijn beurt doopt haar ‘de schaduwweduwe’. Dit prachtige woord (ook de titel van een gedicht uit & de dag ligt open) beduidt een vrouw die na de dood van haar getrouwde minnaar de bloemen stiekem naar het graf moet brengen – wier rouw dus niet publiek mag zijn. Bekendste schaduwweduwe uit de Nederlandse literatuur lijkt mij Ada Prins, Gorters ‘geheime geliefde’ die pas op Westerveld ontdekte niet de enige te zijn. (Veel later zei Prins: ‘dat was niet góed van de gróte dichter Hérman Górter’).

Wesselings roman doet er een schep bovenop. Aansluitend op de begrafenis van zijn vader schaduwt de zoon diens schaduwweduwe naar haar huis, belt aan en overrompelt haar. Zij staat het toe – de zoon zit achter het stuur van de roman. Een rouwvervangende affaire vangt aan. Of hoe een zoon zijn moeder tot zijn bedrogen minnares maakt:

Door zijn verwekker te vervangen leefde de zoon in zijn verlengde, was één en dezelfde geworden zelfs, en hoefde ook niet meer over de rol van de zoon na te denken die hem slecht afging en nu handig was komen te vervallen, dankbaar ontbrak in de driehoek. Vierhoek, want de moeder was er ook nog.
        Helaas, zij moest hierin ook vertegenwoordigd zijn, al was ze onwetend (haar handelsmerk), en wel als de bedrogen minnares van de zoon. Hier had je de hele travestie.

Zoon neemt vaders plaats in en bedriegt zijn bloedeigen moeder, die rap dementeert. Vaders dood en moeders dementie vervullen de diepste wensen van het verschrikkelijke kind. Dat erft, behalve het overspelige geluk van zijn vader, diens blauwe Jaguar. Precies die combinatie leidt tot zowel hoogte- als dieptepunt van deze kille rouwroman.

Hoogtepunt is de ‘Grote Geluksreis’ in de Jag naar het Zuiden. Deze passage vond ik de enige echt fraaie uit het boek. Eindelijk zet Wesseling zijn formuleertalent eens in voor wat niet dood is. Dat hij ook een geluksauteur is, die zich à contrecoeur verdrinkt in sombermansgepruttel, bewijst een alinea als deze:

Dat hoogtepunt kwam de volgende dag. Landinwaarts omhoog waren we gereden. Zochten een bos uit. Uit de collectie fauna: een paar forse karpers zagen we, stoeiend in een ven. Hun kronkelende ruggen staken boven het water uit als machtige glimmende spieren, in netkousen gevat. Hetzelfde motief trouwens dat we ’s middags op de zijkant van een bootje zagen, als de spiegeling van zon op golvend water. Alles klopte die dag, overal van die lichtzinnige verbanden. En om haar toewijding te laten zien trok Vriendin die avond zwarte netkousen aan en aten we in een restaurant hom en kuit, onder andere. Waarna ik haar, vijfenzestig kilo schoon aan de hak, tegenspartelend, onze kamer in droeg.

Van zulke prozastukken had ik een bundel willen lezen. Die had Schaduwweduwe mogen heten. Het is ’m niet geworden.

Hulpmuze

Het werd een roman en die heet Gezelschapsjongen. Romans lopen af en zelden goed. Niet verrassend dus dat het geluk kapot moet, in een klap die zowel Jaguar als vrouw vernielt. Het leidt niet tot een nieuw Turks fruit (1969) – eerder een witte middenklasseversie van Hoezo bloedmooi (1995). Na de Geluksreis raffelt de ikzegger zijn relaas opzichtig af. Het meta-laagje om de kernaffaire is dat onze tot gigolo verworden bel-ami gaat schrijven. Zijn muze, opnieuw een vrouwelijk sjabloon, heet ongegeneerd ‘de Jonge Muzikante’. Haar taak is de rouwende zuiper aan de pen te krijgen (à la Boskma). Ze fluistert hem zelfs een boektitel in: Avondzon van de amazones. Ook dat boek lezen we niet.

Is Gezelschapsjongen eigenlijk wel een boek? De nonchalance waarmee het is gemonteerd moet intentioneel zijn. Syntactisch sterk maar scenisch zwak en narratief ongeïnteresseerd, is Wesseling slordig met proza. Ter verdediging kan aangevoerd worden dat zijn hoofdpersoon academicus is. Als universitair docent Kunstgeschiedenis schreef hij ’s nachts gedichten, tot zijn dichtader dichtslibde. Na zijn vaders erfenis zegt hij abrupt zijn baan op en valt stil. De impasse wordt pas opgeheven op het dieptepunt. Als hij het in de Bijenkorf aanlegt met een ‘paspop’, zakt hij zo diep als Federico Fellini’s Casanova (1976). Rouw wakkert de doodsdrift aan, die het begeerde object fixeert tot alle leven eruit is geperst. Geruzie is wat rest, op één opvallende uitzondering na: ‘Misschien het enige goede dat we deden was ons bezoek aan de publieke begrafenis van de dichter K.’, staat er op het einde. Aangezien beiden van zowel diens ‘maaksels’ als ‘braaksels’ hielden, moet dit juli 2012 zijn en ‘dichter K.’ wel Gerrit heten. Saillant genoeg besluit de scène met een doorbraak: ‘Na die dienst sloeg ik weer aan het dichten.’ De ontdoken rouw om de biologische vader komt dus vrij na de dood van een literair Vader – waarna het verdriet in poëzie gesublimeerd kan worden.

Schaduwpoëzie

Om het losse zand van Gezelschapsjongen op verhaal te brengen, herlas ik & de dag ligt open – en wist niet wat ik zag. Wesseling blijkt die bundel als een pak yoghurt te hebben uitgeknepen om zijn proza mee te bedruipen. Van twee derde van de gedichten heeft hij zinnen, niet zelden alle zinnen gerecycled. Fascinerend? In elk geval een bewijs dat die bundel extreem prematuur was. Betekenisvol wordt het echter wanneer Wesseling het gedicht ‘Toeval’ citeert in zijn roman, maar deze toeschrijft aan zijn fictieve, dode vader:

De ontelbare pollen die dagelijks door de lucht zwierven in een inversie van herfst, dat ‘feestelijke debuut van zaailingen’ (zoals mijn vader zou zeggen, trompetterend in een zakdoek) was ik in een nieuw, ziekelijk licht begonnen te zien, ‘als de macabere dans van nucleaire neerslag’.
        Einde rampzalig citaat.

Als ik het goed zie, transformeert Wesseling hier een zelfcitaat tot vadermoord. In dat geval legt hij in de roman niemand minder om dan zijn vorige zelf. Hij breekt met zichzelf als dichter van een mislukte bundel en verbrast zijn eigen poëtische erfenis. Consequent is deze werkwijze zeker: een werkelijk verschrikkelijk kind verwerpt ook zichzelf. Deze afzichtelijk afbraak maakt Wesselings recente scheppingen toch nog boeiend – in een literaire pendant van automutilatie.

Dit leidt me tot deze reconstructie: na een eruptie van pats-boemzinnen viel Wesseling als dichter stil. In 2012 herrees hij, geadopteerd door de verschrikkelijke zonen van het fin de XXième siècle. Komrij stierf dat jaar, waarna chaos uitbrak in de Nederlandse dichterskooi. Het gevecht om zijn erfenis werd voorlopig gewonnen door Ilja de Verschrikkelijke, alias Komrij II. De anderen hebben het nakijken. Prins Wesseling dribbelt wat met de meute mee.

Ik verzin niet alles zelf. De ongelauwerde Erik Bindervoet legde dit kikkerlandse hofdrama al bloot in een fabelachtig gedicht uit de geniale bundel De mond van de waarheid (2013). In ‘Tableau de la troupe’ vangt hij de verwarring na de uitvaart van Komrij, alias ‘doctor Boktor’. Iedereen was er, maar slechts een enkeling besefte zijn definitieve verweesdheid, die erin bestaat:

Dat we niemand meer hebben
Om tegen op te kijken,
Dat we er vanaf nu alleen voor staan,
Dat we voortaan alles zelf moeten doen –
Opdat het nieuwe opnieuw ontsta
En weder opsta.

Vanwaar ‘het nieuwe’ zal komen? Niet van de kinderen van Komrij.

Leren zul je, opnieuw

Vanwaar dan wel? Volgens Sloterdijk kun je alleen je leven veranderen door wat hij met een hem kenmerkende hyperbool ‘het meest verloederde begrip van de huidige tijd’ noemt: ‘namelijk, “leren”’. Zijn stelling ‘dat echt leren iets heeft van een bekering’, besluit hij met deze retorische vraag: ‘Is de verdenking niet gerechtvaardigd dat het leren de onbekende god is van wie het destijds in een moment van visionaire duisterheid heette dat alleen zo’n god ons nog kon redden?’

De houding ten opzichte van dit levensveranderende leren zou wel eens de afstand kunnen bepalen tussen de lijn van Kloos-Bloem-Komrij en die van, pakweg, Gorter-Lucebert-Mettes. Speurt de tweede de traditie af op wat kan aansporen tot vernieuwing, de eerste beschouwt ‘leren’ via ‘geleerdheid’ als ‘belerend’: vieze begrippen die je autonomie aantasten. Kenmerkend is wat F. Starik schrijft in Door (2013), de bundel waaruit Wesseling een motto koos: ‘Ik vlieg, maar nergens heen. / Ik prijs mijn huis en zing’. Zijn punchline, ‘Ik ben gewoon’, is het credo van wie de God van Nederland aanbidt.

De wijdverbreide anti-intellectuele keuze om dichtbij huis te blijven, is onlangs inzichtelijk gemotiveerd door Erik Jan Harmens. In zijn post-alcoholistische bekentenis Hallo muur (2014) schetst hij helder zijn dilemma wanneer blijkt dat hij als eerste van zijn familie kan doorleren: ‘Dan zou het lijken alsof ik me een hele meneer voelde, verheven boven de anderen. Door niet te gaan studeren ben ik niet beter, maar blijf ik een van hen.’ Dat deze geweigerde sociale mobiliteit vooral berust op angst, geeft hij eerlijk toe: ‘Ik ga niet naar het VWO en niet aan de universiteit studeren, omdat het onveilig voelt. En er is niemand die zegt dat ik onveiligheid verwar met avontuur.’ Scherp blijkt de hekeling van het ‘leren’ hier gecultiveerde, vaak overgeërfde angst voor het vreemde – voor het ongewisse avontuur dat we ook wel ‘leven’ noemen.

De genoemde kloof is naast literair ook politiek. Hij voert terug op het wederzijds onbegrip tussen wat Joan Williams recentelijk noemde de ‘professionele klasse’ en de ‘witte werkende klasse’. Voor de eerste valt identiteit samen met werk en is opleiding dus niet minder dan zelfverwezenlijking. Maar wanneer zij zichzelf als maat neemt voor de werkende klasse, loopt er iets mis: ‘Meer en beter onderwijs gaat geen banen terugbrengen. “Worden zoals wij” – dat is wat de elite daar eigenlijk mee zegt, alsof de elite de maat der dingen is’. Geeft dit afdoende repliek op Sloterdijks leerstelling? Het streven is dan altijd te blijven leren, maar nooit met dedain te bezien wie daartoe niet in staat is.

Wesseling kiest in deze dynamiek ambivalent positie tussen de professionele en de witte werkende klasse in. Tekenend is dat zijn ‘gezelschapsjongen’ zijn baan aan de universiteit opgeeft en zo breekt met zijn geleerde vader alias ‘de Grote Etymoloog’. In een zeldzame politieke passage laat hij zijn hoofdpersoon nader verklaren:

Ik zeg dat het de fout van bewuste mensen is geweest, en vooral van links, hoewel daar ook veel dommeriken tussen zitten, om één ding over het hoofd te zien: dat intelligentie geen verdienste is, maar eerder een aangeboren eigenschap. En dit is iets wat ieder dom mens wél weet. En vooral voelt. En vaak niet kan uitspreken helaas.
      ‘Dus doe jij het even voor ze?’
      Ik wil alleen zeggen: waarom zouden zij akkoord gaan met de stand van zaken, de praatjes van politici die ze nauwelijks begrijpen, die hen klein houden met hun ‘intelligentie’, dezelfde intelligentie die nou eenmaal mogelijkheden biedt om vooruit te komen, waarom zouden zij akkoord zijn met deze wereld die zegt: jij bent dom, jij hebt geen recht van spreken. Is dat hun schuld?

Hier neemt Wesselings ikzegger het op voor de boze witte werkende man, door uit zijn eigen klasse te stappen. Maar omdat hij zich niet werkelijk met een ander milieu verbindt, dus engageert, richt hij zich opnieuw hoofdzakelijk tegen zichzelf. Mijn wedervraag zou namelijk zijn: waarom weigert iemand zijn aangeboren intelligentie aan te wenden om te leren, en zo op te klimmen naar een positie – niet zozeer institutioneel als wel intellectueel – van waaruit wellicht een verschil is te maken? Waarom zou je verzaken aan de ambitie à la Friedrich Nietzsche of Sloterdijk een zo wijds mogelijke visie te ontwikkelen op je eigen tijd – en je eigen positie daarin? Om niet alleen een passief kind van je tijd te zijn? Te meer als het alternatief is bij de pakken neer te zitten met nog maar weer zo’n heerlijke Westmalle.

Toen bijna-geheelonthouder Gorter bijna honderd jaar geleden recht van treuren had bij het mislukken van zijn zeer verlangde wereldrevolutie, trok hij zichzelf uit zijn crisis omhoog via zijn muze, die hij het Socialisme bleef noemen. Haar liet hij hem toespreken op een manier die laat doorklinken waar het de huidige Wesseling en zijn vaderfiguren aan ontbreekt: tederheid. Juist ook voor de witte werkende mens zingt hij/zij in Liedjes (1930):

Ik leef nu in de arbeiders zelve. –
Ik leef in die wondere zaden,
De groote, de trotsche Arbeiders-Raden. –
Wordt één met hen, één met hen, leeren
Moet gij, mijn Dichter, mijn teere
Opnieuw..

Maak het nieuw. Zit er iets anders op?

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?