cover big

Schreeuwen in mijn eenentwintigste eeuw

Marieke Winkler

Over Vloekschrift van Arno Van Vlierberghe

het balanseer, Gent, 2017,
ISBN 9789079202492 / 48p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 01-04-2018

Bookmark and Share

Het is al meer dan een eeuw geleden dat dada van de grond kwam in café Voltaire te Zürich en precies honderd jaar geleden dat Tristan Tzara schreef: ‘El arte se duerme para el nacimiento del mundo nuevo’ (‘Art is going to sleep for a new world to be born’). Nog steeds spreekt dada, de meest radicale avant-gardebeweging die kunst en leven in Europa grondig wilde vernieuwen, tot de verbeelding. Zij doet dat als synoniem voor een houding die heersende culturele conventies afzwoer, die een voorliefde toonde voor onzinnigheid, die geen kunst wilde voortbrengen maar antikunst bracht. Als een symbool voor regeneratie, een extreme reactie op de waanzin van de Eerste Wereldoorlog, of in de woorden van Tzara als ‘LA HYSTERIA nacida’ (‘the hysteria born’).

Aan dada en Tzara moet ik denken wanneer ik Vloekschrift in handen heb, het debuut van Arno Van Vlierberghe (1990) dat eind 2017 verscheen bij het balanseer, en waarin op de eerste pagina van de openingsreeks ‘De Bastaardkindgedichten’ valt te lezen:

Op onze weg dulden we geen tegenspraak – niet nu. Niet
nu we krijgen wat we vele eeuwen wilden: hysterische poëzie.

Enkele pagina’s later, met wat meer vertwijfeling, klinkt het: ‘Hysterische poëzie, waar blijf je? / Niemand schrijft je.’ Vloekschrift is een krankzinnige bundel. De dichter waarschuwt je al in de slotregel van de bastaardkindgedichten: ‘Je moet dit trouwens allemaal dronken lezen’. Het toont ambitie, want er wordt ondanks alles heel wat van de poëzie verwacht, zoals in de Hugo Claus-achtige frase ‘Een stem een wapen’. De bundel is schreeuwerig (‘Organiseer elkaar. Consolideer elkaar. / Wie komt in opstand, en tegen wat?’) en tegelijkertijd onverbiddelijk zelfreflexief, hyperreflexief, kwetsbaar. Hier spreekt ‘een hyperpersoon, alleen in de ruimte’.

Niet alleen de antagonistische bravoure, ook de vormgeving van de bundel roept reminiscenties op aan avant-gardistisch drukwerk. Vloekschrift is gestoken in een strak en dwingend grafische omslag (van Oliver Ibsen) waarop het woord ‘vloek’ als een typografische donderwolk op je afkomt. Enige grond bieden de stevige letters van ‘schrift’ daaronder. Het is aan de vormgeving af te lezen dat dit schrift(je) de lezer geen troost zal bieden, zoals ook het afwijkende formaat onderstreept (onhandzaam A5, net wat korter dan een A4). We hebben hier dan ook met niets minder te maken dan met ‘het residu van een kaalslag, het stoffige overschot van een experiment in complete ontvorming’, aldus de flaptekst, waarin ‘de grenzen van een genadeloze kill zone’ worden uitgestippeld. Waartoe dit Vloekschrift? Wat wil deze hysterische poëzie van de eenentwintigste eeuw, of in de woorden van de dichter, van ‘mijn 21e eeuw’?

Werk en koopkracht

Vloekschrift bestaat uit drie afdelingen: ‘De zone’, ‘De situatie’ en ‘De methode’. Ze vallen te lezen als verschillende stadia in een proces. We kunnen meegaan met de flaptekst en dat proces aanduiden als ‘ontvorming’, maar dat klinkt mij onnodig abstract in de oren. Ja, de bundel heeft lak aan vaste vormen, en ja het (meervoudige) ‘ik’ wordt aan alle kanten op de fileertafel gelegd, net zoals de omgeving waarin deze ‘ik’ (of veelheid aan ikken) verblijft. Tegelijkertijd ontkom ik niet aan de interpretatie dat de bundel cirkelt rond een heel specifiek (traumatisch?) moment, op verschillende plaatsen letterlijk een ‘midden’ genoemd. Zoals in het eerste deel (‘De zone’), dat naast een beschrijving van de periode die eraan vooraf is gegaan een exacte en feitelijke identificatie biedt van het specifieke moment:

Het is midden oktober 2015 en het stormt enigszins.
Donderdag 15 oktober 2015.
15/10/2015; 18:15.
Binnenkort is het winter.

De volgende afdeling, ‘De situatie’, beschrijft de tijd daarna (meer precies vanaf 2016_12_27_16_29 meldt het eerste gedicht) waarin wordt overgegaan op (een observatie van) de orde van dag of iets wat daarvoor kan doorgaan. Het opvallendste formele kenmerk van de vier gedichten in deze afdeling is de prozavorm. De gedichten komen zodoende, zeker in vergelijking met de gedichten in voorgaande afdeling, rustig en regelmatig over. Een ander rustpunt is de repeterende vraag ‘Wat is de situatie?’. In ‘De situatie’ wordt niet gepraat (‘een Arno wil niet praten’), veeleer beweegt een lichaam zich volgens de logica van werk (‘Ik, werk’) en koopkracht (‘Achteloos en argeloos kopen / wat nog te kopen valt’).

In het slotonderdeel van Vloekschrift, ‘De methode’ (wederom exact gedateerd, nu op 21.02.17) wordt ten slotte komaf gemaakt met het moment. Het midden dat eerder nog werd afgebakend, wordt opgeblazen:

Bouw een omheining, vul ze met opvattingen, doodse ideeën en gal.
Sticht een midden en steek het in brand.

Deze slotregels lees ik als een opdracht die is volbracht. Met de brandstichting is een innerlijk schreeuwen naar buiten gebracht, en met die schreeuw wordt geprobeerd los te breken uit een jonge maar nu al klemzittende eeuw. De lente en zomer komen eraan, of zoals het in een wat flauwe variatie op Herman Gorter klinkt: er is de verwachting van ‘Een nieuwe morgen, een nieuwe valse bard’.

Echt, oprecht, eerlijk

De eerste afdeling ‘De zone’ neemt veruit de meeste ruimte in beslag en vraagt alleen daarom al wat meer aandacht. Anders dan ‘De situatie’ en ‘De methode’ is deze afdeling onderverdeeld in drie reeksen: de genoemde ‘De Bastaardkindgedichten’, ‘De Eurolinesgedichten’ en ‘De Killzonegedichten’. De grotere omvang van dit eerste deel is niet verwonderlijk aangezien deze reeks de grootste tijdspanne omvat: van de eerste steen die in Brussel werd gelegd, naar het sleuteljaar 2015 en het bewuste midden. Dit is het jaar waarin een bewustwording plaatsvindt en de constatering wordt gedaan dat de wereld ziek is: ‘Het is 2015 en overal waar je keek, zag en zie je kanker’. Wrang komisch werkt het rijm in deze passage waar de ziekte wordt gedetecteerd in zowel ‘politici’ als ‘de dure borsten van Angela Jolie’, maar niet in ‘De poëzie’.

Het ware probleem blijkt hier echter niet gelegen in het ziek zijn van de wereld, maar in de onmacht van de verteller zich werkelijk betrokken te voelen bij die toestand. Naast ‘een nieuwe valse bard’ noemt de ik-figuur zich een ‘Westerse lafaard’, een ‘Prachtig frauduleuze criticus’, en wanneer hij zich uitdrukt in de pluralis, benadert ‘de trefzekerheid van onze pose een wetenschap’, waarmee niet alleen de onoprechtheid maar ook een zekere afstandelijkheid wordt onderstreept. Verbonden met de figuur van de lafaard en poseur is echter steeds het wanhopige verlangen naar echtheid, eerlijkheid, eenvoud en transparantie.

Luister eens, jij met je kanker.

Zelden klinkt een stilte zo echt
Zelden voelde ik mij een echte stem.

Er wordt gezocht naar oprechtheid in Gent en daarna in Leipzig, maar gevonden wordt ze niet. ‘Het lukt me niet…’, klinkt het aan het slot van ‘De Bastaardkindgedichten’. Nuchterheid zit in de weg, net zoals de inkapseling in het kapitalistische systeem dat influistert: ‘Van radicale oprechtheid kan je niet leven’. Geen enkele pose kan verbloemen: ‘Ik ben de grootste hypocriet van 2015’.

In ‘De Eurozonegedichten’ is de verteller nog steeds niet ontmaskerd maar spreekt hij wel meer vanuit de positie van het ‘ik’, vanuit ‘mijn eigen stem’. Desalniettemin blijft de dampende woede (soms de kop ingedrukt door excessief drankgebruik) en het impostorgevoel aanwezig, zoals blijkt uit de volgende passage:

Ik voel mij dom en log en een copy cat van mijn vrienden die ook poëzie schrijven.
Ik weet het wel, ik kan mij en mijn varianten fêteren.
Ik wil gemeenschap, en toch winnen.
“Gewoon om te weten hoe het in de mond ligt” schrijven, gewoon om te weten hoe.

Het begrip ‘gemeenschap’ werkt hier als een signaalwoord. Het roept onder meer de ‘Brief over gemeenschap’ van Çağlar Köseoğlu in gedachten, vorig jaar gepubliceerd op nY-web. Hierin schrijft Köseoğlu hoe een ‘wij’ (jonge dichters uit Nederland en Vlaanderen) het begrip omarmde om het versleten begrip ‘engagement’ af te lossen met als doel ‘een nieuwe constellatie van poëzie, politiek en verzet te kunnen introduceren’. Maar zoals in de brief pijnlijk wordt geconstateerd, en zoals volgens mij uit Van Vlierberghes poëzie spreekt, is de belofte van het concept ‘gemeenschap’ in de lucht blijven hangen, uitgehold:

We schaamden ons en voelden ons onbegrepen, met name over de mogelijke exclusiviteit van gemeenschap. Natuurlijk zijn we niet geïnteresseerd in een gemeenschap van dichters (fuck ‘dichters’).

Verhelderend met betrekking tot Vloekschrift is ook de passage waarin Köseoğlu beschrijft wat hij c.q. ‘wij’ op dit moment de urgentste taak van de dichter(s) vindt, namelijk: ‘het schrijven van een poëzie die verder gaat dan het reproduceren van onze impasse’. In Vloekschrift wordt deze impasse te lijf gegaan en expliciet geadresseerd: het woord ‘gemeenschap’ wordt in de mond genomen, opgeschreven in het gedicht, maar daarna weer snel losgelaten. Het achterliggende streven naar een open houding is er, maar het gebruik van het woord dat het moet representeren blijkt inmiddels lijnrecht tegenover de wens naar oprechtheid en echtheid te staan en naar het verlangen inclusief te werken. Het woord wordt zo eerder een kenmerk van de poseur die wil scoren dan een levensteken van een naakt ik. De daaropvolgende beweging, weg van ‘gemeenschap’ en weer richting het verbindingzoekende ‘ik’ – omdat er nu eenmaal niets anders op zit in onze sterk geïndividualiseerde samenleving – ligt daarmee voor de hand.

All balls, no cock?

De reeks ‘De Killzonegedichten’ (hoewel onderdeel van een groter deel dat niet op zichzelf moet worden gelezen) vind ik het sterkste onderdeel van Vloekschrift. De dichter slaagt er hier in de wens ‘echt’ te willen zijn en ‘naakt’ en de soms nogal hooggestemde en ietwat algemene uitroepen (zoals ‘Dit is mijn poëtica’ en de aan Martin Luther King herinnerende frase ‘Dit is de droom’), te laten zien in plaats van alleen te beschrijven of af te kondigen. ‘De Killzonegedichten’ zijn daarbij ook de grappigste van de bundel en scheppen zodoende een beetje lucht in de allesoverheersende zelfreflectie.

Ook in deze reeks treedt het hypocriete personage naar voren, ‘een radeloos defecte man, euro’s voor de ogen’, maar wordt het (‘Een Arno’) op speelse wijze onderzocht. Soms vergeet deze Arno ‘dat hij een penis heeft, tot hij stijf wordt’ (een directe allusie op het motto van de reeks ontleend aan A Tribe Called Quest: ‘What is a poet? All balls, no cock’). De naam Arno wordt keer op keer herhaald en begint al snel te functioneren als een talig anker in een door-en-door chaotische wereld, zoals in de volgende regels onderstreept:

[…] Anticharismatische Arno. Zachte Arno.
Hoogopgeleide Arno. Rijke Arno. Geile Arno. Perverse Arno. Lieve Arno.

Een Arno, duurzaam bewijs van een eindig iets.
Alles chaotisch, alles op zijn plaats.

Of even later, al even tegenstrijdig: ‘Een Arno, een Error! / Een Arno! Een vorm!’.

Als cijfermatige tegenhanger van de naam, vliegen daar tussendoor de saldo-bedragen van de exponentieel groeiende bankrekening van ‘een Arno’: €20.000, €25.432, €37.430, enzovoorts. Ook die geven de illusie van houvast. De vraag ‘Hysterische poëzie, waar blijf je?’ wordt tussen deze getallen gesteld waardoor ook meteen duidelijk wordt waar de vertwijfeling in deze vraag vandaan komt, want hoe kan ‘Het mooiste tijdverdrijf’ samengaan met de wens ‘Het allerliefst van al… / Economisch weerbaar zijn’?

Steeds moet een Arno zichzelf heruitvinden. De ‘zone’ die de naam of het bijbehorende lichaam is, moet steeds open blijven. Dreigt ze een concrete vorm aan te nemen, bijvoorbeeld in ‘meer uniform dan lichaam’ te transformeren of te worden afgebakend door een wal, dan volgt onvermijdelijk een ingreep. In de laatste regel van het gedicht klinkt het niet voor niets dat de wereld wordt binnengetreden ‘als een hooligan het stadion’. Dit maakt de Killzonegedichten spannend: hier beschrijft de dichter zichzelf als killzone én als killer. Hij heeft niet alleen een cock, maar ook ballen.

Gedichten, zones

Het begrip ‘zone’ is een centrale notie in de bundel. Niet alleen met betrekking tot ‘een Arno’ of het lichaam, maar ook met betrekking tot het medium waarin die figuren worden geëvoceerd: de gedichten (wat tegelijkertijd de talige aard van de dichter en het lichaam benadrukt, ze bestaan hier, nu, op papier).

In ‘De Bastaardkindgedichten’ heet het: ‘Ik wil geen gedichten meer, maar zones’, in de ‘De Eurolinesgedichten’: ‘Geen gedichten meer, maar zones.’ Het is nogal een paradoxale uitspraak gezien de titels van de reeksen. In ‘De Killzonegedichten’ krioelt het vervolgens van de zones, ‘Zones vol spijt en woede en liefde en dromen. / Een mannelijke Zone maakt de borst goed nat en huilt naar het stoplicht’. De grenzen van tekst en lichaam lopen door elkaar. De uitspraak ‘Ik wil geen gedichten meer, maar zones’ valt zo te interpreteren als een roep om het begrip ‘dichten’ op te rekken. Het gaat hier niet om dichten in de zin van iets helen of afronden (een lek dichten), maar om, in het dichten, iets open te trekken, poëzie letterlijk ruimtelijk te maken en tot een ruimte te maken. Zo gaat het in de derde en laatste afdeling ‘De methode’ opvallend vaak over ruimtes en plaatsen: om werkplekken en woonplekken, om centrum en periferie, om ‘de maalstroom van koop- en slaapwijken’, om ‘de ruïnes van het mogelijke’, om ‘Een mens, een ding, naakt en alleen, in een ruimte’.

Deze oprekking wordt tevens onderstreept in de relatie die tussen poëzie en hiphop wordt gelegd, niet alleen via het motto (het enige motto in de bundel) van A Tribe Called Quest maar ook in de eerste regels van de bundel waarin staat: ‘Laten we bewonderen hoe Hip Hop het graf van de poëzie delft’. Met hiphop heeft deze poëzie de drive gemeen om een stem te vinden tegen een onderdrukkende realiteit, zoals KRS-ONE in Ruminations (2003) schreef over het ontstaan van hiphop:

Hip Hop is created when inner-city youth can find no external expression that accurately defines their mentality. […] Hip Hop is the true inner-city reality, constantly fighting against the made-up reality of today’s society.

Als we in dit citaat hiphop vervangen door poëzie dan blijkt het net zo goed van toepassing op Vloekschrift.

De referentie aan hiphop, net als de uitspraak ‘Geen gedichten meer, maar zones’, onderstreept de experimentele aard van Vloekschrift. In dit debuut vind je geen gedichten in de traditionele, beperkte betekenis, maar gedichten in bredere zin. Het begrip poëzie wordt opgerekt tot hiphop, tot proza (in ‘De situatie’ op een wijze die doet denken aan het werk van Claudia Rankine onlangs overigens voor het eerst in het Nederlands vertaald door Fiep van Bodegom voor nY), tot het lichaam, tot… eigenlijk alles wat in het blikveld valt, dus ook de bankrekening van een zekere Arno.

Woede

Vloekschrift is schreeuwerig, boos en attaqueert, maar doet dat niet alleen uit balorigheid. Integendeel, voortdurend is duidelijk dat het een kwaadheid is die voortkomt uit onmacht en hopeloosheid. Dit is een debuut dat bij uitstek uiting geeft aan het gevoel klem te zitten. Wat is in deze wereld nog ‘echt’? Hoe kunnen we het kapitalistisch ‘ik’ ontstijgen? Wat is ‘mijn eigen stem’ nog? Is het mogelijk voorbij het individualisme te geraken? Alternatieven zijn niet voorhanden, zelfs het begrip ‘gemeenschap’ is uitgehold en, in de woorden van Köseoğlu, poëtisch kapitaal geworden. Het opnieuw beginnen en schoon schip maken is bovendien al eens gedaan, die avant-gardistische handeling nog eens verrichten, is per definitie een tragische pose: radicaliteit wordt recycling. De woede is het enige ‘echte’ wat zodoende rest en verwordt tot een middel, een poging om een zelfbewustzijn te veroorzaken, een nieuwe ruimte te creëren van waaruit – misschien, toch, hopelijk – alternatieven kunnen worden gedacht.

Over de radicaliteit van dada schreef Hans Richter in zijn mooie retrospectief dada, art and anti-art (1965):

Our provocations, demonstrations and defiances were only a means of arousing the bourgeois to rage, and through rage to a shamefaced self-awareness. Our real motive force was not rowdiness for its own sake, or contradiction and revolt in themselves, but the question (basic then, as it is now), ‘where next?’

Als Vloekschrift via woede en experiment inderdaad een zelfbewustzijn wil veroorzaken dan blijft de vraag: voor wie en bij wie? Richter noemt een duidelijke sociale groep, de bourgeoisie. En ook de hiphop had en heeft een duidelijke ‘vijand’ voor ogen. In deze poëzie blijft het aanwakkeren van het zelfbewustzijn noodgedwongen dicht bij het zelf, er wordt gezocht naar ‘een tastbare vijand’ maar het blijft ‘een eigen oorlog, / geheel de mijne om te verliezen’. Where next?

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?