cover big

Seks met Schelling en Darwin – zonder Freud

Frank Vande Veire

Over Het Schelling-project van Peter Sloterdijk (vert. Huub Stegeman)

Boom, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789024406654 / 224p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 30-04-2017

Bookmark and Share

Vrouwen genieten meer van seks. Of juister: ze zijn fysiologisch voorbestemd om meer van seks te genieten (ook al gebeurt het niet zelden dat vrouwen niet van dat voordeel weten te profiteren). Wellicht wordt deze mening door de overgrote meerderheid van de mannen gedeeld; waarschijnlijk ook, maar dan vaker stilzwijgend, door de meerderheid van de vrouwen. Aan het einde van Peter Sloterdijks (1947) tweede roman, Het Schelling-project, ontdekt een vrouw op de computer van een man dat hij werkt aan een opera over Tiresias, de ziener die door de furieuze Hera tot blindheid werd geslagen omdat hij, die als enige man ook ooit vrouw is geweest, aan Zeus verklapte dat vrouwen wel negen keer intenser genieten dan mannen. De vijf hoofdpersonages in Sloterdijks roman, mannen én vrouwen, schijnen het met Tiresias eens te zijn.

Erotische ontboezemingen

Wat deze oude bekenden samenbrengt, is hun wetenschappelijke interesse in het vrouwelijk genot, meer bepaald in de vraag hoe dat genot evolutionair kan worden verklaard. Vanuit die interesse hebben ze het idee opgevat om samen een onderzoeksgroep op te richten.

De hele roman bestaat uit niets anders dan een mailcorrespondentie. In de eerste helft wordt er heen en weer gemaild opdat iedere deelnemer vanuit zijn of haar discipline het thema van het onderzoek kan afbakenen en specificeren. Peer is een filosoof die aan de universiteit werkt. Kurt, ook filosoof van opleiding, maakt sinds jaar en dag hoogstaande culturele laatavondprogramma’s voor de radio. Guido, de enige die niet de vijftig voorbij is, is etnoloog. Desiree leren we kennen als een erudiete, klassiek geschoolde vrouw met een brede cultuurhistorische kennis. Beatrice, die zich even laat ontvallen dat er bij intellectuelen toch altijd een schroefje loszit, moet het project vooral in goede banen leiden, want uiteindelijk moet het worden voorgelegd aan de Deutsche Forschungsgemeinschaft, door Peer ‘een opvang voor mainstreamers en oplichters’ genoemd.

Peer betoont zich al meteen terughoudend tegenover een interdisciplinaire aanpak. Een project als interdisciplinair presenteren is tegenwoordig vooral een truc om meer geld en aanstellingen voor gelijkgezinden binnen te rijven. De anderen zijn het met Peer eens dat een gezamenlijke, ‘ouderwetse’ passie voor het onderwerp belangrijker is. Uiteraard ziet Peer in dat hun project een ‘neurogynaecoloog’ of een ‘paleo-endrocrinoloog’ zou kunnen gebruiken, al was het maar om hiermee door de jury serieus te worden genomen, maar anderzijds meent hij dat ‘hardwarekennis’, kennis over de evolutiebiologie, het onderzoek niet wezenlijk verder zal helpen. ‘Voor wat ons interesseert zullen wij nooit solide bewijzen in handen krijgen’.

De huiver tegenover een al te natuurwetenschappelijke invulling van het project heeft evenwel vooral te maken met een overtuiging die ieder lid wordt verondersteld te delen, namelijk dat de romantisch-idealistische filosofie van Friedrich Schelling (1775-1854) de leidraad voor hun onderzoek behoort te zijn. Voor het vijftal vormt Schellings natuurfilosofie het referentiekader van waaruit alle kennis die over de vrouwelijke seksualiteit kan worden vergaard, haar betekenis zou moeten krijgen. Deze Schelling-insteek voegt aan de werktitel van het project, die op zich al monsterlijk genoeg klinkt, een rare kronkel toe:

Tussen biologie en menswetenschappen: over het probleem van de ontplooiing van de buitensporige vrouwelijke seksualiteit in de ontwikkeling van hominidenwijfjes tot homo-sapiensvrouwen vanuit evolutietheoretisch perspectief, steeds met inachtneming van de natuurfilosofie van het Duitse idealisme.

Overigens schuwen deze vier alfa’s niet alleen een eng biologische benadering. Onderwerp van hun kritiek en hun spot zijn vooral de cultuurwetenschappen, met hun wollige jargon en politiek correct gemoraliseer. Zo mag een vrouw geen vrouw meer worden genoemd, maar ‘een volgens feminiene patronen gegenderd persoon’. Wanneer het project uiteindelijk door de jury in Bonn wordt afgewezen, is de boosdoener volgens Desiree vooral een feministische post-achtenzestiger ‘die niet kan accepteren dat wij “de vrouw” alleen al in fysiologische opzicht typeerden als een verbazingwekkende bloem aan de boom van het worden’ en niet ‘als een zorgenkindje van de evolutie’. En Kurt maakt zich er vrolijk over dat het sinds de jaren tachtig en vogue is dat de onderzoeker, en natuurlijk vooral de onderzoekster, ‘haar subjectiviteit in het onderzoek inbrengt’ en dat men is beginnen te denken ‘dat vrouwen op een andere manier kennen’.

Niettemin noopt volgens dezelfde Kurt de aard van hun onderwerp tot een ‘subjectiviteitspact’: de deelnemers worden uitgenodigd zo oprecht mogelijk te corresponderen over episodes uit hun seksuele leven die voor het onderzoek relevant zouden kunnen zijn. Al gauw stelt de ongecompliceerde Beatrice iedereen in de schaduw door te bekennen hoe zij een weergaloos hoogtepunt bereikte in een nogal vernederende situatie.

Zulke erotische ontboezemingen geven Sloterdijk de kans een ironisch commentaar te geven op de seksuele revolutie en zijn eigen ervaringen met onder meer de Baghwan-sekte. Onvermijdelijk leiden deze bekentenissen tot allerlei verwikkelingen, waardoor sommige deelnemers hun ervaringen niet zomaar in de groep gooien maar ze richten tot één persoon. Niet zozeer vanwege het seksueel obscene karakter ervan, maar omdat er gevoelens van verliefdheid in meespelen.

Pornoakoestiek

Aangezien het om een roman gaat, heeft de lezer al vanaf het begin door dat hij van het zogenaamde Schelling-project niet méér te weten zal komen dan wat de verschillende deelnemers daarover bij elkaar improviseren. Hun grote hypothese is al vrij snel duidelijk: zolang de wereld, de ‘Natuur’, bestaat, is ze erop uit om uit te monden in het extatische orgasme van de vrouw.

In de jubelende vrouw komt het universum tot zichzelf. […] Ze [de evolutie] was er van het begin af aan op uit om in extase te raken.

Onvermijdelijk krijgt de man in dit verhaal een dienende rol toebedeeld. Naar het einde van de roman toe verschijnt hij als een bedremmeld wezen dat moet aanzien en vooral aanhoren hoe de vrouw geniet, en dat door dit genot voor een raadsel wordt geplaatst. Kurt schrijft Desiree dat hij tijdens een vrijpartij met haar in haar gekerm twee stemmen wist te onderscheiden. Wanneer zij hem hieromtrent zoals verwacht geen helderheid verschaft, schrijft hij, deze keer aan iedereen, dat hij ‘aan de akoestische sporen van de vrouwelijke lust een cantate wijdt zoals nog niemand die ooit heeft gehoord’. In deze ‘pornoakoestiek’ wil hij wel acht types van vrouwelijke extase verwerken. En wanneer Beatrice op het einde één toets van Peers computer aanraakt, leest zij: De negen kreten van Tiresias. Opera in één akte.

De man is dus niet enkel het slaafje dat de vrouw op weg moet helpen naar haar climax, hij is ook diegene die zich, vanuit een soort jaloerse fascinatie, die climax via artistieke weg probeert toe te eigenen, alsof hij met zijn kunst de natuur wil overtroeven.

Misschien is de ultieme zin van de wereld dus niet zozeer de vrouwelijke extase, maar de omwerking ervan tot kunstwerk, voorwerp van een koel-enthousiaste contemplatie. Overigens blijkt ook de vrouw zelf te delen in deze fascinatie voor het vrouwelijke genot. Beatrice bekent dat ze zich de hemel als een geluidsarchief voorstelt. Het is een plaats waar, ‘als op een soort super-YouTube’, al je hoogtepunten ten gehore worden gebracht.

Verzwijging van de psychoanalyse

Uiteraard rijst de vraag waar de auteur met deze roman precies heen wil. Wat heeft de filosoof Sloterdijk met het Schelling-project? Neemt hij zelf de grondhypothese ervan ernstig? Als hij dat doet, dan lijkt het erop dat hij het niet aandurfde om er theoretisch-filosofisch zijn schouders onder te zetten, en dus maar een roman schreef. Dat wil zeggen een boek dat de lezer er bij voorbaat van ontslaat het ambitieuze en gewaagde Schelling-project ernstig te nemen. Als de grondhypothese van het project slechts een hersenkronkel is van oververhitte academici, kan de lezer die hypothese natuurlijk gemakkelijk afdoen als een kapstok waaraan de personages hun erotische ervaringen, fantasieën en speculaties kunnen ophangen.

Als het over vrouwen en seks gaat, kom je met Schelling niet ver. Sloterdijk koos deze filosoof omdat hij de speculatiedrift voedt. De Natuur ligt altijd al met zichzelf overhoop; in de verbijstering van de mens over zijn eigen bestaan wordt de Natuur zich van haar onrust bewust en zoekt ze daarvoor een ontlading. Aan die gedachte kun je met een beetje verbeelding al gauw allerlei gedachten over ‘de Vrouw’ vasthaken.

De grote afwezige daarbij is Sigmund Freud. De hete brij waar in deze roman lustig omheen wordt gebabbeld, is niet zozeer het seksuele, maar Freuds theorie van de seksualiteit. Deze ‘filosofische’ roman is zelfs pas mogelijk door deze consequente verzwijging van de psychoanalyse.

Schellings metafysische speculaties vormen voor het vijftal een dankbaar kader om de erogene genietingen van de vrouw een kosmische doelmatigheid toe te schrijven. Van zijn kant ziet de nuchtere darwinist helemaal geen doelmatigheid; het hele seksuele gedoe van de mens is voor hem een biologisch geprogrammeerde overlevingsstrategie. Alleen de psychoanalyse biedt een theorie over seks als psychische realiteit, en dus een theorie over hoe het seksuele onderhuids ons spreken kleurt.

In een roman waarin men niets anders doet dan praten, voornamelijk over seks, is er voor een theorie over dat gepraat geen plaats. In die zin weerspiegelt het Schelling-project, op een erudiet en cultureel hoogstaand niveau, de manier waarop seks in het algemeen in onze media aan bod komt: ofwel in neodarwinistische stijl, objectiverend, (pseudo)wetenschappelijk, eventueel met een cynisch ondertoontje, ofwel romantisch speculerend. Wat ertussenuit valt, is de psychoanalyse.

Dit is wellicht onvermijdelijk. De psychoanalyse wekt ergernis omdat ze roet in het eten gooit: ze theoretiseert over de seksualiteit als een zaak van subjectieve ervaring en fantasie, en dus ook over onze verhouding tot het ‘raadsel’ van het vrouwelijke genot. Dit is dan ook het grootste mankement van deze roman: vanwege het taboe op Freud blijft al dat getheoretiseer over seks enerzijds vrijblijvend, terwijl anderzijds de intieme bekentenissen nooit werkelijk gênant worden.

Een gebrek dat hiermee samenhangt, is dat de vijf Schellingianen onvoldoende een eigen stem krijgen. Behalve wanneer ze verliefd worden, slaan ze allemaal hetzelfde badinerende toontje aan, waarmee ze laten voelen dat ze niet werkelijk beroerd worden door wat ze zeggen. Dat werkt wel even, maar niet een hele roman door.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?