cover big

Signalement: Bokman van Dean Bowen

David van Oeveren

Over Bokman van Dean Bowen

Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789491921452 / 80p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 17-10-2018

Bookmark and Share

Dean Bowen (1984) is al langere tijd een bekende op de Nederlandse poëziepodia. Hij won in 2015 de Van Dale Spoken Award. Begin 2018 verscheen zijn debuutbundel Bokman, die meteen een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs 2018 in de wacht sleepte. De jury van de C. Buddingh’-prijs, die niet naar Bowen ging, maar naar Radna Fabias, stelde dat de inzendingen van deze editie vernieuwend en geëngageerd waren, twee eigenschappen die erg aanwezig zijn in Bokman. In zijn debuut mikt Bowen immers hoog: hij tracht naar eigen zeggen ‘universele patronen bloot te leggen’ die onze identiteit vormgeven. Bokman schetst immers de consequenties van een koloniaal verleden in een eigentijdse samenleving. Als leidraad gebruikt Bowen zichzelf, een bron van kosmopolitisme en diepzinnigheid: ‘en ze vragen me waar… / en ik claim geen land […] ik ben van gronden Rotterdam en Paramaribo en Linden en Kaapstad / elke thuis is een schoot die een nieuwe mij baart’.

Vormelijk zijn de gedichten zeer verschillend opgebouwd. Sommige gedichten zijn paragrafen die uit een essay uit de postcolonial studies lijken te zijn geknipt. Een ander gedicht bestaat uit een ingescande brief van de moeder van het lyrisch ik waarbij door het wegstrepen van sommige woorden nieuwe zinnen ontstaan; nog andere teksten in deze bundel lijken meer op mindmaps dan poëzie. (Het is mij inmiddels duidelijk waarom Bowen zich op zijn website als ‘psychonaut’ omschrijft.) Stuk voor stuk gaat het om tamelijk oppervlakkige experimenten waarbij de uitgesproken vormgeving weinig significants toevoegt. Inhoudelijk kent Bokman echter wel een interessant uitgangspunt. De bundel stelt eerst scherp op het lyrisch ik, maar naarmate je verder leest, komt het collectief steeds meer centraal te staan. Zo begint de bundel met herinneringen aan een teleurstellende vader in de gedichten ‘DEDDIE, Alle-Vader’ en ‘iii/ Koortsdroom’. De vader van het lyrisch ik wordt beklaagd, berouwd, maar ook begrepen: ‘sommigen kennen niet de luxe van een bijzonder / traumatisch grootbrengen / spoel het uit / en wacht / op verdwalen’. Het is de kunst van het weglaten die generaties lang is opgedrongen. Het is niet alleen, op microniveau, de familie die de kunst van het vergeten als geen ander beheerst, op macroniveau kiest de gehele samenleving er steeds weer voor om ons koloniale verleden te vergeten. Hierdoor schieten woorden letterlijk tekort:

En ik heb je vergeven wat je bent omdat ik

Iedere dag dichter bij jou alsof

Blauwdrukken niet herschreven kunnen.

Het is de aloude les van mensenkennis verwerven door introspectief onderzoek. Hoe vaker ik de bundel las, hoe meer ik die waardeerde. Bokman leert ons dat het juist de traumatische gebeurtenissen in onze levens zijn die ons weer in contact brengen met de unheimliche realiteit. Juist wanneer onze zekerheden, religies, categorieën en verwachtingen in duizend stukken vallen, zien wij waar we staan tegenover de ander. De stap van het individu naar de grotere abstracte entiteiten die in de loop van Bokman gezet wordt, herinnert aan Frank Ankersmit, die stelde dat juist gedeeld trauma mensen samenbrengt, of het nu op het niveau is van de natiestaat of van een etnische enclave. Het belangrijke probleem in de bundel is echter dat het koloniale trauma nog steeds niet wordt erkend binnen de samenleving, wat zelfvervreemding tot gevolg heeft bij het lyrisch ik:

Voorbij de reikwijdte van grootouders,

Klinkt de naam inheems

Binnen dit trauma lijkt Bowen een universeel patroon te vinden. Dit doet hij door middel van ontleding, zoals in ‘.de construct’, waarin het lyrisch ik langs discrepante werelden trekt van etnische enclaves en migratiebewegingen, machtsstructuren die niet binair tegenover elkaar staan, maar zich op een complexe manier tot elkaar verhouden:

een diaspora beweegt and on your
right hand side you’ll find
Chinatown

linksaf. wat de benen moeten
tegenwerken nous sommes

and all het analoge is

romantic ideology. nous sommes

delicate stugheid, die een hedendaags herscheppen
van onze gedeelde etymologie
behoeven

unheimlich, we are

alles wat steden staande houdt
in de riten van five-fingered gods

herders van origami

mensonges, verpakt in seasonal
cadeaupapier. we tend not to dabble in
alchemy nowadays. ongemakkelijk als particulars
of politics nous sommes
de lichamen. mag even alleen dat

we ontvellen ons gemeenschapsgoed,
un grand échec, zijn wij

Onze lichamen, ontveld van gemeenschapsgoed, zouden ons samen moeten brengen in herkenning, ‘un grand échec, zijn wij’, naakt en pathetisch. Een dapper vers: een platitude bijna, die de lezer lijkt uit te nodigen met de ogen te rollen. Toch laat het laatste gedicht van de bundel de lezer met een onbevredigd gevoel achter. ‘iii/ Eden’ beschrijft een uiteengevallen paradijs. Een tuin die geen vruchten draagt en waarin de eerdere transnationale dromen te gronde gaan. We worden uit de hersenschimmen van Bowen gegooid, terug in de realiteit. Alsof Bowen schrikt van zijn eigen optimisme, ‘alsof / Blauwdrukken niet herschreven kunnen’.

Bokman behandelt wel een belangrijke thematiek, maar realiseert die niet altijd even overtuigend in de vorm. Vele gedichten zijn opgebouwd uit haastige zinnebeelden die lang niet altijd in relatie staan tot elkaar. Soms lukt het Bowen op deze manier woede en frustratie over te brengen, maar vaker laat zijn werkwijze de lezer alleen achter in een keten van loze associaties:

een onbehouwen ochtend

dringt haarzelf op aan seizoensluimeringen

terwijl overblijfselen van woestijnen verwijderd

worden van de vensterbank, de geest

onrustig met zijn Kreeftskring-

delirium van eilanden

de Arowakken, verankerd

Bokman lijdt onder overdaad; zo heeft Bowen de neiging overmatig veel ‘mooie’ bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken of op een wat geforceerde manier niet-westerse woorden in zijn verzen te incorporeren. Een ander voorbeeld is ‘Koti’, een gedicht geschreven door een ’onbekende auteur’ die constateert dat door ‘intersubjectieve codering’ van het ‘meerstemmige’ object overleven nog altijd een ‘een relaties tot ketens’ is. Heel vermoeiend, deze theoretisch mank lopende tekst waarin de auteur vooral zijn eigen belezenheid tentoonspreidt. Thematisch is Bokman dus best een belangrijke bundel, maar in een tweede bundel kan Bowen best meer aandacht besteden aan de vorm.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?