cover big

Signalement: De avond is ongemak – Marieke Lucas Rijneveld

Anne van den Dool

Over De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld

Atlas Contact, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789025444112 / 270p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 01-04-2018

Bookmark and Share

Net als in haar gelauwerde poëziedebuut Kalfsvlies (2015) wordt het in haar debuutroman De avond is ongemak al snel duidelijk: Marieke Lucas Rijnevelds (1991) stijl is er een van lange zinnen, die ze met associaties en beeldspraak aan elkaar rijgt. Ook op thematisch niveau zijn er parallellen tussen beide boeken: de dode broer, de ruziënde ouders – en, bovenal, de jas, waarin de ik-figuur ook al in de bundel werd gesnoerd. Dankzij de openingszin ‘Ik was tien jaar en deed mijn jas niet meer uit’ weten we direct dat er wat dat betreft weinig is verbeterd en dat de geschiedenis zich opnieuw, zoals de titel Kalfsvlies ook al aanduidde, op de grens van binnen- en buitenkant zal afspelen.

De avond is ongemak is, explicieter dan Rijnevelds debuut, gelokaliseerd binnen de beklemmende muren van het boerderijleven, een eeuwenoude setting die we in de laatste jaren ook bij andere prozadebutanten van begin twintig aantroffen: bij Franca Treur (Hoor nu mijn stem uit 2017 en Dorsvloer vol confetti uit 2009), maar ook bij Naomi Rebekka Boekwijt (Pels uit 2013) en bij Maarten van der Graaff (Wormen en engelen uit 2017). Voor deze auteurs blijkt het platteland een terugkerend thema in hun oeuvre; de vraag of dit bij Rijneveld ook het geval zal zijn, kunnen we nu nog niet beantwoorden.

De avond is ongemak verhaalt over de tienjarige Jas, die opgroeit in een gereformeerd boerengezin. Al vroeg in de roman wordt het evenwicht in het gezinsleven verstoord door het verongelukken van zoon Matthies. Rijnevelds debuutroman toont hoe ieder familielid in een eigen manier van rouwen vervalt: van de verlamming van Jas’ ouders tot de ontsporing van zus Hanna en broer Obbe.

De boerderij geldt doorgaans als broedplaats voor onuitgesproken emoties: er wordt weinig gepraat, hoogstens wat gebromd. Die stilte laat in De avond is ongemak ruimte voor de lange beschrijvingen die we uit Kalfsvlies kennen, en die onze blik richten op het kleine: de met vliegenresten besmeurde peertjes, de velletjes van de boterhamworst, de boterkrullen tijdens het kerstontbijt. De toon hiervoor wordt al op de eerste pagina gezet:

Die ochtend smeerde moeder ons een voor een in met uierzalf tegen de vrieskou, die kwam uit een geel blik van Bogena en werd normaal gesproken alleen gebruikt tegen kloven, eeltringen en bloemkoolachtige knobbeltjes op de spenen van de melkkoeien. De deksel van het blik was zo vettig dat je hem er alleen met een theedoek af kon draaien; het rook naar gaargestoofd uierboord, dat in dikke sneden besprenkeld met zout en peper weleens in een pan met bouillon op het fornuis stond en waar ik van gruwelde, net als van de stinkende zalf op mijn huid.

De tienjarige Jas (zie ook die eerste zin), via wie we het verhaal tot ons krijgen, trekt zich na het verliezen van haar broer steeds verder terug. Het gevaar lag in dit gezin echter al eerder op de loer: beeldspraak wordt in dit boerengezin ingezet om angst te zaaien. Zo moeten de kinderen zich goed afdrogen, ‘zodat [z]e niet zouden gaan roesten, of erger, gaan schimmelen, als de randjes tussen de badkamertegeltjes’. Wanneer opa bij de dood van oma opmerkt dat alles zuur wordt als iemand doodgaat, verwijzend naar de bedorven slagroom op grootmoeders laatste advocaatje, kan Jas wekenlang niet slapen, geteisterd door het beeld van oma’s gezicht dat druipt van het advocaatgeel. Deze drang heeft het gezin vast ook door de Bijbel ingegeven gekregen: in menig christelijk ondergangsverhaal (‘Je rijkdom en je muziek zijn met jou verdwenen, voortaan zijn wormen je matras en larven je deken’, citeert Jas’ vader uit Jesaja) wordt het figuurlijke – vaak bij wijze van straf – tot het letterlijke gemaakt. Of zegt dit alles meer over het overontwikkelde associatie- en inbeeldingvermogen van Jas, die angstig en ineengekrompen door het leven gaat? Of is dit een wellicht wat uitvergrote weergave van de fantaserende vermogens van het gemiddelde kinderbrein? Een combinatie van beide, waarschijnlijk: een zacht kind in een harde familie.

Het zijn de tot leven gewekte vergelijkingen die Rijnevelds beschrijvingen van Jas’ rouwproces uitzonderlijk invoelbaar maken: van de rolladetouwen die hun uit elkaar vallende lichamen bij elkaar moeten houden tot de dood die wordt vergeleken met een taai tijgernootje dat achter het televisiemeubel is gerold – alles leeft. Ogenschijnlijk lijkt Rijneveld hiermee te verbloemen dat het verhaal dat ze vertelt an sich maar weinig uniek is: een traumatiserende situatie die het zwijgzame karakter van een boerenfamilie aan de oppervlakte brengt, daarover hebben we al eerder gelezen. Maar dan ondervinden we langzaam maar zeker hoe ze hiermee nog iets anders uit het zicht houdt: de hygiënische en seksuele escalatie (vaak in combinatie) van de drie overgebleven kinderen Jas, Obbe en Hanna.

De gekozen plattelandsomgeving is een plek waar het schrijven van Rijneveld goed gedijt, omdat die er de kans krijgt op een wolkeriaanse manier de grenzen van het aangename of gezonde te overschrijden. Dat deed ze ook al graag in Kalfsvlies – een titel die achteraf ook binnen dit thema als een veelzeggende opmars naar deze debuutroman kan worden gezien: daarin vergeleek ze handen met rauwe sukadelappen, werden er schapen aangereden en spatte het bloed soms van de pagina’s af. Opnieuw laat Rijneveld de lezer af en toe sidderen met opmerkingen over pis en vergelijkingen tussen stront en chocopasta – en nu is het, dankzij die plattelandsomgeving, nog meer geoorloofd.

Met het volgen van hoofdpersonage Jas zijn we in een onuitputtelijk fantasierijke en angstige geest gedoken. Hoe minder zij over haar gevoelens kan praten, des te heftiger worden ze in haar binnenste beleefd. Rijnevelds 270 pagina’s tellende beeldspraakwaterval is dus wel degelijk functioneel, maar daarom niet minder overdadig: de symboliek ligt werkelijk overal op de loer. Jas’ Bijbelse opvoeding maakt haar tot een personage dat in elke minieme handeling van zichzelf en de ander een grotere betekenis ziet. In een geladen situatie als de rouw om een kind wordt deze zwaarte al snel te drukkend, ook voor de lezer. Het maakt schrijnende details (‘Sinds zijn dood eten we in een kwartier’, hoe mensen na een sterfgeval eindeloos lang hun voeten blijven vegen) tot onderdeel van een overdadige en uitputtende opsomming.

De moeder die stopt met eten, de overgebleven broer die steeds agressievere trekken vertoont, de vader die terug in zijn autoritaire rol kruipt, het stille meisje dat langzaam maar zeker haar vertrouwen in God verliest – Rijnevelds overdaad aan beeldspraak verhult dat haar personages nogal archetypisch zijn. Waar gedragen uitspraken in haar poëzie de juiste lading kregen, zijn deze aforismen in haar proza te veel van het goede – zeker gezien het feit dat we door kinderogen kijken: ‘Ferm zijn begint bij het tegenhouden van je tranen’; ‘Je moet altijd iets in de strijd gooien als je gered wil worden’; ‘Alles wat ongewild de aandacht trekt moet je verwijderen’, enzovoort. Alleen aan de steeds terugkerende symboliek van de jas die de hoofdpersoon maar blijft aanhouden, wordt nooit een betekenis toegekend. Die laat zich niettemin raden: bescherming tegen de kilte van het ouderlijk huis.

Het was zo mooi geweest als we de oplopende spanning en escalatie ook in Rijnevelds taalgebruik hadden teruggezien. Als de vergelijkingen van een toenemende seksualiteit, viezigheid, bewustzijn van de omgeving doortrokken waren geweest. Ook nu is elke vergelijking raak en origineel, maar die is alleen trefzeker als die wordt ingezet wanneer er iets op het spel staat. Bijvoorbeeld als broer Obbe zijn vingers in Jas’ achterste steekt, en zo de homerische stortvloed aan beelden en tegenstrijdige gevoelens waardoor zij overmand wordt, kan stroomlijnen. Als ze de schaamte die op haar wangen te zien is, vergelijkt met ingekleurde meerkeuzevakjes op een proefwerk, en deze vergelijking doortrekt, waardoor we haar schaamte beter begrijpen. Als ze door middel van beeldspraak uiting kan geven aan het gemis van haar broer.

Hoe knap het ook is, dat Rijneveld voor alles een parallelle beschrijving lijkt te kunnen vinden, niet elke situatie heeft die nodig. In haar volgende roman mag Rijneveld laten zien dat ze ook uitblinkt in andere middelen, zodat ze de lezer minder achterlaat in stilistisch ongemak.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?