cover big

Signalement: hoe de eerste vonken zichtbaar waren – Simone Atangana Bekono

Dewi de Nijs Bik

Over hoe de eerste vonken zichtbaar waren van Simone Atangana Bekono

De Wintertuin & Lebowski Publishers, Nijmegen & Amsterdam, 2017,
ISBN 9789079571543 / 43p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 27-11-2018

Bookmark and Share

‘Het lijkt alsof alles nog druk bezig is te ontstaan: het vuur, het gevecht, het leven zelf, het begin van haar verhaal. Niets is minder waar: in de verte toont zich de rook van een debat dat volop woedt, maar nog moet overslaan op de aanpalende velden zodat niemand het langer kan ontkennen.’ (Uit het juryrapport van de tweede Poëziedebuutprijs Aan Zee)

De bundel hoe de eerste vonken zichtbaar waren (2017) van Simone Atangana Bekono (1991) werd in augustus bekroond met de Poëziedebuutprijs aan Zee. De jury prees de gave van de Nederlands-Kameroense schrijver om vanuit de subjectieve ervaring een groter verhaal te vertellen.

Atangana Bekono studeerde Creative Writing aan de ArtEZ- hogeschool in Arnhem. De bundel is haar afstudeerwerk en werd ook nog genomineerd voor Lang zullen we lezen. Momenteel werkt Atangana Bekono aan haar debuutroman bij Lebowski Publishers, waar ook deze bundel is uitgegeven.

hoe de eerste vonken zichtbaar waren bestaat uit drie delen: ‘wrijving’, ‘ontsteking’ en ‘vonken’ – drie fasen in het proces van het maken van vuur. Hoewel de gedichten allemaal op zichzelf staan, komen ze het beste tot hun recht als je ze achter elkaar leest, of in elk geval als geheel beschouwt, namelijk als fasen in het ontwikkelings- of bewustwordingsproces van het lyrisch ik, een zwarte vrouw.

Al meteen in het eerste deel, ‘wrijving’, bevraagt het lyrisch ik haar eigen identiteit en plek in de maatschappij:

Dat ik alleen besta in het verlengde van het brein van een blanke, westerse man: / ik leen geld van een blanke, westerse man / ik koop toiletpapier voor een blanke, westerse man / ik ben een gedachte-experiment van een blanke, westerse man

Want ik lig dronken op een vloer en hij vraagt wie ik ben / en ik ben in een mal gepropte versie van Kunta Kinte / ik voel geen verbintenis met mijn gegeven naam

Door het sterk verhalende gehalte zou je de bundel ook als een roman in poëzievorm kunnen beschouwen. Trek je deze lijn door en verbind je er een romangenre aan, dan zou je kunnen spreken van een coming of age-roman, of specifieker nog, gezien de thematiek, een coming of color-roman. Hoewel er geen sprake is van zoiets als ‘plot’, en de taal eerder lyrisch dan prozaïsch is, met uitzondering van het middenstuk, vertelt het lyrisch ik via haar persoonlijke relaas een groter verhaal. Namelijk dat van de zwarte vrouw die haar bestaan en identiteit continu moet staven aan die van de witte man. Atangana Bekono’s poëzie brengt dit verhaal niet alleen in beeld, maar maakt het met beelden invoelbaar:

Alle zwarte mensen identificeren zich met gebroken mensen / alle zwarte mensen identificeren zich met verlaten mensen / alle zwarte mensen zijn crimineel

(…)

Negeer de enorme, strak staande blaren op je buik, achterin de auto, krijsend van de pijn op weg terug naar Nederland want onderweg zijn, je ziel verplaatsen, is accepteren dat je tijdelijk niet bestaat en dus bestaat de pijn ook niet

De kracht van deze bundel zit met name in zijn associatieve en affectief geladen karakter. In bovenstaand fragment, afkomstig uit het gedicht ‘IV’, worden zich herhalende generalisaties over ‘alle zwarte mensen’ vervlochten met levendige herinneringen aan momenten van (fysieke) pijn. Een affectieve belevingswereld vol woede, zelfhaat en vermoeidheid doemt op. Het zijn de associatieve, met pijn geladen beelden en de zich herhalende zinnen die haast aandoen als zelfkastijding, die de lezer deze belevingswereld intrekken.

Het tweede gedeelte, ‘ontsteking’, bestaat uit twee brieven. Het lyrisch ik reflecteert hierin op dagelijkse gebeurtenissen en hoe ze zich hiertoe zou moeten verhouden. De twee brieven lijken een soort ‘zelfonderzoek’ op het gebied van sociale, culturele en politiek-maatschappelijke bewustwording.

Zoals gisteren, toen ik met een vriendin voor Café Vrijdag stond te roken en een jongen uit een kleine Peugeot riep: ‘Hé, neger!’, en dat ik zo snel mogelijk na de initiële schok van die vernedering het gesprek wilde hervatten dat over het weer ging. Het kon me heel veel schelen dat hij me reduceerde tot een stereotype, maar het kon me ook heel veel schelen dat er regenwater van het afdakje in mijn wijn viel, en met dat laatste kon ik een stuk beter omgaan.

In bovenstaand fragment wordt niet alleen bij het fenomeen van alledaags racisme stilgestaan, maar ook de eigen belevingswereld wordt nauwkeurig onder de loep genomen. Wanneer woede toe te laten? Een geluid van zelfkritiek wordt geleidelijk aan steeds hoorbaarder, zoals in deze tweede brief, die de aanslagen in Brussel als onderwerp heeft:

Waarom voel ik me niet zoals Hugo Claus zei dat ik me elke dag zou moeten voelen: schuimbekkend van woede om alles wat er om mij heen gebeurt? Is dat dan afstomping? (…) Kan ik me echt alleen maar druk maken over dingen die direct invloed op mij hebben, die ik ervaar? Is empathie iets wat je toelaat, of iets wat je gewoon wel of niet hebt? Laat ik het niet toe? Zou ik het toe moeten laten?

In het derde deel keert Atangana Bekono weer terug naar de versvorm. ‘vonken’, vangt aan met een gedicht waarin het lyrisch ik met een nieuw, of, verhoogd bewustzijnsniveau uit jagen gaat. Gewaar van haar omgeving, het bos, wordt in de aanloop naar het schot de tijd opgerekt. De lezer is getuige van een breekbaar en intiem moment tussen jager (het lyrisch ik) en haar prooi (een ree).

Ja, als lezer zijn we er getuige van hoe het lyrisch ik een nieuw bewustzijn verwerft. In het laatste gedicht van de bundel lijkt dan ook een soort – en ik gebruik hier een narratologische term − catharsis op te treden. De zelfdestructieve woede die het lyrisch ik in het begin van de bundel overspoelde, wordt nu bevraagd op zelfkritische wijze. Woede wordt nu aangeduid als ‘zwart water’, waar drijven hetzelfde als verdrinken betekent:

boven alles vrees ik de bodem van het zwarte water / en boezemt het water mij angst in omdat ik mezelf / in de weerspiegeling van het water makkelijk herken

en ik voel me schuldig / omdat ik me onbegrijpelijk aangetrokken voel tot het zwarte water / zoals wanneer we op de rand van een klif staan / en honderden meters naar beneden kijken

Hoewel pijn volop aanwezig is in deze bundel, vervalt het lyrisch ik nergens in een slachtofferrol, integendeel. De teksten worden voortgedreven door een krachtige, autonome en zelfbewuste stem. Een eerlijke stem, die durft te twijfelen – die niet alleen de ander, maar ook zichzelf kritisch durft te bevragen.

Atangana Bekono onderzoekt via haar poëzie en brieven wat vruchtbare manieren zijn om je tot het debat rondom (seksueel) racisme, Eurocentrisme en de huidige polarisatie te verhouden. Een schrijver die het verhalende met het lyrische durft te verenigen, het subjectieve met het conceptuele en het maatschappelijke, het voelende met het analytische – een grote aanwinst voor de nieuwe generatie maatschappelijk-geëngageerde auteurs.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?