cover big

Signalement: In alle steden. Als koningen en honden – Aukelien Weverling

Thomas Pierrart

Over In alle steden. Als koningen en honden van Aukelien Weverling

Meulenhoff, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789029091169 / 249p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 21-01-2018

Bookmark and Share

‘Dit is het land en hier gebeurt niets.’ Zo luiden de weinig opbeurende slotwoorden van Het land (2013), de derde roman van Aukelien Weverling (1977). Het verhaal speelt zich decennia geleden af en gaat over Betje Overveen, een Hollandse puber die wil ontsnappen aan een eentonig boerendorpje en droomt van een leven in de stad. Met Weverlings nieuwste roman In alle steden maken we niet alleen die ruimtelijke sprong naar de stad; we reizen tevens naar een toekomstwereld. Daar volgen we de beslommeringen van een van Betjes verre nazaten: Bennie Overveen.

Bennies dystopische, naamloze thuisstad, die symbool staat voor ‘alle steden’ op aarde, wordt gedomineerd door de kloof tussen arm en rijk. Haar architectuur weerspiegelt die ‘verticale’ hiërarchie. De stad blijkt onderverdeeld in zones, van de chique, rijke A-wijk tot de verloederde, arme G-wijk. Wie stijgt op de sociale ladder, mag in een hoger gebouw gaan wonen: in A, B en C zijn er flatgebouwen ‘waar men opgestapeld door elkaar heen woonde, werkte en winkelde, met de lift van verdieping naar verdieping sprong’ – een gemakkelijke én duurzame woonwijze die al bestaat. In het midden van de stad ligt een meer, waardoor F-bewoners de hoge C-flats aan de einder zien, ‘een baken van hoop en welvaart’. Bennie is geboren in die F-wijk, maar hoopt op een verbetering van zijn omstandigheden. Elke job tijdens zijn ‘reis naar boven’ is echter tijdelijk, waardoor hij uiteindelijk lager eindigt dan hij begon.

Als uitgangspunt voor een dystopie is dit niet bijster origineel – wat de ruimtelijk-sociale ordening betreft moest ik meteen denken aan J.G. Ballards High-Rise (1975) en de blockbuster In Time (2011). Bovendien verwerkt Weverling in haar roman nog een ander klassiek thema uit het dystopische genre: de dialectiek tussen natuur en cultuur. De wijze waarop ze die thematiek in alle facetten van de roman laat doordringen (de excentrieke personages, literaire verwijzingen en eigenzinnige stijl), zorgt er niettemin voor dat het de moeite loont In alle steden te lezen.

De dialectiek komt onder meer tot uiting in het aloude nature-nurture-debat: wordt ons gedrag bepaald door genetische aanleg of door het milieu waarin we opgroeien? Vandaag de dag opteren vele wetenschappers voor de gulden middenweg, en ook in Weverlings stad lijkt het om een combinatie van beide polen te gaan. De staat labelt probleemburgers enerzijds als ‘Genetisch Gestuurd’ of ‘Genetisch Gemankeerd’ (als alcoholverslaafde ‘narcist met waanillusies’ is Bennie een ‘Specifiek Iemand’); anderzijds wil ze haar bewoners het goede pad op sturen met allerhande levenswijsheden, het Verenigd Christendom (de staatsreligie) en De Verbetering, het controleorgaan waaraan ook Bennie ten prooi valt.

Aanleg en milieu bepalen uiteindelijk ieders ‘hand met kaarten’, de kansen om sociaal te klimmen. Bennie is geboren met een goed ‘hart’ en ‘verstand’; hij groeit op met zijn moeders liefde en vaders cultureel kapitaal. Het geld en de connecties om verder te komen mist hij evenwel. Daartegenover staat zijn jeugdvriend Basel: die heeft nauwelijks verstand of culturele achtergrond, maar wel connecties – ‘Zijn moeder bediende een van die hoge pieten uit de A-wijk’. In de strijd om een studiebeurs wint Basel dan ook, maar hij slaagt er door zijn geringe intelligentie niet in de studie succesvol af te ronden. Zo is het kaartenpakket van alle personages die Bennie ontmoet, wel op een of andere manier ‘foutief’ samengesteld. De Roversdochter (die tegelijkertijd uit Astrid Lindgrens kinderboeken, Georges Seurats schilderij Le Cirque en Giambattista Basiles fabel Le tre cetra ontsnapt lijkt) is verslaafd aan drank en sigaretten en mist de liefde van haar ouders; Matthedeus is een buitenlandse wees die nooit een gedegen opvoeding kreeg; en ook Alfi met zijn ‘geklutste bovenkamer’ heeft weinig culturele bagage. Net die gebreken brengen hen uiteindelijk als gelijken samen in laag-bij-de-grondse kroegen als ‘Crapola’ en ‘Oiseau Bleu’.

De deterministische kracht die uitgaat van nature en nurture roept de vraag op of de mens überhaupt enige controle heeft over zijn leven. Via Bennie biedt de roman daarop een ambigu antwoord. Hij meent weliswaar ‘dat rijk steeds rijker wordt en arm altijd maar arm blijft en dat het níét onmogelijk is dat te veranderen’; het project waarmee hij de stad wil hervormen, gebruikt wél de sturende kracht van milieus. Bennie wil mensen van verschillende komaf door elkaar laten wonen en de armen betere leefomstandigheden bieden, omdat hij gelooft dat de mens ‘een kameleon van zijn omgeving’ is, ‘dat een uitdagende omgeving mensen kan stimuleren om verder te komen’.

Controle over de natuur blijkt evenwel essentieel voor menselijke cultuur. Rijke wijken cultiveren bijvoorbeeld de ‘externe’ natuur (het gras wordt gemaaid, de kerstbomen worden verkocht…) en gebruiken ze naar eigen goeddunken (door het ‘oogsten’ van regen en zon zijn de woningen zelfvoorzienend). Nog meer gaat het in de roman echter om cultuur als beheersing van de ‘interne’ natuur (passies, woede…). Het is die zelfcontrole waardoor we uiteindelijk van dieren verschillen. Iemand die de controle over zichzelf verliest – door eigen schuld of die van anderen – kan men dus onmenselijk, dierlijk of zelfs gek noemen. Het motto van de roman, afkomstig uit George Orwells 1984 (1949), alludeert daarop: ‘It was not by making yourself heard, but by staying sane that you carried on the human heritage’.

Bennie en zijn vrienden missen vaak die controle, en niet alleen als ze door rijken worden gedomineerd. Wanneer Bennie zich tegen beter weten in bezat of wanneer hij Matthedeus op diens strooptochten volgt, krijgt zijn dierlijke natuur de overhand. Zo eindigt hij uiteindelijk ‘stukgebeten door de vlooien en met het vuil van dagen op [z]ijn huid’. Matthedeus wordt voortdurend ‘dol’ genoemd: in een agressieve bui slaat hij Basel in elkaar. Net als in de ondertitel van de roman (‘als koningen en honden’) staat het boek vol vergelijkingen die mens en dier met elkaar verbinden. Ze illustreren zowel de sociale hiërarchie als de toename of het verlies van (zelf)controle: de sloppenwijken zijn ‘een nest vol mieren’; Bennie is Matthedeus’ ‘hijgend hondje’, maar ‘koning’ tijdens het bestelen van armeren…

Toch heeft die wilde natuurlijkheid ook een positieve zijde, die wordt omschreven als ‘onconventionele puurheid’ en bij monde van de Roversdochter refereert aan Jack Kerouacs On the Road (1957): ‘The only people for me are the mad ones’. ‘Gekken’ als Dean Moriarty schikken zich van nature niet naar de gevestigde culturele waarden, wat hen een zekere vorm van vitale blijdschap en vrijheid oplevert. Misschien maakt het hen zelfs nog menselijker dan diegenen die zich steevast proberen te wurmen in culturele frames. Net als die van Sal Paradise in On the Road, heeft de tocht van Bennie dus een negatieve én positieve kant. Zo is ‘Oiseau Bleu’ niet enkel een ‘vogelkooi’ die de beestachtige omgang van de maatschappij met de cafégangers weerspiegelt. Het is ook de geluksvogel uit Maurice Maeterlincks gelijknamige toneelstuk die Bennie en zijn vrienden vinden wanneer ze samen ontsnappen aan de grauwe stad en zich overgeven aan natuurlijke driften, emoties en drank.

De roman weerspiegelt de dialectiek tussen natuur en cultuur ook op vormelijk vlak, zoals reeds blijkt uit de diermetaforen en culturele referenties. In het algemeen is Bennies taaltje een mengvorm van natuurlijke (soms vulgaire) spreektaal en cultureel hoogstaande, poëtische beelden. Die combinatie maakt van de roman een literair huzarenstukje. De Roversdochter, bijvoorbeeld, is ‘een vrouw die je zo heerlijk op je flikker geeft’, even uitzonderlijk als ‘vers uitgepoepte zijde’, maar ook een ‘woestijnbloem’ die ‘het laatste water uit aarde [zuigt], om daarna als pas ontloken krabbenscheer op de woeste atmosfeer verder te dobberen’. De arme ‘verschoten drommels’ uit de lagere wijken proberen elkaar dan weer ‘uit de stront te trekken’, ook al blijft het zwerfvuil van de stad ‘de confetti […] op het treurige feest dat hier leven heette’.

Kortom, door de creatieve taal en aanpak van Aukelien Weverling wordt In alle steden nooit een klassieke dystopische roman. Het boek biedt vele perspectieven, maar wil daarbij geen kant kiezen: de keuze voor natuur of cultuur, positivisme of negativisme… ligt bij de lezer. Dat maakt van In alle steden niet alleen een uiterst plezierige, maar ook erg interessante leeservaring.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?