cover big

Signalement: Rimpelgeweld – Menno van der Veen

Ine Kiekens

Over Rimpelgeweld van Menno van der Veen

Atlas Contact, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789025448820 / 176p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 17-12-2017

Bookmark and Share

Met een tot de verbeelding sprekende titel als Rimpelgeweld stelde Menno van der Veen (1979) in 2017 zijn eerste roman aan het grote publiek voor. Eerder liet Van der Veen al van zich horen als auteur van kort proza, columnist voor NRC Handelsblad en stand-upfilosoof.

Van der Veens debuutroman stelt de ervaringen van vijf dertigers centraal: Kink, Britten, Aniëlle, Richard en Pierre. Omdat ze zich niet thuis voelen in de alledaagse realiteit, creëren ze hun eigen gezamenlijke werkelijkheid tegenover de buitenwereld. Dat doen ze aan de hand van wat ze ‘caleidoscopie’ noemen, hun manier om de werkelijkheid op te splitsen en op basis daarvan nieuwe werelden te scheppen:

‘Je hebt stukjes nodig, voor caleidoscopie,’ zei ze. ‘En als er stukjes kwijt zijn?’ vroeg ik. ‘Dan maken we nieuwe. Dat is geen probleem.’

Maar ik heb er mijn versies van. Ik zou willen dat jij deed wat wij doen. Je knipt je verhalen in kleine stukjes en plakt ze aan stukjes van mijn versies. Zo maak je nieuwe verhalen die ons weer bij elkaar brengen.

We bedreven avond aan avond caleidoscopie. We knipten onze levens in stukjes en maakten er nieuwe beelden mee. We gingen net zolang door tot het niet meer uitmaakte wie wat vertelde, wie wat had meegemaakt. Wij hadden samen duizenden bouwsteentjes en we maakten panorama’s.

Vaak zijn die nieuw samengestelde werelden niets anders dan absurditeiten die een bevreemdend effect creëren:

Britten vertelde niets. Zij hanteerde de caleidoscoop. ‘Je vond een oog in de cappuccino,’ zei ze, ‘er werd vuurwerk in de verte afgeschoten. De varkens gingen alle kanten uit. Rijke Italianen brachten joints naar arme zwervers. […] In het park likken bezopen varkens bier van een groene jurk,’ zei Richard.

De weergave van deze en andere ervaringen van de groep verloopt fragmentarisch. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de structuur. De roman bestaat uit vier delen – ‘Caleidoscopie’, ‘Metamannetje’, ‘Rimpelgeweld’ en ‘Wij zijn voorbij’ – die op hun beurt telkens in korte hoofdstukken zijn opgedeeld. Vaak is een hoofdstuk niet langer dan een pagina en enkele keren neemt zo’n hoofdstuk zelfs niet meer dan één zin in beslag. Zo is elk van de vier delen opgebouwd rond een centraal leidmotief dat in verschillende hoofdstukken letterlijk wordt herhaald en zelfstandig functioneert. In deel twee komt bijvoorbeeld vijf keer een hoofdstuk voor met daarin enkel de zin: ‘Je moet ophouden haar te schrijven. Schrijf mij.’

De herhaling van die leidmotieven zorgt opnieuw voor een bevreemdend effect. Tegelijkertijd creëert die ook een zekere verwarring. Van der Veen laat hier in het midden wie de persoon is die wordt aangesproken. Ook over degene die niet meer mag worden aangeschreven krijgen we geen verdere informatie. We moeten het blijkbaar doen met de aaneengeregen leidmotieven die als een soort stapstenen lijken te fungeren.

Zulke onduidelijkheden komen ook in de andere hoofdstukken geregeld voor. In de eerste hoofdstukken van het eerste deel vernemen we veeleer toevallig dat de persoon aan het woord Kink is: ‘‘Ik heet Britten,’ zei ze. ‘Ik heet Gijsbert,’ zei ik, ‘maar ik word Kink genoemd.’’

Tot wie Kink zich in de roman richt, kan, zoals bij de leidmotieven al is aangehaald, niet met zekerheid worden bepaald. Zo lijkt Kink door het gebruik van imperatieven aan het begin van de roman de lezer aan te spreken: ‘Maak nu een marmeren beeld van een Griekse godin. Het liefst van Pallas Athene. Tuig haar niet te veel op. Een modieuze wapenhelm is voldoende. […] Ik ben je zeer dankbaar. Jij hebt Britten gemaakt.’

Enkele bladzijden verder staat echter de volgende passage waaruit duidelijk wordt dat de lezer niet voortdurend diegene is die aangesproken wordt:

Weet je dat nog? Papa stond asperges te schillen in de keuken en wij kregen slaande ruzie op de veranda. Jij had natuurlijk gelijk. Je schreeuwde, ik staarde in de verte met mijn gedrogeerde kop. Aniëlle riep vanuit de tuin: ‘Ik wil weg.’ Ik had ook gelijk en we stapten in de stokoude Renault van mama en vertrokken.

Het fragment suggereert dat de aangesprokene iemand is die Kink al geruime tijd kent, misschien een broer of zus. Nog enkele bladzijden verder gaat het als volgt:

Elke tweede zondag van de maand bezoek je mama’s graf. Elke tweede dinsdag van de maand ga je bij papa eten. Misschien heb je kinderen. Ik heb geen zin om me dat voor te stellen.

Nergens wordt duidelijk geëxpliciteerd wie deze persoon is. Het zou wel eens kunnen dat precies die persoon aan de grondslag ligt van Kinks beslissing zich uit de buitenwereld terug te trekken en zich over te geven aan een caleidoscopische fantasiewereld. Zinnen als deze suggereren dat in elk geval: ‘Die beelden waren van ons en doordat we ze samen bekeken, veranderde zelfs mijn verdriet van tint.’

De korte hoofdstukken geven meestal niet meer weer dan enkele vluchtige impressies, waardoor ook op inhoudelijk niveau het fragmentarische centraal staat. De lezer wordt daarvan aan het begin van de roman impliciet op de hoogte gebracht, wanneer Kink zichzelf beschrijft: ‘Ik ben gedesintegreerd. Ik ben druppelkunst.’

Desintegratie, gevat in lyrische termen als ‘druppelkunst’ en ‘caleidoscopie’, vormt een centraal thema in de tekst. Daardoor is het niet eenvoudig om een duidelijke verhaallijn te herkennen. In het deel ‘Caleidoscopie’ bijvoorbeeld, lijkt het ontstaan van de groep centraal te staan en de evolutie van de onderlinge verhoudingen van haar leden, naar gelang van de stand van de caleidoscoop:

Zo was het: ik met Aniëlle. Britten met Pierre. Richard. Zo was het ook: Pierre en Richard. Aniëlle en Pierre. Ik. Britten. Zo is het nu: Pierre en Britten en Aniëlle en Richard en ik.

In het eerste deel al blijken er barsten in de groepsvorming aanwezig te zijn, waardoor meteen duidelijk wordt dat de wereld die de groep creëert toch geen ideale uitweg biedt uit de alledaagse realiteit.

Rimpelgeweld karakteriseert zich door een vigoureus taalgebruik. De kracht ervan ligt in het bijzonder lichamelijke en vitalistische woordgebruik in combinatie met de imperatieven en aansprekingen:

Pak nu een grote rijpe perzik. Open je mond. Duw de perzik met kracht tegen je lippen zodat een deel in je mond verdwijnt en de rest van het vruchtvlees van je gezicht druipt en je kleren vuilmaakt. Duw door tot je mond zo vol is dat je nauwelijks meer kunt ademen. Voel je hoe het zoete vruchtvlees je mond volledig in bedwang houdt? Merk je hoe hard je wangen, je tong, je tanden en je lippen moeten werken zodat je niet stikt? Proef je de overrijpe stukjes die als speldenprikken je papillen plagen? […] Zo is het om met Aniëlle te vrijen.

Dat de auteur er niet voor schuwt om de woordenrealiteit naar zijn hand te zetten en zelf woorden uit te vinden, blijkt uit de titel. De term ‘rimpelgeweld’ wordt in het derde, corresponderende deel impliciet geduid. In hoofdstuk VII lees je:

Zie je de rimpels in het laken? Ze ontstaan en ze verdwijnen weer. Kleine vertakkingen blijven even bestaan, als de grote rimpel alweer is verdwenen. […] Je vinger veroorzaakte wat rimpels. De sporen zijn niet zichtbaar: ze betekenen niet meer dan wat je ervan wil onthouden.

De uiteenzetting is typerend voor het hoofdstuk dat net aan deze passage voorafgaat. Daarin vertelt Van der Veen hoe Kink, Aniëlle en twee andere vrienden die niet tot de groep behoren, een gewonde hond doodtrappen. Britten verklaart het in hoofdstuk VIII als volgt:

‘Die hond was toch wel doodgegaan,’ zegt Britten. ‘Hoe weet je dat?’ ‘Het was er bloedheet en hij was gewond. Jullie hebben hem vast veel leed bespaard.’ Ze legt haar pen neer en kijkt Aniëlle lang aan. ‘Het was maar rimpelgeweld.’

Zo geeft Britten te kennen dat geweld eigenlijk niets meer is dan een rimpel die gemakkelijk weer wordt uitgewist. Ook in het geval van andere gewelddadigheden is rimpelgeweld aan de orde. Voor de vijf betekent geweld niets, zoals ook de rest van de wereld voor hen niets betekent. Rimpelgeweld kan daarnaast als metafoor voor de groep worden beschouwd. Aan het begin lijken de vijf te geloven dat ze met de caleidoscopie de wereld kunnen veranderen, maar aan het einde vallen ze als groep uiteen.

Het caleidoscopische en fragmentarische gehalte van Rimpelgeweld dat op verschillende niveaus is uitgewerkt, maakt de roman tot een bijzonder literair experiment. Het is echter twijfelachtig of het boek ook meer is dan dat. De combinatie van de gefragmenteerde structuur en de genoemde absurditeiten zet de lezer ook op een afstand. Nergens kan die doordringen tot in de diepste lagen van het verhaal. Hoewel Van der Veens taalgebruik een plezier voor de geest is, overtuigt zijn debuut uiteindelijk niet.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?