cover big

Stomme poëzie

Bob Vanden Broeck

Over Onze kinderjaren van Xavier Roelens

Atlas Contact, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789025452285 / 120p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 19-08-2018

Bookmark and Share

Waarom schrijft iemand poëzie? Het is een zware, beladen praktijk. Wie schrijft, neemt het woord. Poëzie berust op een traditie. Lezers en dichters associëren poëzie graag met het allerhoogste. Ze biedt een diepgaande blik op de werkelijkheid. Onze kinderjaren, de derde bundel van Xavier Roelens (1976) vindt het sérieux en de diepgaande betekenisclaims van de poëzie verdacht.

Voor deze bundel vertelden driehonderdvijfenzestig mensen hun vroegste herinnering aan Roelens. Deze herinneringen vormden, aldus Roelens, de humus van de bundel, die bestaat uit zevenenzeventig gedichten. Voor elk geboortejaar werd één gedicht opgenomen. Het eerste gedicht opent bij de jaartallen 2004/2002 en in het laatste gedicht wordt een herinnering verwerkt van iemand die geboren is in 1911. In zijn dankwoord maakt Roelens duidelijk dat hij nog tal van andere bronnen heeft gebruikt, in het bijzonder twee boeken: Na de oorlog. Een geschiedenis van Europa sinds 1945 (2010) van Tony Judt en Alleen de wolken. Cultuur en crisis in het westen 1918-1938 (2014) van Philipp Blom. Daarnaast bedankt Roelens de kinderboeken, -strips, -series en -films die hem inspiratie bezorgden. De lezer wordt dus meegenomen op een roadtrip door de geschiedenis van de twintigste eeuw waarin historische feiten, individuele herinneringen en allerlei mediatieke, culturele, politieke en culturele fenomenen in het blikveld verschijnen.

‘Lapidaire poëzie’

In 2007 debuteerde Roelens met Er is een spookrijder gesignaleerd; zijn tweede bundel Stormen, olievlekken en motetten verscheen in 2012. Beide bundels riepen bij recensenten vooral weerstand op, zowel bij recensenten die een positief oordeel velden als bij de besprekers die eerder kritisch waren. Zo had Piet Gerbrandy het in de Volkskrant over lapidaire poëzie, wat wijst op een zeker ondoordringbaar karakter. Lies Van Gasse vond de tweede bundel van Roelens in Focus Knack vooral vermoeiend; ook zij ervoer dus weerstand tijdens het leesproces. Tijdens mijn lectuur van Onze kinderjaren begreep ik volkomen wat Van Gasse bedoelde. Vaak moest ik de bundel wegleggen, bestelde ik een koffie en keek vervolgens wazig voor me uit. Stormen, olievlekken en motetten bevatte een duidelijke ecokritische boodschap en had dus een zekere maatschappelijke inzet. Die inzet is veel minder prominent aanwezig in Onze kinderjaren. Wie diepte, een horizon, blijft zoeken, zal gefrustreerd raken. De nieuwe bundel van Roelens vraagt een andere leeshouding. In plaats van te zoeken naar de boodschap of de betekenis die zich in de diepte schuilhoudt, kun je beter glimlachen om wat er zich aan de oppervlakte afspeelt.

Ik weet nog dat ik als kind een huis tekende en dat er op het dak een boom stond en een paard (of iets wat een paard moest voorstellen). In de tuin stonden paddenstoelen en die waren groter dan het huis met boom en paard. Onze kinderjaren is geschreven zoals een kind een huis tekent. Roelens laat ons opnieuw kijken als dat kind. De openingsverzen van zijn gedichten zijn moeilijk te interpreteren, maar toveren een glimlach op het gezicht van de lezer. Zo schrijft de dichter in het geboortejaar 1972: ‘Hopelijk is Mozes aan het plassen / op zijn potje want anders is het vrij belachelijk […]’. In het jaar 1962 opent Roelens met: ‘Een slecht uitgevoerde toverspreuk doet de druïde op verdikkingskamp belanden’. En het eerste vers over het jaar 1940 luidt als volgt: ‘Dat Robinson mee naar / zee zou gaan maar in een / roestnagel heeft getrapt’.

De gedichten van Roelens drukken geen subjectieve blik op de werkelijkheid uit, noch een existentieel aanvoelen of een gemoedstoestand. Evenmin worden de beschreven handelingen of gebeurtenissen in plaats of tijd gekaderd. De gedichten zijn niet mimetisch. Roelens relativeert het bovennatuurlijke, het sérieux, van het kunstwerk. Zijn gedichten zijn eerder mentale constructies, fabricaten (inclusief fabricagefouten). Het mimetische karakter (het raampje op de werkelijkheid) vermijdt Roelens in de eerste plaats door ervoor te zorgen dat het gedicht geen ruimte opent, het verwijst niet naar een concrete setting. Er is geen beeldruimte die naast de werkelijkheid wordt getoond en die naast de gewone wereld fungeert als een wereld die men wel kan zien, maar niet kan betreden of aanraken. Veel poëzie wordt zo een projectievlak waarin binnen een bepaalde context een bepaalde situatie plaatsvindt. Niets daarvan bij Roelens. Hij verstoort de eenheid van plaats en de eenheid van handeling die de betekenis van zijn beelden had kunnen funderen. In dit gedicht, geschreven in het geboortejaar 1974, is het volstrekt onmogelijk om te bepalen waar we ons bevinden:

[…]
altijd ratelt in een
droom
een kaartendek als
soundtrack bij ons
vliegen spreiden we als
zilvermeeuwen onze
ontgoochelingen uit
een tuinstoel komt op
adem bij
het raam nu jij opkijkt naar
een vensterbank vol
[…]

De meeuwen verwijzen naar de lucht en in het daaropvolgende vers wordt de lezer in een tuinstoel gegooid. Iets ongrijpbaars als een droom gaat naadloos over in de nabijheid van een tastbare vensterbank. Het lijkt geen steek te houden. En toch duwt het gedicht de lezer vooruit. Dat komt door de manier waarop Roelens zijn regels afbreekt. Die eindigen heel vaak op voorzetsels, bijwoorden of voegwoorden. De interesse in voorzetsels deelt Roelens met de door hem bewonderde Gertrude Stein (Roelens koos een paar verzen van Stein om zijn bundel in te leiden). Stein schreef in 1927 het prozagedicht ‘Patriarchal Poetry’, dat uit alleen maar voorzetsels, bijwoorden en werkwoorden bestond. In tegenstelling tot zelfstandige voornaamwoorden waren voorzetsels niet zo ‘vol’ van betekenis, vond ze. Voorzetsels wekken de indruk dat er iets te gebeuren staat, wijden een ander woord in en scheppen verwachtingen bij de lezer. Ze creëren honger naar de volgende zin. Later in de bundel, in het jaar 1934, schrijft Roelens dan ook: ‘geschiedenis draaft maar door als ge ze voortdurend voedt’. Dat is een interessante beweging die in de poëzie van Roelens zowel vormelijk als inhoudelijk merkbaar is; het gedicht wil ergens naartoe, alleen is het niet duidelijk waar de aankomst is voorzien.

Archeologie

Ook op andere vlakken is de taalbehandeling in Onze kinderjaren buitengewoon. Zo maakt Roelens graag gebruik van ‘battologie’, het ‘nutteloos’ herhalen van dezelfde woorden of zinsdelen, bijvoorbeeld hier:

het huis wordt binnenkort afgebroken en ja, de deur gaat open en er vliegen zwaluwen binnen. die zwaluwen vliegen.

Roelens hanteert ook geregeld nietszeggende woorden als ‘ofzo’, ‘want zo’, ‘maar zo’, ‘eigenlijk feitelijk’ en ‘zullen we maar zeggen’. Het is taalvuil dat de opaciteit vergroot. Ze voegen niets toe en toch zijn ze noodzakelijk. Soms associeert hij dan weer verder op een woord, waardoor er betekenisverschuivingen ontstaan aan de hand van dat woord. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘1981’:

[…] de autootjes die hij stalde in zijn plastic garage ; een plastic mand vol blokken om een stad mee te bouwen die je zingend omsingelt en neerwerpt; rubberkogels van Israëlische makelij en een traangasgranaat voor plastic tranen; de plastic deurkink van een failliete tandartspraktijk […]

Daarnaast maakt Roelens graag gebruik van homoniemen. Zo heeft hij het over ladders in kousen waarop je kan klimmen of over het verschil tussen het trappen op een fiets en het trappen op een vriend. Ook duiken dezelfde woorden of beelden in andere gedichten en contexten opnieuw op. Tussen die twee verschijningen ontstaat een ruimte waarin de lezer mogelijkheden vindt, waarin figuren, herinneringen, ecologische, economische, culturele of politieke gebeurtenissen een plaats vinden. De lezer springt van woord naar de herhaling van dat woord en soms flitst er tussen die twee iets op: Pikachu, een bombardement in de Tweede Wereldoorlog, een cassettebandje of Asterix. Roelens’ poëzie is daardoor gelaagd, maar nergens wordt duidelijk wat de bodem is onder al die lagen, welke betekenis dat kluwen aan verwijzingen bijeenhoudt. Zijn poëzie moet dan ook eerder worden beleefd dan gelezen en geïnterpreteerd.

Verbeelding

Hoewel ik na de eerste lectuur gefrustreerd was, werd het mij een aantal lezingen later duidelijk dat dit mogelijk aan mij lag. Zo wist ik op geen enkele manier blijf met de volgende regels uit het gedicht dat gelinkt is aan het geboortejaar 1992:

ik ken alle anekdotes over mijzelf: de karnemelk, het alfabet, de papegaai.

Ik dacht meteen: wat moet ik hiermee? Welke anekdotes? En toen ik die vraag stelde, werd het mij meteen duidelijk dat het Roelens precies daar om te doen is. Deze woorden en figuren zijn er niet om esthetisch geapprecieerd of bewonderd te worden maar om herkend te worden. De woorden ‘karnemelk’, ‘alfabet’ en ‘papegaai’ zijn hier lege tekens die wachten op een lezer (een betekenisgever) die ze oplaadt met betekenis. Ze verschijnen als figuren in leerboekjes voor kinderen. Roelens dwingt de lezer om zijn verbeelding te gebruiken. Hij leert ons opnieuw spreken. Het ‘ik’ is geen actieve entiteit die poëzie openbaart aan de passieve lezer. Die lezer bepaalt ook de inhoud van het ‘ik’. Het is die wisselwerking waar het Roelens om te doen is. Schrijven en lezen belanden zo in een diffuse ruimte van betekenisgeving.

De Grap

Wie tijdens de roadtrip die Onze kinderjaren is, prachtige landschappen hoopt te kunnen betreden of wie hoopt, zoals je wel eens hoort van mensen die een wereldreis maakten, tot diepe beschouwingen en grote inzichten te komen, komt in Onze kinderjaren thuis van een kale reis. In dat sérieux, in die diepe betekenisclaims gelooft Roelens dus niet. Natuurlijk neemt Roelens poëzie an sich serieus. Maar als het sérieux van dé Poëzie erin bestaat zich, als het allerhoogste, te verheffen boven de tijd, dan verhoudt de grap van Roelens zich veel ambivalenter tot die tijd, zoals een duif die vanop een tak een standbeeld met haar uitwerpselen besmeurt. De taal wordt voortdurend voortgestuwd door de manier waarop Roelens zijn regels afbreekt. Inhoudelijk zakt de lezer echter, naarmate de bundel vordert, steeds verder terug in de tijd. De lezer wordt meegevoerd op deze tegenstrijdige bewegingen en bevindt zich zo tegelijk in, voor en voorbij het verleden. Het is een vorm van geschiedherschrijving. Roelens gelooft niet dat er in het heden een punt bestaat van waaruit de geschiedenis zich transparant, autonoom en lineair aandient. Dat poëzie zich kan verheffen boven die historische werkelijkheid.

We moeten ons lichamelijk overleveren aan de flitsen die zich doorheen het leesproces openbaren, zoals de grap een lach in ons gezicht scheurt. Het plezier van de grap ligt volgens Sigmund Freud in het besparen van de inspanning. Door te besparen op de ernst kan Roelens ontsnappen aan de plicht om zinvol, samenhangend en gedisciplineerd te spreken. Het verstand vindt bij hem net plezier in zijn eigen beweeglijkheid en het kinderlijk spelen met de betekenaar. Dat werkt voor de lezer bevrijdend, je moet het gedicht namelijk niet doorgronden. Onze kinderjaren is in die zin een oppervlakkige bundel. De schoonheid van poëzie ligt voor Roelens niet in haar eeuwige karakter maar in het proces waarin toekomst heden, verleden, lezer en schrijver overlopen in elkaar. Het dichterschap bestaat erin dat oncontroleerbare proces op gang te brengen, een ruimte te creëren waarin die bewegingen zich kunnen manifesteren. Het gedicht is geen afgewerkt product, noch een eindhalte; het is het beginpunt, de eerste steen die het begin van een potentiële weg aangeeft – in welke richting die ook loopt en hoe lang die weg ook mag zijn.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?