cover big

Stribbelen met stijl

Bart Vervaeck

Over Fallen Leaves. Brieven 1966-2016 van L.H. Wiener

Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2018,
ISBN 9789025449247 / 560p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 08-04-2018

Bookmark and Share

Wie het werk van L.H. Wiener (1945) kent, weet dat de briefvorm er een centrale rol in speelt. In het proza dat hij sinds zijn succesroman Nestor (2002) publiceert, combineert hij verhalen met brieven en met andere autobiografische documenten zoals dagboekfragmenten, verslagen en essayistische beschouwingen. Algemener verknoopt het hele oeuvre van Wiener leven met werk, autobiografie met fictie, documentatie met verbeelding. Soms ligt de nadruk op de documentaire dimensie, zoals in de brievenbundel Herinneringen aan mijn uitgevers (2008), maar meestal versmelten de dimensies compleet en krijgt de lezer een indrukwekkend weefsel van tekstsoorten voor zich. Wie wil zien hoe imposant zo’n literair tapijt is, moet maar eens kijken naar recent werk als De verering van Quirina T. (2006), Shanghai Massage (2011) en In zee gaat niets verloren (2015). Ook in zijn vroeger werk – Wiener publiceerde al vanaf 1965 verhalen en romans – verweeft hij feit met fictie en krijgt de brief een opvallende rol. Zo begint zijn eerste roman Zwarte vrijdag (1967) met een missive ‘Ter attentie van De Geneesheer-Direkteur’.

Fallen Leaves, de brievenbundel die nu verschijnt, is vanuit dit perspectief een cruciale publicatie in het oeuvre van Wiener. Het boek verzamelt volgens de ondertitel vijftig jaar brieven, van 1966 tot 2016. Het resultaat is een autobiografische schets die begint vóór de officiële selectiedatum, in 1962, met de geboorte van een schrijver. Wiener is op dat moment zeventien. Na de lectuur van F. Bordewijks korte roman Bint (1934) schrijft hij een brief naar de auteur, en die ontvangt hem in juli 1962 op zijn advocatenkantoor. Drie jaar later schrijft hij naar Willem Frederik Hermans, van wie hij de novelle Het behouden huis (1951) heeft gelezen. ‘Met Hermans en Bordewijk is alles begonnen,’ zegt Wiener.

De lezer krijgt vijfhonderdvijftig bladzijden om de ontwikkeling van dat begin te volgen. Die omvangrijke selectie vormt volgens de inleiding slechts ‘een tiende deel’ van Wieners feitelijke correspondentie – voor wie nog mocht twijfelen aan het belang van de brief in het leven van de auteur. Hij heeft de selectie ingedeeld in vier periodes, die hij van een korte algemene inleiding voorziet, waarin hij de brieven verbindt met zijn leven en publicaties. Ook afzonderlijke brieven krijgen zo’n toelichting als dat nodig is.

De eerste periode loopt van 1966 tot 1975 en bespreekt onder meer Wieners debuut in boekvorm, zijn werk als leraar Engels, zijn kennismaking met schrijvers als R.A. Basart en Jeroen Brouwers, de tragische dood van zijn jeugdvriend Wim Aaij (1947-1968) en zijn problemen met de drank. Aan Geert van Oorschot, ook geen onbekende in het rijk van de alcohol, schrijft hij op 7 april 1972:

Ik hou ermee op. Ik ben voortdurend bezig met nuchter worden en dat kost zoveel tijd dat ik aan niets anders toekom. Het is sinds kort dat ik me inspannen moet níet te drinken, terwijl ik me vroeger er juist toe moest aanzetten wél te drinken. Stoer doen is nu lafheid geworden.

Dat probleem wordt groter in de tweede periode (1975-1990). Tot 1979 krijgt Wiener ‘in literair opzicht zo goed als niets uit mijn vingers’. Daarop volgt een periode van nieuwe creativiteit en nieuwe uitgevers, die helaas ook voor eeuwenoude problemen zorgen. Het steeds kritischer wordende portret van Mai Spijkers is in dat verband veelzeggend.

In de derde fase (1990-2001) wordt Wiener vader van een zoon, Arend, en een dochter, Salomé. Zijn huwelijk loopt spaak, maar zijn kinderen veranderen zijn leven ten goede.

Vroeger hanteerde ik als stelregel: het leven is mooi, maar men moet leren hoe het te vergallen.
Maar dat was voordat ik Arend ‘had’ en Salomé ‘had’.
Ik heb nu een geheel ander credo, het luidt: Only your children can save you.
Hoe?
Gewoon, door af en toe in hun nek te ruiken.

Daarnaast komen in deze periode steeds meer literaire vriendschappen aan bod. Vanaf februari 2000 wordt de briefwisseling met de verhalenschrijver A.L. Snijders een constante. Ook heel wat andere bekende namen duiken op: Martin Bril (1959-2009; ‘We hadden geen tijd en te weinig gelegenheid om bevriend te raken, jammer genoeg’), Louis Ferron, Ed Leeflang, Geerten Meijsing en Joost Zwagerman (1963-2015), om er slechts enkele te noemen.

De laatste periode (2002-2016) is goed voor de helft van het boek en beschrijft de doorbraak en erkenning van Wiener, al blijven die bescheiden en maken ze van Wiener geen rijk man. In 2007 gaat hij met pensioen, vermoeid door de onderwijshervormingen. Aan het eind verklaart hij de titel van het boek. Het gaat om een citaat uit The Unquiet Grave, een werk van Cyril Connolly waarin die schrijft: ‘Fallen leaves lying on the grass in the November sun bring more happiness than daffodils. […] Autumn is the mind’s true spring.’ In de herfst van zijn leven correspondeert Wiener met Dimitri Verhulst, Pieter Waterdrinker, P.F. Thomése, auteurs die hij waardeert. Hij is kritisch over Arnon Grunberg, die ‘kreupel Nederlands’ schrijft, over de ‘quasidiepzinnige’ Harry Mulisch, de ‘humorloze engerd Willem Jan Otten’, de ‘ijdele reisschrijver Cees Nooteboom’ en een hele reeks van auteurs die slecht denken en schrijven.

Bemoedigende sneer

Het is bij Wiener meestal niet het ene of het andere: zijn waardering gaat bijna steeds gepaard met kritiek (het omgekeerde is aanzienlijk zeldzamer). Misschien heeft het te maken met de hoge normen die aan vrienden worden gesteld, feit is dat heel wat vriendschapsrelaties uit Fallen Leaves een proces van vallen en opstaan lijken, een opeenvolging van ruzie en verzoening. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de brieven met Basart en Brouwers: ‘Het is ook nooit goed bij mij (een verwijt van Jeroen Brouwers), tja, dat blijkt nu maar weer eens.’ De band met Snijders daarentegen is veel stabieler. Toch citeert Wiener in een brief aan die auteur een interview waarin Haarlems Dagblad Wiener een aantal vragen over vriendschap stelde:

Vraag 23: Heeft u wel eens een belangrijke vriendschap verbroken?
Antwoord: Op één na allemaal. (Mijn eeuwenoude vriend Maurits van der Zee, voor de burgerlijke stand Jaap Zeepvat, is inmiddels gepromoveerd tot ‘Huishouder’.)

Geen wonder dat Wiener bekendstaat ‘als een onverdraagzaam mens’ en ‘een querulant’. Hij wijst op een genetische aanleg: ‘normaliter erger ik me in zo goed als ieder gezelschap, dat is genetisch bepaald (Dick Swaab heeft hetzelfde, want die is ook in de hongerwinter aangemaakt). Ik erger me meestal aan het gezwatel dat voor meningen moet doorgaan, maar ook aan allerlei uiterlijkheden.’ Binnen dat naturalistische doemdenken is ook plaats voor de omgeving, meer bepaald voor het beroep van Wiener. Hij is leraar en hij duldt geen fouten. De brieven waarin hij geadresseerden wijst op vergissingen in hun beweringen en analyses, zijn niet te tellen. Niet dat ze overdreven zijn; je kunt Wiener slechts gelijk geven als hij voor de zoveelste keer een slordige criticus terechtwijst. Een goed voorbeeld is de soms hallucinante slordigheid waarmee de verhalenbundel Allemaal licht en warmte (1999) wordt onthaald. Wie Wieners brief aan de redactie van NRC Handelsblad leest, vraagt zich af of sommige recensenten niet liever een schrijver jennen dan een boek aandachtig lezen.

Maar zelfs in die gevallen put Wiener energie uit de irritaties. Het lijkt alsof hij ergernis nodig heeft om tot schrijven te komen. Het is heel moeilijk een duidelijke grens aan te wijzen tussen ‘negatieve’ elementen zoals afwijzing en irritatie, en ‘positieve’ elementen zoals waardering en creatie. Een illustratie van die versmelting tussen kritische en lovende opmerkingen is de eerste brief die Wiener aan Zwagerman richt. Ik citeer die uitgebreid:

Afgezien van het feit dat de naam Arbeiderspers mij nog erger voorkomt dan de naam Volkskrant, wil ik u hierbij zeggen dat ik gisteren uw boek Pornotheek Arcadië heb gekocht. Die titel is gezocht en verkeerd, maar dat geldt voor heel veel titels. Uw stuk aangaande de pornografie is laf – voornamelijk omdat het zogenaamd dapper is – aangezien het in het geheel geen beeld geeft van wat ‘porno’ in essentie is en voornamelijk op een akelig doorzichtige manier stelling neemt tegen de antipornohouding van wat ooit ‘het feminisme’ heette.

Dat bovenstaande uiteenzetting niet duidelijk is geeft niet.
Waar het om gaat is dat ik uw essayistisch werk wel degelijk waardeer, al heeft het iets gezochts en schurkends. Nergens heb ik tot nu toe iets ontdekt dat u zelf heeft bedacht. Het is allemaal gecatalogiseer van gelezen werk, dat u rangschikt en van een mening voorziet, een mening die een ander al of niet al wel of niet had.

Dat geeft niet, want uw stijl is goed.
Al raad ik u aan woorden als ‘taakstelling’ en het voortdurend ‘munten’ te mijden. Taakstelling is De Hoop Scheffer en munten is Engels.

Wiener waardeert het ‘essayistisch werk’ van Zwagerman wel degelijk en stelt hem voorts gerust: ‘uw stijl is goed’. Maar elke toelichtende zin ondergraaft de waardering. Misschien ligt hier een knoop die de kern raakt van Wieners creativiteit en die hij zelf terugvoert op het eerste briefje dat hij, zoals gezegd, in 1965 naar Hermans stuurde. Bij de brief voegde hij twee van zijn eigen verhalen, met de vraag of ze in het tijdschrift Podium zouden passen. Hermans reageert: ‘Ik denk van niet, maar kop op, u kunt nog veel leren.’ Wiener besluit: ‘En met die bemoedigende sneer zette mijn schrijverschap in.’ Met wat goede wil kun je de brief naar Zwagerman ook als zo’n bemoedigende sneer lezen.

Tegenstribbelen

Een kritische, zelfs honende opmerking ombuigen tot een aanmoediging, het zegt iets over de fundamentele houding van Wiener als schrijver. Hij werkt vanuit het verzet. Hij heeft geen rooskleurige kijk op de mens of het leven, hij is naar eigen zeggen ‘een echte zwartbloed misantroop’ die ‘aan een ernstige vorm van misogynie’ lijdt. Maar dat is geen vorm van defaitisme. Integendeel:

Nee, ik wil helemaal niet doodgaan, ik heb een hekel aan doodgaan. Doodgaan is nog veel zinlozer dan leven, ik wil nog een hele poos tegenstribbelen en mopperen en mijn kinderen goed zien gaan en af en toe iets moois schrijven en niet te veel drinken.

Hermans was voor Wiener ‘de grootmeester in het tegenstribbelen,’ maar na een tijd capituleerde de meester en gaf het tegenpruttelen op. Dat bleek voor Wiener niet alleen uit interviews, maar ook uit de romans, die van een ‘lamentabele kwaliteit’ werden. Wiener geeft toe dat hij het latere werk van zijn grote voorbeeld ‘niet meer gevolgd’ heeft; ‘het was genoeg geweest, mooi geweest, mooi genoeg geweest.’

Hoe blijft iemand zich verzetten? Tegenspartelen betekent bij Wiener in geen geval dat hij een optimist probeert te zijn of dat hij in zijn teksten zijn donkere wereldbeeld zou proberen te verbloemen. Integendeel. Hij wil zijn sombere visie stileren in teksten die tegelijkertijd een zo perfect mogelijke vorm hebben en een zo indringend mogelijk beeld geven van de schrijver en zijn wereld. Daarmee zijn de twee centrale eisen geformuleerd voor de literatuur zoals Wiener die voorstaat en bedrijft. Ten eerste moet de stijl perfect zijn. Een schrijver als Maarten ’t Hart toont hoe het niet moet. Wiener bespreekt diens verhaal ‘Smetana in Göteborg’ in een ingezonden brief uit 2006:

Maarten ’t Hart hanteert in dit unieke verhaal een stijl die zijn weerga niet kent. Vier keer opent een zin met ‘Mij leek’ of ‘Mij lijkt’, drie keer met ‘Mij deerde dat niet’, maar vooral het woordje ‘reeds’, heeft ’t Harts voorliefde. Liefst negen keer opent hij er een zin mee, hetgeen een wel heel aparte leeservaring oplevert: ‘Reeds doemde de Helgolander Bucht op’, ‘Reeds lonkte een bordje’, ‘Reeds schemerde het’, ‘Reeds snelde ik weg’, ‘Reeds voelde ik een onstuitbaar verlangen opkomen’, ‘Reeds snakte ik naar diepe slaap’, ‘Reeds verheugde ik mij daarop’, ‘Reeds bleek de jas van Tim Krabbé gestolen’, en de mooiste reeds levert deze zin op: ‘Reeds viel, ofschoon het nog lang geen etenstijd was, de nacht’. En dat Göteborg op pagina 45 plotseling Stockholm wordt kan er ook nog wel bij.

Het gaat Wiener niet om stijl als versiering of rederijkerij, maar als de kern van het schrijven én de schrijver. De stijl is de mens. Niet toevallig schrijft Wiener aan de stijlloze Mai Spijkers: ‘Ten afscheid, nog dit: stijl, Mai, dat is misschien wel het enige waar het in de literatuur om gaat, maar het is zeker het enige waar het in het leven om gaat.’

Met de band tussen literatuur en leven is meteen de tweede eis geformuleerd: literatuur moet authentiek zijn, dat wil zeggen dat ze de schrijver en zijn leven in zijn essentie (dus niet oppervlakkig, niet naïef realistisch) moet oproepen.

Iedere schrijver is gebonden aan zijn karakter – evenals iedere serial killer, gemeenteambtenaar of dictator – en moet met (de geringheid van) zijn talent woekeren. Een serial killer moet doden, een gemeenteambtenaar moet papieren van plaats veranderen en een dictator moet schreeuwen. En een schrijver moet zeggen wat hij te zeggen heeft. […] Wat uiteindelijk overblijft bij een geslaagde tekst is authenticiteit. En laat je nu niets wijsmaken: authenticiteit is de ultieme eis.

Bij dat laatste past de bedenking: even ultiem als stijl. Zonder stijl kan een tekst immers nooit de kern van de schrijver, zijn ervaring en zijn leven oproepen: ‘Wat men waarneemt wordt pas echt door de stijl.’

Volwaardig literair werk

Het belang van de stijl blijkt uit elke bladzijde van dit volumineuze boek. De brieven uit Fallen Leaves zijn even zorgvuldig en ingenieus geformuleerd als het literaire werk van Wiener. En dat begin al in de eerste periode – het is niet dat Wiener pas op latere leeftijd heeft leren schrijven. In 1969 beschrijft hij zijn woonst in Haarlem, ‘een dorpje in de buurt van Amsterdam’:

De etage die wij daar, in een statig herenhuis aan de Zijlweg 54 rood, hebben betrokken wordt aan de voorkant belegerd door druk, nergens naartoe rijdend verkeer en schreeuwende kinderen en moeders en aan de achterkant door kwetterende mussen tevergeefs op zoek naar een enigszins zuivere fluittoon en brutale, broodkorst-rovende spreeuwen, die zich ophouden tussen het dichte lover van populieren en 2½ eik alsook in de buurt van langs de schuttingen groeiende en nu bloeiende rozenstruiken.

Het gesakker van Hermans mag hier doorklinken, er zit ook veel Gerard Reve in Wiener, bijvoorbeeld in uitspraken als ‘Nu ja, brand is erger’, ‘nu weer moedig voorwaarts’ en ‘Dat alles voorbijgaat is onontkoombaar en geheel onderhevig aan het verstrijken der Tijd, een natuurwet, die tevens in psychologische zin geldig is.’ Net als over Hermans, oordeelt Wiener vernietigend over de latere Reve, maar de stilist blijft hem bij.

Wat Wiener in zijn woord vooraf over deze brieven schrijft is dan ook helemaal terecht: ‘Ik stelde ze met de grootste zorgvuldigheid samen en beschouwde ze als volwaardig literair werk.’ Veel van de brieven uit Fallen Leaves duiken trouwens op in het literaire werk van Wiener. Vaak, maar niet altijd, geeft hij dat aan. Wie het werk kent, kan zich verliezen in een vergelijkend onderzoek van de brieven zoals ze hier verschijnen met de versies die we kennen uit werken als Shanghai Massage en De verering van Quirina T. Zoals ik aan het begin zei: deze bundel is belangrijk voor wie het oeuvre van Wiener wil begrijpen. Dat geldt des te meer door de talloze interessante uitspraken die Wiener doet over zijn eigen werk en over dat van anderen – Nederlandse auteurs als Reve, Anton Koolhaas, F.B. Hotz, buitenlandse grootheden als Charles Bukowski J.M. Coetzee, John Fante en Malcolm Lowry. Er staat in dit hele boek geen vervelende of slap geformuleerde passage. Of beter: dit boek barst van de interessante en overtuigend geformuleerde inzichten. We mogen de ‘afwijkingen’ van Wiener dankbaar zijn, vooral dan zijn tegendraadsheid en zijn ‘vasthou-ziekte, die overigens nooit is overgegaan. Niet anoniem passeren is het devies.’ Niet ongelezen laten, dat is het devies.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?