cover big

Tegen reductie

Tonnus Oosterhoff

Over Het raam gaat open als een sinaasappel. Een keuze uit de moderne gedichten van Guillaume Apollinaire (vert. Kiki Coumans)

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2017,
ISBN 9789078627395 / 96p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 24-01-2018

Bookmark and Share

Het is mensenlot te menen dat de wereld ons toebehoort, maar voor het beheren en bewaren van dit toebehorende zijn onze breinen veel en veel te klein. We ervaren van het omringende haast niets, dit weinige onderwerpen we aan haastige oordelen om het te kunnen plaatsen en om weg te gooien wat we menen niet nodig hebben. Wat indruk maakt brengen we vervolgens weer terug tot nog minder opdat het in het minuscule archiefkastje van het geheugen past.

Dit mechanisme van reductie is noodzakelijk, dus onoverwinnelijk. Intussen is de enige taak van de kunst, de poëzie, meen ik, te morrelen aan dit onoverwinnelijke.

Uiteraard vallen kunstuitingen, die deel uitmaken van het ons omringende, zelf ten prooi aan de noodzaak tot reduceren om in onze hersentjes te passen. We verlaten ons bij inname op onze eigen geringe kennis en op poortwachters als (Facebook- en andere) vrienden, eindejaarslijstjes, sterren, ballen, nominaties. En zelfs wat aangrijpt en raakt, en de wereld even groter en waarder doet lijken, wordt snel vermalen tot iets wat de naam herinnering nauwelijks mag dragen. Zelfs als mijn oordelen op eigen waarneming en gevoel zijn gebaseerd verkommeren ze in mijn geheugen tot vooroordelen.

Welke informatie heb ik over Guillaume Apollinaire (1880-1918) in mijn treurig ontoereikende database? Vriendjes met Pablo Picasso, hoofdwond in de Eerste Wereldoorlog, het wat flauwe beeldgedicht ‘Il pleut’. In mijn literair vademecum staat hij naast Filippo Marinetti, Vladimir Majakovski en Paul van Ostaijen, vereerders van auto’s, revolutie en nachtleven, grote woorden, experimenten met typografie. Het hele clubje heeft de tag: veel geschreeuw, weinig wol.

Gelukkig heeft Kiki Coumans de dichter uit het graf van zijn reputatie gehaald door een substantiële bloemlezing uit zijn werk te vertalen. Ze is duidelijk met veel gevoel voor het origineel te werk gegaan. De gedichten ‘voelen’ in het Nederlands geschreven, wat natuurlijk de lakmoesproef is voor poëzievertalingen. Intussen hebben ze iets volkomen eigens: dit moet de dichter zelf zijn. Eindelijk lees ik Apollinaire – mijn vooroordeel verkruimelt.

Waarin ligt dit eigene? Twee dingen springen in het oog.

Oeuvres lijken op mensen in zoverre ze bij de eerste ontmoeting een gut reaction oproepen, je voelt wat voor vlees je in de kuip hebt. Het werk van deze dichter straalt van levenslust. De gedichten hebben iets handenwrijvends, net zoals de schilderijen van Apollinaires kameraden Picasso, Juan Gris dat hebben, iets van: ‘Jongens, wat we nou toch ontdekt hebben!’ Het is niet omdat de dichter ‘de ernst des levens’ niet kent: in de eerste bundel Alcools worden verloren liefdes betreurd; Calligrammes is grotendeels geschreven aan het front van de afschuwelijkste oorlog ooit. Het gedicht ‘Watten in de oren’ begint met over de pagina slingerende regels:

zoveel explosies hier VITAAL / schrijf eens een woord als je durft.

Wat een verschil met andere frontdichters, de in bloed en zenuwgas gedoopte aanklachten van Wilfred Owens, de somber gloeiende desintegratie in Georg Trakls ‘Grodek’. Apollinaire sluit zich niet af voor de gruwelen, hoe zou dat ook kunnen in de loopgraaf? In ‘Watten in de oren’ lezen we:

Ontploffingen doen ons verbleken.

En in het gedicht ‘Er is’:

Er is een infanterist die blind van het gifgas voorbijloopt.

Het is alleen opvallend, verbazingwekkend, dat hij onder deze omstandigheden blíjft opletten, ideeën krijgt, componeert… leeft.

Behalve vanwege de vitaliteit is dit kleine oeuvre (twee bundels) onverwisselbaar door de reusachtige variatie. Zowel uiterlijk als thematisch en conceptueel gaat het bij deze dichter alle kanten op. Lang, kort, strakke vorm, associatieve compositie, grafisch experiment… De inhoudelijke motieven komen uit alle hoeken en gaten van de werkelijkheid en de literatuur: Indiaanse, Chinese en Griekse mythologieën worden gemengd met Bijbelverwijzingen en referenties aan de katholieke eredienst; daarnaast klinkt er kanongebulder; is er genoeg straatrumoer om Ton Anbeek blij te maken; zijn er beelden uit dromen afkomstig; fijne anekdotes over hoe er naar de oorlog wordt gereisd in een wrak autootje; rêverieën, bijvoorbeeld over een geliefde die emigreerde zonder een adres achter te laten. In een en dezelfde tekst kunnen alle hoeken van de wereld worden genoemd en bereisd; het doet denken aan Walt Whitman, maar dan zonder diens luidruchtige inbezitneming.

Niet alleen in de onderwerpskeuze, ook in de behandeling ervan opent Apollinaire een waaier van concepten. ‘Maandag Rue Christine’ is bijvoorbeeld een samenstel van notities en gehoorde zinnetjes:

Drie brandende gaslantaarns
De bazin is aamborstig
Als je klaar bent spelen we een potje triktrak
Een dirigent met keelpijn
Als je me komt opzoeken in Tunis roken we samen hasjiesj

Dat lijkt wel te rijmen

Stapels schoteltjes bloemen een kalender
Pim pam pim
Ik sta potdomme bijna 300 franc bij mijn hospita in het krijt
Ik zou nog liever mijn achterste doormidden snijden dan te dokken

Barbarber? Jeroen Mettes? Guillaume Apollinaire.

Veel gedichten moeten, zeker voor de lezer van honderd jaar geleden, de indruk maken van in druk verschenen spontane schetsen; de dichter stimuleerde deze manier van lezen door onverwachte afbrekingen en het verlaten van thema of ritme. Zo raakt tegen het einde van het lange gedicht ‘Zone’, waarin een ik/jij als een beschonken Christus heeft rondgezworven, de lange strofeopbouw versnipperd, het is of de dichter enkele aantekeningen plaatst die hij elders niet kwijt kon:

En je drinkt deze alcohol die in je brandt als het leven
Je leven dat je drinkt als een eau de vie

Je gaat op weg naar Auteuil je wilt te voet naar huis
Slapen tussen je amuletten uit Oceanië en Guinea
Het zijn christussen van een andere vorm en een ander geloof
Het zijn mindere christussen van een duistere hoop

Adieu Adieu

Gekeelde zon

Intussen zijn de ‘fragmenten’ inhoudelijk als samenvatting of coda op te vatten: ze hebben van overtollige aantekeningen alleen het vóórkomen.

Dit zie ik in de gedichten dikwijls: Apollinaire laat structuren los (breekt ze af, zou je, literatuurgeschiedenisser, kunnen zeggen), maar brengt nieuwe samenhangen aan. ‘Watten in de oren’ begint met een woeste typografie, vervolgt strofisch, wordt opnieuw beeldgedicht, nu met een heel andere vorm, eindigt weer met een paar coupletten. Chaos? Maar het structurele tegenwicht wordt gevormd door de anekdote van het hopeloos overleven van de zoveelste aanval, in de regen zitten wachten, en het ritmisch terugkeren van de regel ‘Hallo zeug?’, bijna als een stokregel in een ballade, tegen het einde, als een nieuwe aanval zich aankondigt, nog eens semi-herhaald in ‘Hallo?’. De halvering van de kreet werkt als een desolaat wegsterven, maar kán alleen zo werken omdat het gedicht conceptueel allesbehalve een chaos is.

Mijn vooroordelen zijn dus door de kennismaking weggevaagd, er is contact ontstaan tussen dichter en lezer. Ik herken dit werk als grote kunst, instrumenteel in het terugbrengen van de reductie van de wereld. Deze indruk overbrugt gemakkelijk honderd jaar.

Is Apollinaire daarmee ook van deze tijd?

Dat aan te tonen is zeker de inzet geweest van de samenstelster van de bloemlezing. Op het titelblad staat in forse letters de ondertitel ‘Een keuze uit de moderne gedichten’. Coumans hield traditionelere verzen bewust buiten de selectie en stak wanneer dat nodig was de minder traditionele in een nog eigentijdser jasje. Het gedicht ‘Zone’ heeft in het origineel gepaard rijm: zij vertaalde de tekst tot een weliswaar zingend, maar niet rijmend geheel. Dat is een dappere keuze, die goed uitpakt. Want poëzie van nu rijmt eigenlijk nooit, dus hoe volmaakt een rijmende vertaling ook is, altijd komt er een signaal mee: dit is moois van vroeger. Verder zette ze het Franse origineel niet op de tegenoverliggende bladzijde, waardoor Het raam gaat open als een sinaasappel de feel kreeg van een bundel van eigen bodem. Om dezelfde reden besloot ze geen noten toe te voegen, hoe instructief die ook zouden zijn, omdat Apollinaire naar eigen belevenissen verwijst. Want een notenapparaat historiseert, daar is niets aan te doen.

Desondanks zijn de tekenen des tijds niet weg te poetsen. Als Apollinaire ‘Elektrische stationsbellen’ schrijft, trekt hij het lezerspubliek van zijn era een opwindend heden in. Maar als ík het lees denk ik: bestaan er dan ook niet-elektrische stationsbellen? Bestaan er überhaupt nog stationsbellen? Ook mentaal behoort de dichter bij al zijn moderniteit tot een andere eeuw. Zijn opgewonden, half aanvaardende preoccupatie met het katholicisme zal bijvoorbeeld door weinigen herkend en gedeeld worden.

Zo heeft Het raam gaat open als een sinaasappel een eigenaardig effect. Ik ervaar de authenticiteit van de dichter; zijn aanpak en vitaliteit inspireren… maar er is iets mee. Het lijkt of ik een foto van mijn eigen gevel zit te bekijken en pas na een minuut aan de tint van de gordijnen en de antenne op het dak zie: verrek, toen woonde ik hier nog niet!

Nu mijn bewondering dankzij Coumans gewekt is heb ik een paar andere vertalingen van de dichter opgezocht. De bloemlezing van Jan Pieter van der Sterre, De mooiste van Guillaume Apollinaire (Lannoo/Atlas uit 2007) is traditioneler van opzet, tweetalig, rijmend waar de dichter rijmde, met een degelijke biografische en poëticale inleiding van Els Jongeneel. Het gedicht ‘Zone’, overgezet door Paul Claes (Druksel, 2012) en eveneens tweetalig, rijmend, heeft verhelderende noten. Teksten en schrijver krijgen nu meer reliëf: Van der Sterres keuze bevat meer klassieke, vormvaste teksten dan die van Coumans. Hij maakt de dichter in zekere zin ouderwetser, meer iemand van vroeger. Tegelijk wordt duidelijk dat Apollinaire geenszins een vernieuwer om het vernieuwen was, geen opgewonden beeldenstormer, maar iemand die het repertoire van de dichtkunst wilde uitbreiden. Hij vond dat er meer te zeggen was dan in de oude vormen mogelijk was. In ‘De mooie roodharige’ formuleert hij dit wonderschoon, zich richtend tot een door academischer werk gevormd publiek:

Jullie wier mond naar Gods beeltenis is gemaakt
Mond die de orde zelf is
Wees mild wanneer jullie ons vergelijken
met degenen die de volmaakte orde waren
Terwijl wij overal het avontuur zochten

Wij zijn jullie vijanden niet
Wij willen jullie grootse en vreemde gebieden geven
Waar het mysterie zich in bloemen aanbiedt voor wie het wil plukken
Er zijn daar nieuwe vuren en nooit geziene kleuren
Duizend ongrijpbare fantasieën
Die werkelijkheid moeten worden

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?