cover big

Toekomstmuzieklimonade

Joost Pollmann

Over Heinz, de graphic novel van Windig & De Jong

Oog & Blik, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789054923114 / 144p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 06-07-2011

Bookmark and Share

Heinz heeft het gymnasium doorlopen. Dat blijkt tenminste uit het vers verschenen boek Heinz, de graphic novel, dus de stripkat zal er wel niks op tegen hebben dat ik deze anarchistische persiflage van René Windig en Eddy de Jong op het genre ‘grafische roman’ vergelijk met The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman van Laurence Sterne uit 1759-1769. Beide boeken hebben lak aan conventies en slaan zoveel mogelijk zijweggetjes in als binnen en rondom de plot vindbaar zijn. De ontregeling in Heinz, de graphic novel begint al met de allereerste zin: ‘Wat voorafging: niks’. Da’s natuurlijk een leugen, want wat voorafging was een lange reeks stripboeken en krantenpublicaties, de oprichting van een Heinz Museum en het maken van schetsen voor een avondvullende tekenfilm die vaak is aangekondigd maar nooit is gerealiseerd: Heinz, the movie.

Na dit recalcitrante begin maakt het boek een aantal valse starts, omdat het groepje aardappelen dat aanvankelijk het publiek vormt maar gaandeweg het hele werk overneemt, tevergeefs blijft roepen om de entree van hun held Heinz. Wie wel in beeld komen zijn Reus Knorretje, Pietje Patat, Windig & De Jong zelf, een serie maffe schilderijtjes van Piet Kwast, Mickey Mouse, klassieke auto’s uit de jaren zestig, Charlie Brown, reeksen voetbalplaatjes en niet-gepubliceerde Heinz-covers, tot we op bladzijde 27 eindelijk de bekende kat zien lopen, worstelend met de vraag of hij een bosmens dan wel een strandmens zou zijn als hij geen kat was. Hij besluit zowel het strand als het bos te bezoeken om een antwoord op die vraag te vinden en komt er louter gekken tegen. Maar dan raakt aardappel Bintje zijn hond Krieltje kwijt en roept de hulp in van meesterspeurder Dick Droogkooker, die net zo praat als Dick Bosch (‘Hoola, wat is dat? Den een of anderen vroolijken Fransch isch vleesch aan het braaden’) en er trouwens ook zo uitziet, al is hij dan een aardappel. Er volgen wat verwikkelingen die je romanesk zou mogen noemen, maar op bladzijde 62 is het weer mis en trakteren de tekenaars ons op een groot aantal voorschetsen van aardappelfiguren en Heinz-poses. ‘Lekker snel getekend!’ zoals ergens in het boek wordt opgemerkt, dat wel. Intussen zitten Windig en De Jong in de kroeg. ‘De aardappels willen weten waar Heinz uithangt,’ meldt Eddy. ‘Aardappels kunnen niet praten,’ antwoordt een norse René, waarna de aardappels naar hun goeroe Opperdoes gaan om te vragen of hij misschien weet waar Heinz is.

We zijn dan pas op de helft en wie nieuwsgierig is naar de rest van wat we gemakshalve ‘de plot’ zullen noemen, moet het boek zelf maar kopen. Heinz, de graphic novel is onder meer een eerbetoon aan de inspiratiebronnen van Windig & De Jong, die net als Umberto Eco in De mysterieuze vlam van koningin Loana talloze voorbeelden hebben afgedrukt van hun picturale jeugdliefdes. Wanneer Heinz voorleest aan zijn zoon Kleine Bever, doet hij dat uit Tove Janssons Moemin en krijgt de lezer acht authentieke beelden voorgeschoteld met Zweedse ondertiteling erbij. Hierin krijgt een opgetogen Moem junior van zijn moeder een glaasje te drinken en Windig & De Jong schrijven: ‘Maar dan blijkt het hädaneftersaft te zijn en wat dat is mag Joost weten.’ Zelf een Joost zijnde voelde ik me uitgedaagd en heb met hulp van een internet-woordenboek achterhaald dat dit ‘toekomstmuzieklimonade’ moet zijn geweest! Een andere icoon uit de jeugdliteratuur, Felix the Cat van Otto Messmer, wordt geëerd met maar liefst achttien fraai gerasterde plaatjes uit de originele uitgave. Hier leren we onder meer dat de bekende scène waarbij Heinz door een geschoeide voet naar buiten wordt geschopt, een letterlijk citaat van Messmer is: interessante informatie voor Heinzologen als Bindervoet & Henkes, die steevast de nieuwe uitgaven van Windig & De Jong publiekelijk voorzien van voetnoten en terzijdes. Andere beeldcitaten betuigen eer aan Knabbelgraag van Tijs Dorenbosch uit 1934 en aan De wolkenfabriek van Typex, een Gouden Boekje uit… de 21ste eeuw, ook al zegt Heinz tegen Kleine Bever: ‘Wat wij vroeger lazen, dát was pas leuk! Gouden Boekjes, die bestaan natuurlijk allang niet meer!’

De lezer wordt belazerd en zo hoort het ook in een postmoderne strip, die je ook premodern kunt noemen als je Sterne als leidraad neemt. Heinz is altijd een talige strip geweest, waarin met overgave gespeeld wordt met dialecten, anachronismen, verhaspelingen en interpunctie (denk aan de vertragende koppelstreepjes in de tekst van schildpad Jodocus). Ook deze graphic novel kent passages waarin het woord de hoofdrol van het beeld overneemt. In het tweede kader op bladzijde 90 vraagt Heinz aan zijn zoon: ‘Zeg, hoe heet jij eigenlijk?’ Waarna 34 plaatjes worden gebruikt om mogelijke en onmogelijke namen op te sommen, het lot zijn beslissende werk te laten doen en toestemming te krijgen van een ambtenaar van de burgerlijke stand en van moeder de vrouw. ‘Jimmy? Sammie? Flip? Floor? Hannes? Mers? Hennie? Rudy? Cyril? Adnan? Bakir? Hajrudin?’ Nee, het werd Kleine Bever omdat Heinz een dronken Indiaan met die naam tegen het lijf liep.

Kundera schreef in De kunst van de roman dat het de intermezzi en de uitweidingen zijn die proza poëtisch kunnen maken. In dat licht bezien is Heinz, de graphic novel een dichterlijk boek en een zeer vrij boek, dat zich niks gelegen laat liggen aan de dwang van conventie en consequentie. Maar met die dichterlijkheid is iets vreemds aan de hand. Dick Matena, vermaard verstripper van onder meer De Avonden, schrijft het volgende op de achterflap: ‘Als er iets is dat alles met gevoel te maken heeft en niets, maar dan ook niets met rede, dan is het wel Heinz. Heinz is gevoel, een verlepte bloem, damp over de Amsterdamse grachten, een muziekfklard die ooit uit een doorrookt café waaide, melancholie, poëzie, dát is Heinz.’

Wat aan dit citaat opvalt is de ernstige toon en de conclusie dat Heinz poëzie is, serieus dus, want vol van weemoed en verlepte bloemen. Die ernst verhoudt zich op een vreemde manier tot de humor, maar die vreemde verhouding is misschien wel het geheime hoofdthema van deze grafische roman die geen grafische roman wil zijn. Aan de oppervlakte is er het vaste ingrediënt van Heinz’ chagrijnigheid, uitgedrukt door zijn ogen te veranderen in horizontale rimpels, die botst met de vrolijke waanzin om hem heen. De kloof tussen lachen en niet-lachen wordt in het boek overbrugd door Piet Konijn, die lachtherapie geeft, en door de Loldwerg die meer het type is van ‘lach of ik schiet’. Dan is er nog een narrige aardappel met harlekijnmuts, maar die wordt niet serieus genomen: niemand lacht om hem. Uit fotootjes die in het boek zijn afgedrukt blijkt voorts dat Chaplin door Windig & De Jong niet leuk wordt gevonden en Laurel & Hardy juist weer wel, zodat het boek ook een humoristische poëtica bevat (een poëticale humoristica).

Op een dieper niveau is een welgemeende weerzin voelbaar jegens de zwaarwichtigheid van het genre graphic novel als zodanig, een afkeer die je vaker tegenkomt. In 2010 werd op het omslag van Cowboy Henk in de Far Out West aangekondigd dat Guy Mortier (bekend van Humo) het voorwoord had geschreven. Maar als je het boek openslaat, staat er: ‘- Ik val nog liever dood! Guy Mortier’. Wat vooraf ging: niks, en de Nieuwe Ernst van het Getekende Boek moet ondermijnd worden. Striptekenaar Stefan Nieuwenhuis – nota bene lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde - liet op zijn site het volgende weten: ‘Strips zoals strips horen te zijn. Lekker knallen, leegbloedende dooien, een gast die met z’n blote handen iemands nek breekt; heerlijk leesvoer om de zinnen te verzetten en stoom af te blazen. Niks aan de hand, zou je zeggen. Maar juist als je ze het minst verwacht, komen er ineens van die sentimentele, sinistere zakkenwassers op de proppen met de graphic novel en wordt onze prachtstrip te grabbel gegooid. Letterlijk uit het hoekje gedrukt: in de boekhandel kom je geen fatsoenlijke strip meer tegen. In plaats van schietende rovers, bloeddorstige indianen en nietsontziende robotmannen staat de graphic novel corner tegenwoordig vol met verhalen over karakterloze, twijfelzieke pubers die nadenken over de opwarming van de aarde, hun demente oma, het al dan niet hebben van kanker of - nota bene - hoe we met elkaar omgaan.’ En hij concludeert: ‘Jankerige kutverhalen zijn het, die graphic novels.’

Dit zijn symptomen van groeipijn, want de populaire strip is steeds vaker een elitaire roman, of men wil of niet. Zijns ondanks is Heinz, the graphic novel in hoge mate self-referential en meta-beeldverhaal, een intellectuele tour de force en dus mislukt, want het wilde een anti-boek zijn. De amusementswaarde is niettemin hoog.

Tot besluit een anekdote met symbolische betekenis. In 1996 exposeerde Chris Ware in Galerie Lambiek te Amsterdam. Je hoeft geen kenner meer te zijn om te weten dat Chris Ware inmiddels is uitgegroeid tot kampioen van de grafische roman. Na afloop van de vernissage werd er gegeten bij de Thai en gedronken in Terzijde, de kroeg aan de overkant. Een enigszins beschonken René Windig ergerde zich aan het intellectuele voorkomen van Ware (hoog voorhoofd, brilletje, angstige blik) en gaf hem voortdurend harde klappen op de achterkant van zijn kortharige schedel. Genante vertoning, maar ook schitterende poppenkast: populaire strip tracht elitaire strip tevergeefs de tent uit te knuppelen. De elite heeft de langste adem.

Noot van de recensent

Gisteren ontdekte ik dat de naam van Heinz’ kind, Kleine Bever, afkomstig is uit de strip ‘Esther Verkest’ van Kim Duchateau, waarin een wigwamvormige Indiaan voorkomt die Kleine Bever heet.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?