cover big

Sinds de zesde scheppingsdag

Huub Beurskens

Over Oksana van Donald Niedekker

Koppernik, Amsterdam, 2016,
ISBN 9789492313126 / 200p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 20-08-2016

Bookmark and Share

In het Bijbelboek Hosea is God maar weer eens toornig over Israël. Het volk heeft er een potje van gemaakt en is hem schandelijk ontrouw. De Heer geeft de profeet Hosea het nogal bizarre bevel: ‘Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de Here af.’ En hij dreigt Israël met ‘geen geboorte, geen moederschoot en geen ontvangenis meer’ als het zich niet weer bekeert. Hoe je het boek Hosea ook interpreteert, vrouwvriendelijk kun je het bepaald niet noemen.

Aan Hosea wordt op enkele plaatsen in de roman Oksana van Donald Niedekker (1963) gerefereerd, het meest uitgesproken met de opmerking:

En wie ogen heeft om te zien ziet dat wat wij daar deden en waarover u in het boek Hosea kunt lezen onvrijwillig deden, onvrijwillig en gratis, zodat het boek Hosea vergeleken bij onze werkelijkheid een sprookje is.

‘Onze werkelijkheid’: dat is die van de vertellende instantie Lena, geboren in een plaats nabij Tsjernobyl. Aan de gevolgen van het ongeluk met de kerncentrale in april 1986 verliest ze haar beide ouders; ze wordt grootgebracht door haar oma in een klein gehucht, een ‘dorp zonder perspecief’, verder weg. Daar beleeft ze alsnog een vrij zorgeloze jeugd, met veel fijne indrukken van de natuur en het boerenleven, hoewel ‘Tsjernobyl’ nooit meer weg te denken, laat staan te voelen valt: ‘overal en altijd, Tsjernobyl ligt altijd op de loer.’ Ze krijgt balletles en droomt ervan een heuse ballerina te worden.

Dat zit er echter niet in. Niet alleen loopt ze een ernstige blessure op tijdens een optreden, maar ze wordt in de grote stad waar ze lessen volgt, door een jonge vrouw aangesproken die haar voorstelt met haar mee naar Italië te gaan om er geld te verdienen in de horeca. Al gauw tijdens de reis naar dat beloofde land wordt duidelijk dat ze het slachtoffer is geworden van een ronselaar en geen kant meer uit kan. Lena belandt in een afgelegen Albanese villa waar ze met andere meisjes in de kelder moet leven om beschikbaar te zijn voor seksfeesten die er, net als jachtpartijen, om de zoveel dagen en steevast op zaterdagavonden worden georganiseerd.

Een van de andere meisjes heet Oksana; ze is afkomstig ‘van achter de Oeral.’ Het is een meisje dat zich blijft verzetten. Een bewaker heeft een zwak voor deze Oksana en helpt haar te ontkomen, maar de vlucht mislukt en Oksana, die eerder al flink is mishandeld, wordt bij wijze van doodstraf bij een getergde bruine beer in het hok gestopt. Lena bedenkt intussen balletchoreografieën: ‘Zo behield ik de illusie een eigen leven te leiden, zonder me in die illusie te verliezen.’ En ze wil haar ballet aan Oksana opdragen, het naar haar noemen.

Wanneer ze eindelijk, na twee jaar, weg kan uit de villa, omdat ze niet meer lucratief, dat wil zeggen niet jong genoeg meer is, blijken er warempel nog aardige mannen te bestaan. Een vrachtwagenchauffeur neemt haar mee en smokkelt haar over meerdere grenzen, zonder iets van haar te willen. En nadat Lena dankzij hem in München is beland, kan ze spoedig haar kostje verdienen als schoonmaakster in diverse woningen van welgestelden. Wel krijgt ze het bericht dat haar oma in een bejaardenhuis is overleden, nadat ook haar dorp was ontruimd. En dan legt een ‘Herr Doktor Professor’ een hand op Lena’s rechterbil wanneer ze bij hem thuis aan het stofzuigen is. Bijna onmiddellijk slaat ze hard van zich af, waarna ze ervandoor gaat, moet gaan. Ze wordt alsnog opgepakt om officieel het land uit te worden gezet, per trein met een enkeltje Kiev en begeleid tot aan de Poolse grens: ‘Ik ben in Warschau uitgestapt.’ Haar hele relaas vertelt ze, van de eerste en tot en met de identieke laatste bladzijde, daar in Warschau, waar ze weliswaar danst, maar onder de naam Sheila ‘in de glitterende nachtclubs’ en waar ze wacht op ‘morgen, als ik de openingsact van de beurs Venus in the City doe, in Berlijn.’

Dat laatste is al na enkele bladzijden van Oksana duidelijk, zoals de lezer ook al vroeg te weten komt of er op zijn minst een sterk vermoeden van kan hebben dat Lena slachtoffer van vrouwenhandelaars en seksexploitanten is geworden voordat ze concreet vertelt over de gebeurtenissen van haar tot ontvoering verworden reis en haar gevangenschap in de seksvilla.

Je zou dus kunnen zeggen dat de plot al vroegtijdig wordt weggegeven. Des te opmerkelijker is het dat Oksana zich tot het einde toe laat lezen als een pageturner en dat te meer omdat Niedekker zijn vertelster allerminst tot in detail verslag laat doen van wat zij en de andere vrouwen fysiek moeten ondergaan, integendeel; de lezer wordt én geacht zich die ellende zelf wel te kunnen voorstellen én het niet gegund zich er hier mogelijk pervers aan te verlustigen.

Een voorbeeld. ‘Dan mag zij de honingeter gezelschap houden,’ zijn de woorden waarmee de villachef Oksana tot de beer veroordeelt. En dan is Oksana al niet meer te zien en ‘We luisteren niet meer.’ In de korte alinea erna zegt Lena dat ze op een willekeurige plek dicht bij het bos een onopvallend persoonlijk gedenktekentje heeft gemaakt, met een O van steentjes, om een plek te hebben om naar terug te keren. En daar is alles mee gezegd, meer kom je over het einde van Oksana niet te weten. Maar dat afgrondige zwarte gat van het wit tussen de twee alinea’s doet zijn werk, literair en moreel.

Dat werk doet het met des te meer kracht doordat Niedekker zijn vertelster Lena wel degelijk allerlei andere details laat beschrijven, met heel veel kennelijk plezier en een grote sensibiliteit. Daarbij gaat het vaak om herinneringen aan haar balletlessen, waar ze leerde dat ‘dansen begint met vallen’, en aan het leven met bijna mythisch poëtische verschijningsvormen in het gehucht van haar oma. Terwijl de vertelster de biologische, anatomische en fysische details in de seksvillascènes achterwege laat ‘baddert’ wel een gans ‘in de watertrog. Ze steekt haar snavel in de borstveren en slaat in een waaier van zilver oplichtende spetters haar kop heen en weer.’ Of Lena danste ‘van uitgelatenheid, van de warme bessen aan mijn voetzolen, het spetterende sap, de zachte velletjes[…]. Het vruchtvlees drong zich tussen mijn tenen. De schilletjes bleven aan mijn nagels kleven.’ En:

Muggenkoren dansten onder de kastanjes in pulserende wolken. Zwaluwen zwierden in messcherpe patronen boven de rivier van oever tot oever. Koeien stonden met grote natte ogen in het water.

Er is een genietend oog voor het leven van kleine dieren, van planten, van landschappen.

Een mindere schrijver zou zo’n talent voor beschrijvingen vervolgens ook aanwenden voor het etaleren van het ongetwijfeld liefdeloos gebruik van genitaliën en andere lichaamsdelen. Niedekker niet. Hij doseert. Hij componeert, wisselt dus af, beschrijft waar nodig heel beeldend en verzwijgt of beknot daar tegenover zeer suggestief. Daar zoekt en vindt hij zijn contrast, via de vorm en niet middels het eenvormig behandelen van de inhoud. Hetzelfde contrast treedt op tussen de lyrische natuurherinneringen en dat andere grote kwaad, de ramp van Tsjernobyl. Wat zou een mindere auteur zich hebben kunnen uitleven in het beschrijven van de schrikwekkende directe, concreet waarneembare gevolgen van dat ongeluk! Maar Niedekker houdt het knap, in meerdere betekenissen van het woord.

Samen met de afwisseling in stijlregisters en de diverse lengten van tekstfragmenten, geeft dit Lena’s relaas stuwing en diepgang. En het draagt bij aan wat je het literaire engagement of, beter, het geëngageerd literaire van Niedekkers Oksana zou kunnen noemen: de literaire vorm (compositie, stijl) op zich is hier al een morele stellingname, juist omdat je die vorm hier niet los kunt zien van de inhoud. Dat Niedekker de vrouw ‘zelf’ aan het woord laat is al tekenend; nog veelzeggender is het dat hij haar de ruimte geeft om te beslissen wat ze wil zeggen en wat ze onuitgesproken wil houden, dus zonder haar als personage onder druk te zetten, uit te kleden en uit te knijpen, dat zou ethisch immers de auteur zelf tot vrouwenexploitant maken…

Overigens is die stellingname er meer een van respect en mededogen, dan van beschuldigende en terechtwijzende aard, laat staan van het direct politieke soort, hoewel Oksana evident een aanklacht is. Daarvoor bevat deze aanklacht te veel ontsteltenis, beklemming en gevoel van nogal hopeloze lotsbestemming. Dat wordt vooral duidelijk in de wijze waarop de Bijbel en zijn God in Oksana een rol spelen.

Ik wees al op de vergelijking met het bizarre, vrouwonvriendelijke boek Hosea. Wanneer de grootmoeder van Lena in de Bijbel zit te lezen, is dat ook voor Lena een vredig tafereel. ‘Treden zult gij op leeuw en adder,’ las grootmoeder hardop bij het licht van de petroleumlamp. Is die Heer in Psalm 91 werkelijk een God die toevlucht biedt en kan redden? Wanneer Lena eindelijk aan de Albanese seksexploitanten is ontkomen en haar weg zoekt in een voor haar onbekend landschap, ruisen vroeg in de ochtend

in een niet-aflatende vlucht golf na golf duizenden, tienduizenden, misschien wel honderdduizenden vogels over, ik dacht eerst dat het zwaluwen waren, maar toen zag ik tot mijn verbazing dat het geen vogels, maar zwermen, oudtestamentische zwermen sprinkhanen waren en moest ik aan grootmoeder denken en het suizen dat mij kon bevangen.

Associatie met een van de Egyptische plagen dus. Maar ook met de zich altijd aankondigende, maar mogelijk door de mens zelf veroorzaakte (Tsjernobyl) Apocalyps.

Wat is dat eigenlijk voor een boek, wat is dat eigenlijk voor een God, lijkt ze zich af te vragen. Wat deed die immers op de zesde scheppingsdag? ‘En zij deden,’ zegt Lena

met ons wat sinds de Zesde Scheppingsdag […] mogelijk is en sindsdien […] op talloze manieren in oneindig veel variaties […] maar uiteindelijk toch niet zo veel variaties en bij voorkeur op de zesde dag van de week […] is gedaan.

Voor als het nog niet duidelijk genoeg is wat ze bedoelt, zegt ze elders in oudtestamentisch aandoende taal:

En zij deden met ons naar de wijze van de man en de vrouw zoals het sinds mensenheugenis tussen man en vrouw naar de wijze van de man en de vrouw is gegaan. En als het ons naar de wijze van de vrouw ging hadden we, na inspectie, vrijaf maar moesten we in de keuken helpen bij het bereiden van het eten.

Zo trekt ze het onaantastbaar geachte verhevene en tirannieke naar beneden, stelt ze het ter discussie of ter verantwoording in de concrete praktijk van het naakte vrouwenbestaan.

Misschien gaat Oksana over het schandaal dat er geen aanklacht mogelijk is tegen de schande van de mens zoals die blijkbaar geschapen is, als een wezen dat de mogelijke schoonheid van zijn eigen natuur en van die van de ander en het andere aldoor geweld aandoet. Hoe dan ook heeft Donald Niedekker een boek afgeleverd dat dit soort vragen en overwegingen weet op te roepen. Je wordt er niet vrolijk van. Maar dat is ook weer niet waar, want het is een groot genot om deze integere en kundige schrijver in zijn pulserende cirkelbeweging te volgen, in zijn literaire tekening van de O, zijn ode aan Oksana, zijn ‘ballet’ zoals hij het zelf op de titelpagina noemt, uit naam van maar tevens voor Lena, de zich rond een paal slingerende en ontkledende ster van de ‘Sheila Alexandra Show’.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?