cover big

Signalement: Onder de toonbank – Bert Sliggers & Jos van Waterschoot (red.)

Karen Van Hove

Over Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden van Bert Sliggers & Jos van Waterschoot (red.)

G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789028280359 / 240p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 22-05-2018

Bookmark and Share

Onder de toonbank. Pornografie en erotica in de Nederlanden verscheen naar aanleiding van de expositie ‘Porno op papier. Taboe en tolerantie door de eeuwen heen’, die nog tot 24 juni 2018 loopt in Museum Meermanno in Den Haag. De tentoonstelling is gewijd aan de pornografische collectie van de Koninklijke Bibliotheek, die recent nog werd uitgebreid met de collectie van boekverzamelaar Bert Sliggers. Die laatste werd aangesteld als gelegenheidsconservator voor de expo en verzorgde samen met Jos van Waterschoot, conservator bij de Bijzondere Collecties van de UvA, de redactie van Onder de toonbank. De bijdragen aan het boek werden geleverd door een gemengd gezelschap van onderzoekers (Inger Leemans, Bert Sliggers, Jos van Waterschoot, Marita Mathijsen en Ewoud Sanders), schrijvers (Han van der Vegt en Th. van Os), een onderzoeker-auteur (Connie van Gils) en een voormalig porno-uitgever (P.J. Muller).

Onder de toonbank eenvoudigweg omschrijven als een catalogus bij de tentoonstelling zou afbreuk doen aan de brede opzet van het boek: dat wil een literair-historisch en thematisch overzicht bieden van de Nederlandse erotiek en pornografie, voornamelijk in geschreven vorm. Inger Leemans en Han van der Vegt plaatsen het beginpunt van de Nederlandse porno in de zeventiende eeuw (hoofdstuk 2) met enkele vertalingen van oorspronkelijk Italiaanse en Franse teksten. Kort daarna, vanaf 1651, duiken de eerste origineel Nederlandse werken op. Die vormen de voorbode van een ware pornografische bloeiperiode in de laatste twee decennia van de Gouden Eeuw. Deze periode behandelen dezelfde auteurs in het vierde hoofdstuk. Na een relatief ‘braaf’ tijdperk met – op enkele uitzonderingen in de achttiende eeuw na – vooral suggestieve, erotische poëzie volgt aan het eind van de negentiende eeuw een nieuwe pornografische hausse die met enkele onderbrekingen aanhoudt tot het begin van de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Deze periodes worden beschreven door Marita Mathijsen (negentiende eeuw, hoofdstuk 7) en Bert Sliggers (1880 tot heden, hoofdstuk 9).

De literair-historische hoofdstukken worden afgewisseld met meer thematisch georiënteerde delen over lesbische seksualiteit en emancipatie in de Nederlandse literatuur (Connie van Gils, hoofdstuk 3), erotiek en exotisme (Bert Sliggers, hoofdstuk 5), pornografische strips (Jos van Waterschoot, hoofdstuk 6), (mannelijke) homoseksuele erotiek (Th. Van Os, hoofdstuk 8) en het motief van de vrouwenhandel en prostitutie (Ewoud Sanders, hoofdstuk 10). In deze hoofdstukken, die min of meer chronologisch zijn opgebouwd, traceren de auteurs de oorsprong van bepaalde motieven die aan de basis liggen van enkele pornografische subgenres. Sliggers toont hoe het stereotype van de exotische nymfomane van het (pseudo)wetenschappelijke discours via avonturen- en reisverhalen, migreert naar het pornografische genre. Sanders laat zien hoe maatschappelijke fenomenen als vrouwenhandel en prostitutie, die de westerse wereld op het einde van de negentiende eeuw teisterden, al snel gefictionaliseerd worden, eerst in sensatieromans, later in pornoboeken.

Deze genese-oefening is echter niet in alle hoofdstukken even overtuigend. Aan de hand van voorbeelden laat Th. van Os zien dat de christelijke martelarentraditie en het middeleeuwse en vroegmoderne vriendschapsdiscours (amicitia) een belangrijke inspiratiebron vormden voor twintigste-eeuwse homobladen en andere homo-erotische geschriften. De omgekeerde gevolgtrekking die de dichter poneert– de martelarencultus en het vriendschapsdiscours als fundamentele uitingen van de homoseksuele liefde en erotiek –, lijkt mij echter minder waarschijnlijk en wordt op zijn minst met onvoldoende argumenten gestaafd.

Hoewel Onder de toonbank een zekere wetenschappelijke uitstraling heeft – aan het woord zijn experten ter zake en achteraan zijn een register en per hoofdstuk een uitgebreide literatuurlijst opgenomen –, is het niet de bedoeling om het intellectuele vermogen van de lezer al te sterk op de proef te stellen. Zo baseerden Mathijsen en Leemans zich voor hun hoofdstukken op eerder gepubliceerd onderzoek dat voor de gelegenheid echter ontdaan werd van een al te theoretisch raamwerk. In Het woord is aan de onderkant (2002) verbond Leemans op goed onderbouwde en genuanceerde manier de zeventiende-eeuwse pornografie met de radicaal libertijnse en materialistische filosofieën. In Onder de toonbank beperkt ze zich tot de volgende vaststelling: ‘[O]nder alle verhalen rust de vaste overtuiging dat de wereld bestaat uit materie, en dat de mens, wil hij eerlijk en zonder conflicten leven, zal moeten luisteren naar de drift’. Daarnaast zorgen ook de meer anekdotische en biografische passages over pornografen in Onder de toonbank voor een zekere luchtigheid.

De dubbele doelstelling – informeren en diverteren – blijkt ook uit de boodschap die ex-pornokoning P.J. Muller op het einde van zijn inleiding aan de lezer meegeeft: ‘U zit goed. Ik wens u veel lees- en kijkgenot, want, met alle respect voor de wetenschappelijk verantwoorde duiding, dit is door de eeuwen heen de enige bedoeling van pornografie: om ervan te genieten’. Die belofte wordt ruimschoots waargemaakt: Onder de toonbank bestaat voor bijna de helft uit kleurrijke en paginavullende afbeeldingen en foto’s van en uit erotische en pornografische romans, tijdschriften en strips, die overigens heel wat gewaagder zijn dan het materiaal dat in de expo opgenomen is. Daarnaast kan de lezer via uitgebreide tekstfragmenten kennismaken met onder meer zeventiende-eeuwse bestsellers als ’t Amsterdamsch hoerdom (1681) en D’Openhertige juffrouw (1680), het laatachttiende-eeuwse theaterstuk David en Batseba (1799) dat naar verluidt werkelijk werd opgevoerd, met Gelukkige paren (1967), een van de pornoromans die Heere Heeresma onder het pseudoniem Johannes de Back schreef en met de schunnige poëzie van Edgar Du Perron of W.C. Kloot tot Neukema:

Elizabeth, je mond zoo vochtig-rood van kleur,
heb ik nog liever dan je voor- en achterdeur.
O, laat lippen soppend knijpen in mijn lul.
Jouw donzen kut, zoo geurend broos,
Lik ik dan nat en vurig vinger ik je in je natte gat,
Opdat jij schijte en ik j’aarsje straks weer vul.
O, lik mijn ballen, neem ze beide in je mond
en laat je tong doordringend wentlen in mijn kont:
proef uit mijn toverstaf mijn zoete tooverspul.

Dat het boek enige conceptuele en terminologische focus mist, wordt duidelijk wanneer we de verschillende hoofdstukken met elkaar vergelijken: de opvattingen van pornografie die de auteurs erop nahouden, zijn erg divers. Zo beschouwen Leemans en Van der Vegt pornografie als een algemene en neutrale term die een brede lading aan meer of minder expliciete teksten dekt. De meeste auteurs gaan echter uit van een onderscheid tussen pornografie en erotiek, waarbij die laatste term gereserveerd wordt voor meer suggestieve en literair verantwoorde teksten. Zo lijkt Van Gils pornografie uitsluitend te gebruiken om te verwijzen naar ‘pulp’ waarin de toenemende tolerantie tegenover lesbische seksualiteit ‘geëxploiteerd’ wordt door en voor mannen.

Deze opvattingen berusten op al even uiteenlopende en veelal impliciete criteria – behalve Van Waterschoot staat geen van de auteurs hier nadrukkelijk bij stil. Het kan dan gaan om poëticale (pornografie zou geen esthetische of literaire waarde bezitten), juridische (pornografie is aanstootgevend voor de eerbaarheid, en is dus het verbodene), inhoudelijke (pornografie representeert expliciet seksuele handelingen) en/of functionele criteria (pornografie prikkelt de lezer of toeschouwer seksueel). Dergelijke criteria zijn echter verre van objectief en berusten vaak op waardeoordelen.

Hoewel begrippen als pornografie en erotiek de schijn van eenvoud en eenduidigheid dragen – ieder van ons kan zich immers wel wat voorstellen bij deze termen –, zijn ze niet onproblematisch. Wat men verstaat onder pornografie en erotiek is sterk cultureel, historisch en in sommige gevallen zelfs individueel bepaald. Bovendien, zo vermeldt ook Mathijsen, raakt de term pornografie in zijn hedendaagse betekenis pas in de loop van de negentiende eeuw in omloop. Pornografie verwijst vanaf dan naar ‘objecten’ met als voornaamste functie de opwinding van de toeschouwer of lezer door expliciete representaties van seksuele handelingen en het erotische lichaam. 

Deze terminologische en conceptuele openheid van Onder de toonbank heeft echter ook enkele voordelen. Ze biedt de auteurs de vrijheid om een gevarieerd scala aan pornografisch en erotisch materiaal aan bod te laten komen. Dat is uiteindelijk de voornaamste doelstelling én verdienste van het boek. In woord en beeld ontsluit het voor een breed publiek een segment van de Nederlandse literaire productie dat lange tijd onderbelicht bleef om morele, ideologische en literair-poëticale redenen.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?