cover big

‘De mens heeft gemiddeld minder dan twee benen’

Sander Bax

Over De vogels van Europa van Bart Koubaa

Querido, Amsterdam, 2014,
ISBN 9789021456034 / p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 20-11-2014

Bookmark and Share

Maarten de Ridder – hoofdpersoon van Bart Koubaa’s (1968) nieuwe roman De vogels van Europa – kijkt op zekere dag naar de televisie en ziet dat zijn jeugdvriend Eddie Bonte vermist is. Dit nieuwsbericht zet zijn wereld op zijn kop. Jarenlang werkte hij naar tevredenheid als statisticus voor de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie. Maar nu hij weet dat zijn jeugdvriend zoek is, wendt Maarten andere zoekfuncties aan. Hij ontpopt zich als amateurdetective. Hij installeert een whiteboard op zijn werkkamer en noteert allerlei gegevens over de verdwijning. Hij bezoekt Eddie’s vrouw en valt haar lastig met vragen over vroeger. Maarten raakt zo betrokken bij de situatie dat hij zelfs een korte affaire begint met Marie, de dochter van zijn jeugdvriend. Dit alles leidt ertoe dat Maartens relatie met zijn gezin verslechtert. Zijn vrouw merkt herhaaldelijk op dat hij geen aandacht meer voor haar heeft, zijn kinderen beginnen ook al afwerend op hem te reageren.

De oorzaak voor Maartens fascinatie voor jeugdvriend Eddie ligt in het verleden. Jaren geleden zongen Maarten en Eddie met twee andere vriendjes in een koor bij een man die ‘de koorleider’ wordt genoemd. Deze man leert de jongens niet alleen zingen, hij is ook een fervent vogelaar. Via hem leren ze het encyclopedische boek De vogels van Europa kennen. Ze reizen naar Texel om daar bijzondere vogelsoorten te spotten. De beschrijving ervan in het tweede en derde deel van de roman wekt de indruk van een blijmoedig schoolreisje, met veel bravoure en het drinken van de eerste biertjes. Maar achter die luchtigheid ligt iets verborgen: Koubaa wekt de suggestie dat er op Texel ook andere dingen gebeurd zijn. Waarom zou deze koorleider immers zo’n belangstelling tonen voor deze vier knapen? Als Maarten na het boodschappen doen terugkomt, hangt er een rare spanning in het huisje – er heeft zich iets afgespeeld tussen de koorleider en Eddie, die ineens heel stil is geworden. Het gezelschap vertrekt plots naar huis en verder wordt er nooit meer over gesproken.

Later bezoekt Maarten de afstudeersessie van Marie, die hem kort daarvoor nog gekust heeft. Als hij op die receptie met Marie’s moeder spreekt, dan zegt ze iets waaruit blijkt dat Maartens avances niet onopgemerkt zijn gebleven. ‘U begrijpt het nog steeds niet, hé? Marie is enorm kwetsbaar op dit moment.’ Haar opmerking geeft Maarten plots de indruk dat Eddie ‘aan zijn dochter gezeten’ zou hebben. Tijdens de tentoonstelling die onderdeel is van Marie’s afstuderen legt Maarten nog een ander verband: misschien heeft de koorleider ook wel aan Eddie gezeten. Hij leidt dat af uit het feit dat Marie een oude foto van de koorleider zodanig heeft uitvergroot dat ‘het gat in het hoofd van de koorleider’ enorm wordt. Wat in eerste instantie misschien slechts het gat was dat een punaise achterliet bij het ophangen van de foto, wordt zo een doelbewuste symbolische wraakactie van Eddie op de koorleider.

Kort daarna stelt Maarten aan zijn baas voor om een onderzoek in te stellen naar ‘misbruik en ongewenste intimiteiten binnen sportverenigingen en jeugdbewegingen’. Naast de historische reconstructie van detective Maarten en de artistieke verbeelding van fotografe Marie is de statistiek de derde manier van kennen die ingezet wordt om het raadsel rondom Eddie Bonte op te lossen. Maarten is immers statisticus en hij is eraan gewend om kennis af te destilleren uit grote databestanden. De verdwijning van zijn vriend brengt zijn geloof in de statistiek sterk aan het wankelen. De algemene observaties van de statistiek leren hem weinig over de verhalen van individuen – zoals Eddie. Als zijn echtgenote Sara zich zorgen maakt omdat hun oudste zoon Sam voor zaken naar Israël moet, wordt Maarten ook ongerust.

‘De kans dat mijn zoon door een bom in Jeruzalem om het leven zou komen was praktisch nul. De kans dat iemands zoon door een bom om het leven zou komen was ook nagenoeg nul. En toch komen er elke dag zonen om door een bom; ja toch, Eddie?’

Maarten verliest het vertrouwen in de statistiek, want hij bidt, hoopt en verlangt dat ze met hele gezin met kerst om de tafel zullen zitten. Heel waarschijnlijk is dat niet.

Hoewel ik me alleen maar witte kersten kan herinneren, was en is er, afgaand op de vorige eeuw, negen procent kans op een witte kerst; maar niets is zo onvoorspelbaar als het geheugen, het weer, een enkele pinda en mijn kinderen.

Maarten keert nog één keer terug naar Texel om alle plaatsen van destijds te bezoeken. Op de terugweg heeft hij het gevoel dat hij een deel van zichzelf afschudt, ‘als een jan-van-gent die na het duiken het water van zijn veren schudt.’ Maarten komt als herboren thuis. Hij ruimt zijn werkkamer op en neemt afscheid van het adagium dat zijn onderzoek naar Eddie begeleidde: ‘ik zal het bewijzen’. De roman eindigt als Maarten en Yves met hun echtgenotes een ballonvaart maken: ‘We dreven naar een onbekende bestemming, naar het oosten, naar het licht. Ik dacht aan de kinderen en werd door een diep geluk overmand terwijl ik mezelf zag vliegen.’ Maarten verkiest de ‘onvoorspelbare toekomst’ boven het ‘onbegrijpelijk verleden’.

In De vogels van Europa confronteert Koubaa verschillende vormen van kennen met elkaar. Als statisticus denkt Maarten in kansberekeningen, gebaseerd op grote databestanden, maar nu wordt hij er zich plots bewust van dat die berekeningen tekortschieten als het gaat om het levensverhaal van één individu. Niet dat zijn detectiveonderzoek nu zo veel meer resultaat heeft: Maarten komt geen stap dichterbij Eddie, behalve dan misschien door de belangstelling die hij aan de dag begint te leggen voor Marie. Naast de statistische kansberekeningen, de historische reconstructie van de detective, komen we in dit boek ook nog de ordeningsdrift van de vogelaar tegen: de groep vogelaars wil niets liever dan zeldzame soorten waarnemen om die af te strepen in hun encyclopedische vogelgids.

Die verschillende ordeningsprincipes vinden we ook terug in de structuur van de roman. Het boek bestaat uit zeven delen met titels als ‘Verwaarloosbare kansen met grote gevolgen’, ‘Ik zal het bewijzen’ en ‘De mens heeft gemiddeld minder dan twee benen.’ Die zijn weer onderverdeeld in hoofdstukken die vaak temporele aanduidingen hebben (‘anderhalve week geleden’, ‘een kleine week na Eddie’s crematie’), gevolgd door iets wat op een locatie wijst (‘naar Texel’, ‘bij de koorleider’). De subhoofdstukken, 32 in totaal, dragen de namen van de vogels uit de encyclopedie. De in de titels genoemde vogels komen vaak ook subtiel in de tekst zelf terug, ofwel omdat de vogel in kwestie waargenomen wordt ofwel omdat die gebruikt wordt in een vergelijking, zoals in het geval van de jan-van-gent hierboven.

Het is me niet helemaal duidelijk waarop Koubaa met al die kennisvormen en ordeningsdwang wil wijzen, maar het verhaal lijkt ervan te getuigen dat onze pogingen om greep op de werkelijkheid te krijgen uiteindelijk tekortschieten. De gehuwden in het verhaal leven langs elkaar heen, de kinderen begrijpen hun ouders niet, het verleden blijft onbegrijpelijk en Maarten ziet niet wat er met Marie aan de hand is tot hij er met zijn neus in gewreven wordt. Aan het slot spreekt Maarten met historicus Yves. Maarten vertelt dat hij heeft berekend dat elk jaar 0,3 procent van de bomen in Europa verdwijnt, waarop de historicus antwoordt: ‘Dan zal Europa binnen twintig jaar kappen en zagen door de bomen het bos zien.’ Iets later vertelt dezelfde Yves tegen Maarten – terwijl ze samen in het toilet zijn:

‘je kunt de geschiedenis niet pissen… wissen, mon ami, dat sprookje gaat niet meer op. Alles wordt bewaard, geen geheimen meer, de geschiedenis bestaat niet meer voor het grootste deel uit wat we ervan vergeten zijn, o nee.’

Maar de roman heeft natuurlijk juist het tegendeel laten zien: alles draait om een gewiste geschiedenis die niet boven water komt, niet door statistische analyse, noch door hermeneutische interpretatie.

De nadruk die Koubaa legt op ordenen, structureren, begrijpen en kennen doet denken aan het vroege werk uit De Revisor in de jaren zeventig: de eerste verhalen van Dirk Ayelt Kooiman, Nicolaas Matsier, Doeschka Meijsing en Frans Kellendonk. Deze auteurs – tegenwoordig gezien als een vroege variant van het literaire postmodernisme in Nederland – wilden laten zien hoe moeilijk het is om met behulp van taal een coherente representatie van de werkelijkheid te geven. Daarmee zetten ze een frontale aanval in op het geloof in de fictie en de volgzaamheid van de lezer. Het is misschien niet toevallig dat Koubaa sinds enkele jaren redactielid geworden is van dat tijdschrift, dat van zichzelf zegt een tijdschrift te zijn dat vorm boven inhoud stelt. Misschien meer dan de andere prozaïsten in de redactie (Gustaaf Peek en Jan van Mersbergen) staat Koubaa welbewust in de Revisor-traditie.

Betekent dit dat Koubaa in zijn werk oude postmoderne wijn in nieuwe zakken giet, of weet hij dat postmodernisme toe te passen op de huidige tijd? Hoe relevant is het metafictionele schrijven tegenwoordig nog? Ik vermoed dat de urgentie van een boek als De vogels van Europa blijkt uit twee belangrijke thema’s. Ten eerste de wetenschapsfilosofische dimensie van de roman. In de academie – in elk geval in de geesteswetenschappen – wordt er veel gesproken over het onderzoek dat gebruikmaakt van big data. Met het personage Maarten lijkt Koubaa aan te sluiten bij een discussie over de vraag tot wat voor kennis van de werkelijkheid het loslaten van statistische analyses op grote databestanden uiteindelijk leidt. In De vogels van Europa komen weinig spectaculaire resultaten naar voren, zoals: ‘de mens had gemiddeld minder dan twee benen.’

De andere kenvormen komen er in de roman niet veel beter vanaf. Kansberekeningen geven ons mogelijkheden en waarschijnlijkheden, maar dat geldt ook voor de traditionelere kennisvormen van de historische reconstructie of de encyclopedie. Welke methode Maarten ook inzet, hij eindigt met suggestie en onbegrip. Zo bezien lijkt de roman vooral iets te suggereren over de dominantie van het positivisme in de hedendaagse wetenschap. Koubaa lijkt met zijn roman te willen zeggen dat het loslaten van wetenschappelijke procedures op de werkelijkheid er niet per se toe leidt dat we de werkelijkheid écht beter gaan begrijpen – of het nu gaat om grote digitale databestanden of om kleinschalige unieke case studies.

Erg schokkend is die conclusie natuurlijk niet, maar hij krijgt meer betekenis door het tweede thema, dat van het kindermisbruik. Met deze koorleider verwijst Koubaa immers ook naar het misbruik binnen de rooms-katholieke kerk. Hij benoemt dat verzwegen en vergeten misbruik in de roman nergens expliciet. Daarmee laat hij zien hoe misbruik – dat is althans de suggestie –in iemands latere leven door blijft werken, en dan vooral als iets waarop het slachtoffer maar geen vat krijgt. Onze manieren van kennen schieten tekort om het werkelijk te begrijpen. Maar misschien gaat die interpretatie al te ver: we moeten immers niet vergeten dat de suggesties rondom het misbruik (van de koorleider, later van Eddie zelf) voortkomen uit Maartens reconstructie en dus misschien ook wel uit zijn verbeelding – en uiteindelijk is het die langzaam op drift rakende verbeelding die maakt dat De vogels van Europa de lezer tot het einde blijft boeien.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?