cover big

Boek zonder einde

Marc Reugebrink

Over Het boek tegen de dood van Elias Canetti (vert. Ria van Hengel)

Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2016,
ISBN 9789029500135 / 351p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 25-05-2016

Bookmark and Share

Het is er dan toch gekomen, Het boek tegen de dood van Elias Canetti (1905-1994). In de talloze notities die hij gedurende zijn leven over het onderwerp maakte uit Canetti regelmatig zijn twijfels over de haalbaarheid van zijn voornemen om een boek te maken over wat je niet anders kunt omschrijven dan als zijn haat tegen de dood (‘Mortem odi ergo sum,’ stelt hij).

In Massa en macht (1960) had hij zijn gedachten over de wisselwerking tussen de mensenmenigte en de macht van een leider die daaruit voortkomt nog weten om te smeden tot een essay. Maar zijn levenslange aantekeningen over, en dus vooral tégen de dood, lieten zich niet tot een coherent verhaal maken. Dat dreef hem wel eens tot wanhoop, maar in 1988 noteert hij dan toch: ‘Het enig mogelijke: het moeten fragmenten blijven’. En hij voegde eraan toe: ‘Je mag ze niet zelf uitgeven. Je mag ze niet redigeren. Je mag ze niet verzamelen’.

Een aantal van die (hier opnieuw opgenomen) fragmenten vond desalniettemin al eerder zijn weg naar boeken als Die Provinz des Menschen (1973) en Das Geheimherz der Uhr (1987). Maar er bleef nog voldoende over dat nog niet eerder het licht zag en waarmee een team van redacteuren samen met Canetti’s dochter Johanna aan de slag kon om het boek dat er tijdens zijn leven niet kwam toch te laten verschijnen.

Canetti’s niet aflatende strijd tegen de dood verdraagt ook geen keurig afgerond boek; hij duldt geen schema of systeem. Dat is dan ook meteen het eerste waarop je je moet voorbereiden: je krijgt dit boek niet uit. Het verzet zich tegen zijn einde. Je blijft lezen en herlezen, je verwonderen over de soms uiterst paradoxale of ronduit raadselachtige, poëtische notities en gedachten. ‘De raaf kalmeren met behulp van de forel. Maar het wezeldier is dood,’ zo luidt bijvoorbeeld een aantekening uit 1958.

Er zit zo op het eerste gezicht iets aandoenlijks, want naïefs in Canetti’s verzet tegen de dood. Dat dat verzet begonnen is met de dood van zijn vroeg gestorven vader, en zich verdiepte in de duistere jaren van het nazisme (waarvoor Canetti, van huis uit joods, zijn toenmalige woonplaats Wenen moest ontvluchten) maakt een en ander al wat minder naïef. Toch schrijft hij, zichzelf toesprekend, in 1990:

Het ‘kinderlijke’ aan jou is dat je na 78 jaar de dood van je vader – je was zeven – nog niet hebt erkend. Dat kinderlijke, precies dat kinderlijke is het wat de wereld nodig heeft.

Voor een kind is de dood nog wat hij is: het niet te snappen volledig verdwijnen in een niets waarvan het zich geen voorstelling kan maken, een niets dat volwassenen ijlings hebben omgedacht tot een hiernamaals of enige andere vorm van metafysisch nabestaan. Dat laatste noemt hij ‘een gemene, laffe truc’, waarmee religieuzen en filosofen, die ons willen doen geloven dat de dood ons van meet af aan is meegegeven, het verzet tegen de dood lijken te willen breken. ‘Ze belemmeren de enige strijd die het waard zou zijn gestreden te worden. Ze verklaren tot wijsheid wat capitulatie is’.

Het maakt duidelijk dat Canetti’s strijd tegen de dood niet per se een verlangen naar onsterfelijkheid is. Hij flirt in het boek wel eens met het idee. Hij heeft een bibliotheek opgebouwd waarmee hij driehonderd jaar toe kan, schrijft hij kort na de dood van Veza, zijn eerste vrouw, ‘alles wat ik nu nog nodig heb zijn die jaren’. Of: ‘Ik geloof nog steeds niet dat ik moet sterven, maar ik weet het wel’. En nog weer elders noemt hij het ‘zijn elastiek waaraan hij zichzelf elke dag ophangt’. Het is juist het volle besef dat de dood een niets is, een totale afwezigheid die maakt dat hij zich moet verzetten.

Dat verzet is nooit een ontkenning van de ware aard van de dood, zoals in religies het geval is. Het komt juist voort uit de erkenning van de dood als wat hij is. ‘Dat men niemand in het Niets verstoot die daar graag was,’ schreef hij ooit in een essay – een zin waarin hij zowel elk metafysisch zelfbedrog afwees, als de onmenselijkheid onderstreepte van wat er zonder dat vaak als troost verhulde bedrog overblijft.

Canetti is dan ook hard voor levenden én voor reeds gestorvenen die het op enigerlei wijze op een akkoordje hebben gegooid met de dood. Er is voor hem een verband tussen het toelaten van de dood in het leven en het gemak waarmee mensen doden. Sigmund Freuds doodsdrift krijgt een veeg uit de pan, van Friedrich Nietzsche wil hij niet weten (‘ik beschouw hem als een openlijke en verborgen liefhebber van het doden’), noch van Ernest Hemingway, Thomas Bernhard (‘ik geloof dat hij iedereen de dood toewenst’), James Joyce en het dadaïsme. Zelfs het darwinisme (‘dat van de dood een vooruitgang maakt’) moet het ontgelden.

Dat het hem soms in zijn eigen ogen tot een dwaas maakt, dat hij zich aan het einde van zijn leven in toenemende mate voor zijn strijd geneert, hij verhult het niet. ‘Belachelijke man,’ zo voegt hij zichzelf toe, ‘de dood heeft zich in ons ingevreten, en jij wil onze geest van de dood bevrijden?’ Maar, stelt hij, het gaat er juist om dat hij er zich aan vasthoudt, dat hij anderen of zichzelf nooit iets wijsmaakt over de dood, dat hij hem moreel verafschuwt.

Wat blijft, is de strijd tegen de dood, het gevecht dat hij zelf dag na dag aangaat. Die strijd kent geen einde. ‘Geen enkele dood eindigt,’ zo noteert hij niet zonder (wrange) humor en zelfinzicht: hij weet dat hij met zijn strijd tegen de dood die dood ook in stand houdt.

‘Gisteren sterven, zijn nieuwste truc,’ schrijft hij in een zoveelste poging de dood terug te wijzen. Dit boek ís die strijd. Het zijn de tien potloden die hij dagelijks sleep en waarmee hij de hele dag schreef tot ze allemaal stomp waren. ‘Zolang ik schrijf, voel ik me (absoluut) veilig,’, stelde hij, paradoxaal genoeg omdat hij zichzelf (en daarmee ook zijn dood) verloor in de daad van het schrijven zelf. Afwezige aanwezigheid die hem voor de duur van het schrijven van de dood verloste. Soms was Canetti ook een mysticus zonder overkant.

De grootsheid van dit boek schuilt ongetwijfeld in het feit dat Canetti zo schreef, in een afgewogen, precieze stijl – literair in de beste zin van het woord – dat zijn absurde gevecht tegen de dood plotseling de logica zelf lijkt, en zelfs de enige mogelijkheid: dag aan dag verzet aantekenen tegen wat ons uit naam van een dwaze ideologie, uit naam van een God, of uit zijn eigen aard als het grote Niets weg wil doen, zonder einde.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?