cover big

Mijn idee van een schrijver

Daniël Rovers

Over Voel je vrij van Zadie Smith (vert. Lidwien Biekmann, Nico Groen, Paul van der Lecq en Tjadine Stheeman)

Prometheus, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789044636147 / 440p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 16-10-2018

Bookmark and Share

‘Toen ik jonger was, begon ik me zelfs al een beetje akelig te voelen zodra het woord ‘ik’ op de bladzijde verscheen,’ schrijft Zadie Smith (1975) in ‘Life Writing’, een van de pakweg dertig essays in Voel je vrij – een verrassende opmerking voor een auteur die inmiddels al meer dan anderhalf decennium wereldberoemd is, een van de weinige schrijvers bij wie het noemen van een enkele voornaam – Zadie – volstaat, al komt dat natuurlijk ook door die niet bepaald opvallende achternaam.

In plaats van ik schreef ze in beginsel liever wij, vooral om van het drukkende gevoel af te komen dat ze door dat ik een waarheidsgetrouw verslag van haar eigen leven in romanvorm diende te geven. Dat wilde en kon ze niet, daarvoor was haar geheugen te matig en haar interesse in het leven en de kunst van anderen te groot. Het ‘ik’ dook aanvankelijk slechts in korte essays op, en pas na haar verhuizing naar de Verenigde Staten, waar ze sinds 2010 aan de New York University Creative Writing doceert, schreef ze een roman in de eerste persoon enkelvoud (NW) en ging ze de langere, persoonlijke essays schrijven die het hart vormen van het terecht alom geprezen Feel free. Naast de verhuizing naar New York zijn er nog een paar redenen te geven voor deze ontwikkeling naar meer autobiografische, essayistische teksten. Bijvoorbeeld het vorderen van de jaren, waardoor er in het beeld dat we van onszelf hebben zoiets als een biografie blijkt te zijn ontstaan en de noodzaak voelbaar wordt de eigen ervaring niet meer weg te relativeren, maar te onderzoeken en op te schrijven, met een ernst waar je in Amerika veel eerder dan in Engeland om geprezen wordt.

Over één belangrijke andere reden heeft Smith zelf geschreven, in een (niet in dit boek opgenomen) in memoriam van de maart vorig jaar overleden hoofdredacteur van de New York Review of Books, Robert B. Silvers. Aan hem is Voel je vrij opgedragen; Joan Didion en Susan Sontag lieten in het verleden op eenzelfde manier hun erkentelijkheid blijken. Silvers was een tijdschriftredacteur, aldus Smith in haar herdenkingsstuk, die geen opdrachten voor teksten gaf, maar die teksten aan een auteur ontlokte, die ernaar hengelde, door bij de minste aanwijzing voor een bepaalde interesse of voorliefde – in het geval van Smith na een lukrake opmerking over Franz Kafka – een hele bibliotheek aan Kafka-literatuur op te sturen met de vraag of ze daar eens een blik op wilde werpen, want wie weet leverde dat wat op. Wanneer vervolgens een toezegging volgde (hoe kon je na dat postpakket nog weigeren?), startte een intens en veeleisend redactieproces, waarbij de schrijver aan de hoogste standaard van de redacteur moest voldoen (Smith: ‘Thank God, I always need help’), wat bij Silvers en Smith leidde tot een hechte band en tot de uitnodiging niet alleen besprekingen, maar ook persoonlijke essays te gaan schrijven, een zeer moeilijk genre, waarbij het grote gevaar bestaat dat de nagestreefde oprechtheid uitloopt op een ijdel vertoon van ikkerigheid. Geen moment heeft Smith het in haar gestelde vertrouwen geschaad.

Ondanks haar relatief korte staat van dienst als essayist (On Changing My Mind verscheen in 2009), behoort Smith inmiddels tot de categorie Engelstalige essayauteurs – Virginia Woolf, George Orwell, James Baldwin, Joan Didion – die geschiedenis hebben geschreven, of beter gezegd: die hebben meegeschreven aan de geschiedenis, juist door volgend op de actualiteit stil te staan bij wat een politieke ontwikkeling nu eigenlijk te betekenen heeft, wat de actualiteit kán betekenen in één enkel menselijk bestaan. In Voel je vrij staat een aantal essays dat bij verschijnen, voornamelijk in The New York Review of Books, meteen al werd besproken, geciteerd en gekopieerd, essays die dus, nog voor ze in een band werden verzameld, een ‘klassieke’ status bereikten. Het is een voorrecht teksten als ‘Klaagzang om de veranderde seizoenen’, ‘Omheiningen: een dagboek over de Brexit’, ‘Find your Beach’ en ‘Vreugde’ opnieuw te lezen, en nogmaals op de denkbewegingen te stuiten die al bij een eerste lectuur grote indruk maakten. En doordat Smith nu dankzij de uitstekende vertaling taalgenoot geworden is, word je als lezer extra aangemoedigd mee te denken, en iets terug te zeggen, kanttekeningen te plaatsen, je af te vragen: dat is prachtig opgeschreven, maar ben ik het er wel mee eens?

Brexit

Het essay ‘Klaagzang om de veranderde seizoenen’ begint met de lucide observatie dat het de laatste jaren ongemakkelijk geworden is over zoiets simpels als het weer te praten. Met elke opmerking over wéér een temperatuurrecord klinkt er vaak verontrusting door over de verregaande verandering van het klimaat, én heimwee naar vroeger, toen het nog niet zo gruwelijk droog was in de zomer, nog niet zo vreselijk stormde in de winter en het soms in januari vroor, kortom toen er nog de regelmatige, sinds mensenheugenis onveranderlijke afwisseling van seizoenen plaatsvond. De mens heeft lang gedacht dat die goede oude planeet aarde het allemaal wel aankon, dat het goed zou komen, en nu staan we versteld van de gevolgen, schrijft Smith, net als ‘een klein meisje dat de hele dag tegen haar vader heeft lopen gillen en brullen’ en dat vervolgens niet verwacht ‘dat hij op een gegeven moment zelf huilend op de grond gaat liggen’. Het gaat hier met andere woorden over klimaatverwarring en klimaatmelancholie.

Smith denkt hardop na over de mensen die niet geloven dat het weer door de grootschalige uitstoot van broeikasgassen verandert, en ze merkt op dat dat in Amerika vaak diepgelovige mensen zijn. Wat vreemd is, stelt ze vervolgens vast, want je zou denken dat juist zij er alles aan zouden willen doen om de door God geschapen wereld in de oude staat te behouden. Tegelijk kapittelt ze het ‘andere kamp’, degenen die geloof hechten aan tal van wetenschappelijke rapporten en wanhopige klaagzangen aanheffen over alle mogelijke klimaatrampen die nu in het verschiet liggen, schijnbaar onwetend of onverschillig over de catastrofes die reeds plaatsvinden op plekken op aarde waar de dijken minder hoog zijn en de huizen minder stevig. Dit westerse doemdenken, vervolgt Smith, wordt gekenmerkt door ‘hetzelfde pervers verlangen naar de ondergang als dat van de evangelisten op wie ze zo neerkijken’. Dat is een mooie tweedeling, waarbij de schrijver zich boven het gekrakeel opstelt en zich de wijste betoont, maar doordat er geen namen worden genoemd is het moeilijk je iets bij die arrogante ondergangsdenkers (‘op wie ZE zo neerkijken’) voor te stellen. En is het niet eerder een probleem dat een meerderheid van mensen, uit ongemak, angst of (gezaaide) twijfel er het zwijgen toe blijft doen?

In ‘Omheiningen’ schrijft Smith over de Brexit. Het referendum vond plaats in de periode dat ze voor een paar weken terug in Noordwest-Londen was, en wandelend in haar oude buurt opeens zag dat er een groot hek om haar voormalige school stond. Dat hek zou symbool kunnen staan voor de groeiende kloven in de samenleving, voor de extreme ongelijkheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Die grote ongelijkheid beschouwt Smith als de belangrijkste reden voor de uiteindelijke uitslag van het referendum, waar mensen eindelijk eens de kans kregen om een duidelijk ‘Nee!’ te laten horen tegen een overheid die hen decennia in de kou had laten staan. Dat luide nee tegen de regerende klasse in Westminster en Brussel ging gepaard met een opleving van openlijk racisme; de moeder van Smith, geboren in Jamaica, kreeg in de dagen na het Leave op straat te horen dat ze nu ook maar gauw op moest krassen naar waar ze vandaan kwam; een skinhead schreeuwde haar een nazistische kreet toe, ‘alsof het weer eind jaren zeventig was’.

Als reactie prezen liberale stemmen het multiculturele Londen, waar massaal voor Remain was gestemd. Smith wil niet aan dat Hosanna meedoen en stelt dat het geen zin heeft te vieren dat je aan de goede kant van de politieke scheidslijn staat wanneer op hetzelfde moment toch evengoed in Londen overal hekken en omheiningen worden opgetrokken, tussen buurten, tussen huizen, tussen mensen onderling. In haar essay denkt ze terug aan twee jaar eerder, toen ze door familieomstandigheden langere tijd in Londen verbleef, in het huis dat ze daar tien jaar geleden had gekocht en dat inmiddels door de absurde stijging van de huizenprijzen een fortuin waard geworden was. Haar dochter volgde lessen op haar oude school, raakte verkikkerd op een jongen uit haar klas, en Smith had een aantal keer op het punt gestaan contact te leggen met de moeder van die jongen, een vrouw die vijftien jaar jonger was dan zijzelf en woonachtig in het blok sociale woningen waar zij in de jaren tachtig was opgegroeid. Maar ze zette nooit de eerste stap, en die ander, de jonge moeder, zocht evenmin toenadering, wat niets te maken had met het raciale verschil (de jonge moeder praatte wel vrijuit met andere zwarte moeders), maar des te meer met de sociale kloof die tussen hen bestond. Smith behoorde tot de rijkere middenklasse en de jonge moeder niet.

Vroeger, in de tijd dat ze zelf naar deze school ging, zou dat anders zijn gegaan, schrijft ze, vroeger had het wél gekund. De jonge Zadie kon gerust bij een vriendin die in het ‘verkeerde deel van Kilburn’ woonde spelen. Blijft de vraag waarom ze dan als volwassene niet tenminste een poging waagde tot enige vorm van toenadering? Want is het niet raar te schrijven over symbolische omheiningen, hoe zelfkritisch ook, en dan zelf de mogelijkheid nalaten zo’n afscheiding, al was het maar één woensdagmiddag, teniet te doen? Als buitenstaander zou je zo kunnen gaan denken dat de Britse neiging om steeds maar weer die nauw gedefinieerde klassenverhoudingen te bespreken de verhoudingen evengoed bestendigt als ze in twijfel trekt.

Anderzijds: wat vermag een enkele individuele poging de kloof te slechten indien de politiek afkoerst op een plutocratie? Een terugval naar de vooroorlogse situatie is inmiddels denkbaar en misschien al werkelijkheid geworden; dagloners werken zich het schompes in de City om de huur in de verre buitenwijken te kunnen betalen, gadegeslagen vanuit de hoogte door hun geprivilegieerde stadsgenoten. (‘The poor have no chance; no manners or self control to protect themselves with; poverty degrades, as Gissing said,’ oordeelde Virginia Woolf in 1917 in haar dagboek, in de jaren dat zij en haar man Leonard zich engageerden met de socialistische zaak.) In ons eentje kunnen we geen sociale kloof dichten, en daarom roept Smith in de slotalinea tot gezamenlijke actie op, zoals ze overigens haar essays wel vaker eindigt met een voluntaristisch slotakkoord, maar dat blijft wel vrijblijvend, zeker nadat in deze tekst de linkse oppositie in de persoon van Jeremy Corbyn (inderdaad geen groot voorvechter van de neoliberaal georiënteerde Europese Unie) is afgeschreven omdat hij als politicus ‘rampzalig ineffectief’ is. Met evenveel gemak zou je kunnen stellen dat Smith met haar verhuizing naar de Verenigde Staten toch ook mooi de richting heeft gekozen die diehard Brexiteers voorstaan.

Klasseloosheid

Het persoonlijke essay is een ruimte om de eigen positie te bepalen, géén retorisch vehikel (opiniestuk) waarmee een lezerspubliek voor de goede zaak gewonnen moet worden.
Oordelen of meningen staan niet voorop; het gaat eerder om het parcours waarin een oordeel tot stand zou kunnen komen, en over de vraag op welke ervaringen een overtuiging is gebaseerd. Tegenspraken of inconsistenties zijn er om ze op het spoor te komen, en dan niet eens om ze vervolgens met een sierlijke krul tot een synthese te herleiden. Zadie Smith hield in On Changing My Mind al een pleidooi voor inconsistentie, en voor het essayistische recht op onvolledigheid. Een essayist hoeft geen specialist of expert te zijn, ze hoeft niet het naadje van de kous te weten, en weet ze het wel, dan moet die kennis het aanvangspunt van een gedachte en niet het einde zijn. Daarom is het essay ook een laagdrempelig genre. Iedere schrijver en iedere lezer heeft de mogelijkheid deel te nemen aan de eigen ervaring, of dat nu de ervaring van een referendum, het klimaat, een kunstwerk, de lagereschooltijd of het plezier van een ananasijsje betreft.

In Voel je vrij zijn zowat alle non-fictieteksten gebundeld die Zadie Smith tussen circa 2009 en 2017 schreef. Een iets strengere selectie was mogelijk geweest. Het journalistieke, voor de New York Times geschreven profiel van Jay-Z zal bij hiphopliefhebbers noch bij hiphopleken tot veel nieuwe inzichten leiden; het is simpelweg een journalistiek profiel van de entrepreneur, zanger en man van. En de recensies die Smith acht maanden lang aan Harper’s Magazine leverde zijn best interessant, maar toch ook een beetje taai en belerend.

Maar goed, dat beleren is een neiging die iedere recensent herkent en bovendien: het zou een gemis zijn als deze teksten tot de tijdschriftbladzijden van het online zo goed als afwezige Harper’s beperkt waren gebleven. Neem het lange stuk over Edward St Aubyn, van wie Smith eerst de zich breed makende zinnen prijst (zinnen die weigeren zich aan te passen aan de ‘puriteinse bondigheid’ van de dominante Amerikaanse syntaxis), en vervolgens met enige reserve constateert dat St Aubyn helemaal niet de aristocraat is voor wie sommigen hem houden, dat hij integendeel de hogere standen eloquent het graf in praat door de psychopathologie te laten zien die onder het vergulde oppervlak schuilt.

Onmisbaar bij een beter begrip van Smith als essayist én romancier: de recensie van essayist en romancier Geoff Dyer. Dyer is net als Smith afkomstig uit de lagere middenklasse, en ook hij kreeg als adolescent de mogelijkheid met een staatsbeurs te studeren aan een peperduur Oxbridge-college. Na jaren van lanterfanten groeide hij tot zijn eigen verbazing uit tot een gerespecteerd auteur, door Smith getypeerd met een uitspraak die ze aan Susan Sontag ontleent en die zeker ook op haarzelf van toepassing is: ‘Mijn idee van een schrijver: iemand die overal belangstelling voor heeft.’ Waar ze aan toevoegt dat Dyer aardser, humoristischer en dus Britser is dan Sontag – een lichte sneer aan het adres van de Amerikanen. Britse auteurs, zegt Smith met Dyer, hebben dan weer over het algemeen grote moeite een overtuigende vertelstem te vinden, omdat elke taalvariant op het eiland meteen aan een bepaalde klasse wordt toegeschreven, en er dus, in tegenstelling tot grote broer Amerika, niet zo gauw een ‘natuurlijke’ of neutrale vertelstem voorhanden is die de verschillende dialogen met elkaar zou kunnen verbinden. Dyer vormt wat dat betreft een gelukkige uitzondering. Hij beschikt, oordeelt Smith, met name in zijn essays over een opvallend natuurlijke manier van spreken, hij paart ‘klasseloosheid’ aan eruditie en verstand van zaken, en ontstijgt zo het provincialisme dat Britse auteurs te snel omarmen.

Een selectie kan ook te streng zijn, want hoe kan het anders dat een aantal steengoede essays in Voel je vrij niet eerder werd gepubliceerd? Waren dat dan misschien teksten die Smith in haar ik-loze periode optekende en die ze nu pas durft te laten verschijnen? In ‘De badkamer’ schrijft ze over het gezin waarin ze opgroeide en over de Britse lagere middenklasse, een klasse die onder meer wordt gekenmerkt door keukens met gestreepte rolgordijnen, goedkope vliegvakanties naar het vasteland en – voor de kinderen – schoolgang op een openbare in plaats van een particuliere school. Wanneer je dat zo leest, lijkt het verdacht veel op een gemiddelde middenklassejeugd in Nederland en België, waar ongetwijfeld veel kan worden verbeterd aan het schoolsysteem, maar waar goddank geen traditie van particuliere scholen bestaat. Smith stelt dat de Britse lagere middenklasse over het algemeen tevredenheid uitstraalt, vooral door het besef dat men geen al te grote geldzorgen kent en niet (meer) bang hoeft te zijn voor elke op de deurmat vallende rekening. Evenmin wordt ze geteisterd door de ‘zelfverachting’ die de ‘echte middenklasse’ voortdurend voelt, laat staan door de ‘verzwakking’ waarmee de adel te kampen heeft.

Wanneer je zelf kinderen hebt gekregen, zie je opeens je eigen kindertijd in een ander licht. Voor Smith betekent dat een verre van sentimentele trip down memory lane – het levert haar inzichten op die confronterend zijn, al was het maar omdat ze zich bezint op de momenten van laksheid en zelfgerichtheid ten opzichte van haar kinderen, momenten die ze met terugwerkende kracht herkent als het gedrag van haar moeder tijdens moeizame middagen van dertig jaar terug. Met ontwapende eerlijkheid schrijft Smith over het moederschap, over haar rol in het gezin en de ruzies met haar echtgenoot over de meest banale dingen, over de vermoeidheid die optreedt als je een week alleen voor de kinderen moet zorgen, over het gevoel van vervliegende spijt bij het besef dat je wel degelijk een connaisseur op allerlei gebieden had kunnen zijn, als die kinderen er maar niet waren geweest! Zelfs, of misschien wel juist de meest onbaatzuchtige ouderliefde moet soms voor de poorten van de hel worden weggesleept. ‘Leuk voor het hele gezin bestaat niet,’ leert Smith, refererend aan een plichtmatige grap van Jerry Seinfeld:

Er is altijd iemand die iets op moet geven, de vraag alleen is hoeveel en voor wie. Op retrospectieve momenten zie ik duidelijk dat mijn ouders me veel meer hebben gegeven dan wat volgens mij redelijkerwijs van iemand kan worden verwacht, en veel meer dan wat ik mijn eigen kinderen kan geven. Want hoewel ik mijn kinderen oppervlakkig gezien op allerlei gebied meer geef: meer ‘kansen’, zeker meer vakanties, zeker meer ruimte, hebben mijn ouders me hun leven gegeven.

Susan Sontag in haar dagboek, misschien wel haar beste essayistisch werk: ‘The three sentences I’ve served: my childhood, my marriage, my child’s childhood.’

Rome

Een ander prachtige persoonlijk essay in Voel je vrij is ‘Liefde in de tuinen’, dat handelt over een aantal Italiaanse tuinen, maar vooral over Zadies vader Harvey Smith, die geen gelukkig huwelijk met haar moeder had maar altijd het beste voor zijn kinderen heeft gewild. Zijn dochter schonk hij een uitstapje naar Parijs nadat ze haar diploma had behaald:

Maar het is niet zo simpel om als blanke man van tegen de zeventig een tripje in Europa te maken met een zwart meisje van zeventien.

Later, na het verschijnen van de bestseller White Teeth (2000) op haar vijfentwintigste, beschikte dochter Zadie over de mogelijkheden iets terug te doen. Ze gaf haar vader een vakantie naar Florence – hijzelf wilde liever naar Frankrijk – alwaar ze samen de tuinen van Boboli bezochten, onder de eeuwenoude eiken naar mooie vrouwen keken en beiden het gevoel hadden niet netjes genoeg gekleed te zijn voor dit fabelachtige park.

Na het onverwachte overlijden van haar vader vertrekt Smith diep in rouw gedompeld naar Italië en gaat in Rome wonen. Over die tijd handelt het niet eerder gepubliceerde essay ‘Schaduw der ideeën’, dat volgt op ‘Liefde in de tuinen’. Het motto ‘Se non è vero, è molto ben trovato’ kondigt al aan dat het vertelde met een korrel zout moet worden genomen; zo komt midden tussen alle waarheidsgetrouwe essays ineens de ruimte van de fictie vrij, wat voor een surplus aan narratieve spanning zorgt – en voor een gevoel van bevrijding. Je weet opeens niet meer zeker, en je wilt het ook niet meer weten, of dit nu allemaal wel echt gebeurd is. Een mooi voorbeeld biedt Orhan Pamuks ontroerende tekst – te mooi om waar te zijn – ‘Eerste liefde’ in de essaybundel Istanbul uit 2003.

In ‘Schaduw der ideeën’ beschrijft Smith de doelloosheid van een verblijf in Rome, een writer’s block, het schuldgevoel tegenover de Afrikaanse straatverkopers, het voornemen om het schrijven weer op te pakken en eindelijk weer een toegewijde auteur te worden, levend naar het dictum van Giordano Bruno:

Ons plan is de kunst van de schaduw van ideeën door te geven, om u weg te leiden van uw slapende bestaan, van fouten en misleiding, van het dwaalspoor waarop u bent gebracht.

Het verblijf in Rome, of in elk geval dit verhaal, eindigt met een door een boekenkasthalogeenlampje veroorzaakte brand – Zadie en haar vriend zijn alles kwijt, hun woning, hun spullen en zelfs een belangrijk manuscript – dat echter in de laatste zin als bij wonder onaangetast gevonden wordt onder een Mariabeeld! (Er zijn critici die vragen hebben gesteld over de nalatigheid bij brandgevaar van deze toch intelligente auteur.)

Conservatisme

Wat moet er van Engeland worden nu Smith er niet meer woont? Zal het land zich nog verder overleveren aan de manisch conservatieven, die volgens Smith dermate reactionair zijn en zoveel bruggen achter zich hebben verbrand dat ze beter pyromaan zouden worden genoemd? Wie kan er zo overtuigend schrijven over het beste wat de Engelse literatuur de laatste decennia heeft voortgebracht? Smith wijdt inlevende essays aan auteurs J.G. Ballard en Hanif Kureishi, wier beroemdste romans ze van een nieuw voorwoord heeft voorzien. Ballard, zo schrijft ze, was een auteur die ze als leeshongerige studente half begreep en half verafschuwde. Destijds wilde ze de bestaande canon veroveren, ze schreef een scriptie over Engelse garden poetry, en met de kille, hoogmoderne romans van Ballard – Crash (1973) in de eerste plaats – zat ze in haar maag.

Was die Ballard in plaats van een literator niet gewoon een seksistische, psychopathische maniak, een gek die met een ongehoorde platheid over auto’s, seks en mutilatie schreef, op één en dezelfde pagina dan nog wel? Moest dit niet verboden worden? Dat was het kritische ogenblik, beseft ze achteraf, dat ze zich even in hetzelfde kamp bevond als de schijnheilig-preutse Engelse tabloidpers, die eveneens tegen Ballard te hoop liep. Ze had het indertijd bij het verkeerde eind. Crash is geen vunzig pornografisch verhaaltje, maar een roman die de pornografische principes blootlegt van een op consumentisme afgestelde samenleving. Het boek en vooral de receptie leert ons in elk geval, concludeert Smith in een omzichtig geformuleerde zin, een les in de manier ‘waarop je vrijzinnige identiteitspolitiek maar een beetje hoeft te manipuleren om een oprechte tegenstem het zwijgen op te leggen, een die namens ons allemaal probeert te spreken’.

De boeddha van de buitenwijk (1990) van scenarioschrijver en romancier Kureishi betekende heel veel voor Smith als jonge lezer en auteur. Ze zegt het niet expliciet, maar haar debuutroman Witte tanden zou er zonder Kureishi heel anders hebben uitgezien. De boeddha van de buitenwijk was een emanciperend verhaal; het boek liet eindelijk eens de wereld zien waarin Smith en haar klasgenoten leefden, toonde hoe migrantenkinderen een weg in het bestaan moesten vinden die nog niet door hun ouders was geplaveid én afbetaald. Kureishi schreef over het onversneden racisme in de oude volkswijken, maar ook over de neiging ‘minderheden’ al bij voorbaat in bescherming te nemen tegenover welke kritiek dan ook. Smith valt bij herlezing op hoe vaak het in deze roman over klasse gaat en hoe relatief weinig over kleur. Wel komt ze stereotyperingen tegen in de trant van ‘komische stadsjood’, ‘mystieke Indiër’ en ‘soulvolle zwarte vrouw’, maar eerder dan dit boek daarom gedateerd te noemen, pleit ze voor Kureishi’s gevoel voor humor, en vindt ze het ‘een verademing om terug te gaan naar die veel onschuldiger, rauwe tijd, toen we niet allemaal van die tere zieltjes waren die ons door elke willekeurige idiote uitlating tot op het bot lieten beledigen’.

Die onschuldige tijd van (n)ooit is verdwenen. Londen is allang niet meer het centrum van de wereld, dat is New York, en daar gelden andere pijnpunten, gebaseerd op een ander besmet verleden. Met die opmerking over ‘tere zieltjes’ probeert Smith ruimte te scheppen in moraliserende en eenkennige tijden, waarin auteurs algauw navelstaarderij wordt verweten als ze over hun eigen, directe omgeving schrijven, maar juist weer vragen over appropriatie voorgelegd krijgen als ze zich een ander perspectief proberen eigen te maken. Zo bezien is het dan wat flauw te noemen (en beperkend) dat Smith in een Harper’s-recensie de afkeer van dancehall en de voorkeur voor oude, politiek geëngageerde reggae van een door haar geprezen Jamaicakenner in verband brengt met diens huidskleur (wit), geslacht (man) en leeftijd (middelbaar).

Smith kreeg bewogen kritiek te verduren nadat ze in een bespreking van de film Get Out (opgenomen in Voel je vrij) de mogelijkheid verdedigde dat een witte schilder de historische, gewelddadige dood van een zwarte jongen tot onderwerp van een werk zou nemen. Het ging om het schilderij dat Dana Schutz in 2017 maakte van Emmett Till, een veertienjarige jongen die in 1955 gelyncht werd omdat hij met een witte vrouw zou hebben geflirt. Smith vond dat schilderij niet zo goed, legde ze uit, maar stipte wel het gevaar aan van raciaal essentialisme in de argumentatie van degenen die het als appropriatie duidden en het doek naar een depot verbannen wilden zien. Ze wees onder meer op de in Amerika en elders bestaande kans dat een familie binnen enkele generaties van ‘zwart’ in ‘wit’ verandert, of andersom. Wat halverwege haar gedachtegang leidde tot de vraag: ‘Zijn mijn kinderen te wit om zich te bekommeren om het leed van zwarten?’

Zelfverwerkelijking

Over de verschillen tussen Amerika en het Verenigd Koninkrijk, of, om de verhoudingen in het juiste machtsperspectief te plaatsen, tussen Manhattan en Engeland, schrijft Smith in het bekentenisessay ‘Find your Beach’. Hier draait het om een bij uitstek individuele, wezenlijk Amerikaanse ervaring. De gebiedende wijs van de titel is ontleend aan een New Yorkse reclameslogan van een biermerk, en voor Smith drukt die de categorische imperatief van Manhattan uit: het individu heeft de plicht om zijn geluk te vinden en te maximaliseren, wat zo ongeveer neerkomt op de kreet die haar sportschoolinstructeur over zijn zwetende klanten verbreidde: ‘Stel jezelf geen grenzen die er niet zijn!’

In een wereld waar die wet algemeen wordt aanvaard, zijn ongeluk en financiële problemen in de eerste plaats te wijten aan persoonlijk falen. In Manhattan staan in de top drie van persoonlijke, verwijtbare zwaktes: armoede, obesitas en kinderloosheid. Je zorgt maar dat je genoeg geld hebt om de huur te betalen, en als je te zwaar bent dan neem je een duurder fitnessabonnement! En wat een onzin dat carrière en kinderen moeilijk of niet te combineren zijn: die opmerking alleen al getuigt van een laag zelfbeeld en dito ambitieniveau. Zo bezien gaat de titel ‘Voel je vrij’ bitter ironisch klinken – als een stil commentaar op de Amerikaanse werkelijkheid, de – aldus Baldwin – ‘sunlit prison of the American dream’.

Maar dan volgt de tournure van dit essay – het moment waarop de essayist bij wijze van spreken diep ademhaalt (Raymond Williams’ oordeel over de afvallige socialist Orwell: ‘His interest lies wholly in his frankness’) en voorbijgaat aan wat politiek gezien binnen de eigen kring wenselijk zou zijn:

Hieruit lijkt logischerwijs te volgen dat ik gelukkiger ben in het pragmatische Engeland dan in het idealistische Manhattan, maar dat kan ik niet naar waarheid bevestigen. Je gaat hier niet wonen als de waanvoorstelling van een realiteit die je rond je verlangens hebt gevormd niet een belangrijk aspect van je persoonlijkheid is. ‘Een realiteit gevormd rond je eigen verlangens’ – die ambitie heeft ook iets psychopathisch.

De laatste zin is een kritische relativering, en het essay eindigt met een al even relativerende, waarschijnlijk typisch Britse zin. Maar de kern van het stuk is absoluut en Amerikaans, namelijk dat ‘zelfverwerkelijking’ de ziel van Manhattan uitmaakt – Joan Didion sprak vijftig jaar geleden in het essay ‘Goodbye to All That’ over de niet aflatende beloftes van New York, wat min of meer op hetzelfde neerkomt. De opdracht tot zelfverwerkelijking is tegelijk geweldig én verschrikkelijk, aldus Smith, die zich eerder in de bundel een ‘gevoelige humanist’ noemde, een schrijver die het geloof wil uitdragen dat haar kunst anderen kan helpen, ook en misschien wel vooral als die hulp pijnlijk is. En dat is ongetwijfeld waar, intenties zijn trouwens altijd waar, maar in ‘Find your Beach’ komt een andere persoonlijkheidstrek naar voren, niet per se mooier, maar minstens zo echt: de ambitieuze, zelfgerichtheid die nodig is om onverbiddelijk én vol mededogen over een gemeenschap van fictieve anderen te schrijven.

Ik heb me bij het omslaan van de laatste bladzijde van dit volle, rijke, tegenstrijdige boek afgevraagd wat het tegendeel van ‘zelfverwerkelijking’ is, en of dat tegendeel eigenlijk niet veel beter de basis van een schrijverschap zou kunnen vormen. Eerst dacht ik aan het begrip ‘wereldverandering’, maar dat klopt niet, dat is te pretentieus en te behaagziek, je zou er goede sier mee maken in de plenaire vergaderzaal van de Verenigde Naties, daar in dat dure Manhattan. Zou het ‘wereldontkenning’ kunnen zijn? En dan niet in de zin van ‘struisvogelpolitiek’, of een nihilistische vorm van wereldverachting, maar als een verwoede poging tenminste een deel van de wereld te verwerpen, een resolute weigering mee te gaan in wat gangbaar en gebruikelijk is, al was het maar om in een uithoek van de werkelijkheid opnieuw te beginnen met de taal van een gedicht of een roman.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?