cover big

Tegen de keer

Gijsbert Pols

Over Jozef van den Berg. Van poppenspeler tot acteur van Christus van Francis Jonckheere

Lannoo, Houten, 2014,
ISBN 9789401418447 / 224p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 01-07-2015

Bookmark and Share

Wanneer een gerenommeerd opiniemaker van een landelijk dagblad van capitulatie spreekt als het laatste nummer van Charlie Hebdo nauwelijks nog spotprenten van Mohammed bevat, is het zeker niet gewaagd om te stellen dat de Nederlandse discussie over vrijheid van meningsuiting obsessieve trekken heeft gekregen. Dat roept onherroepelijk de vraag op hoe vrij we eigenlijk nog zijn. Want als vrijheid zo nadrukkelijk en – vooral – zo vaak als essentie van onze samenleving genoemd wordt, gaat het dan niet eerder om een gefnuikt verlangen dan om een kernwaarde?

Natuurlijk, Nederland is een vrij land in die zin dat het staatapparaat zijn critici niet martelt zoals, bijvoorbeeld, in een bevriende natie als Saoedi-Arabië gebeurt. Dat neemt niet weg dat de staat zich veel laat welgevallen. Een goed voorbeeld daarvan is de manier waarop er in Gouda bij de laatste Sinterklaasintocht tegen andersdenkenden werd opgetreden. Ook de kritische studenten die zich onlangs in het Maagdenhuis verzamelden konden bepaald niet hun gang gaan. En zoals David Graeber opmerkte: als je maar consequent genoeg weigert je bibliotheekpas te laten zien, komt er uiteindelijk wel een man met een taser op je af.

Beroerder nog is de sociaaleconomische situatie. Ons leven is vanaf onze geboorte tot aan onze dood onderhevig aan een even complex als rigide regelwerk: als kleuter moet je naar school, als adolescent moet je een opleiding volgen, als volwassene moet je werken. En wie dat niet doet, staat automatisch onder curatele. Dit regelwerk heet ons aller belang te dienen en tot op zekere hoogte is dat ook zo, maar uiteindelijk staat het in dienst van de accumulatie van kapitaal. Geen politicus die het zal ontkennen: onze politiek is in laatste instantie gericht op het genereren van economische groei.

Het bijzondere aan een kapitalistisch georganiseerde economie als de onze is nu dat die groei niet ten goede komt aan de mensen die die groei door hun arbeid produceren, maar aan degenen die over het kapitaal beschikken. Van hard werken word je niet rijk, behalve als je een investeerder vindt die een substantieel deel van je winst met je deelt – en die zijn schaars. Deze scheve verhouding tussen de productie en het profijt van economische groei heeft in het verleden tot enorme maatschappelijke spanningen geleid. Na de Tweede Wereldoorlog kozen onze politieke leiders er daarom voor om het profijt te herverdelen door het heffen van belastingen, wat leidde tot een historisch ongekende materiële welvaart van de producenten – van ons, dus.

Maar na een aantal decennia begon de groei te stagneren. Om de accumulatie van kapitaal toch te kunnen blijven garanderen, begon men de herverdeling van de groei daarom te beperken. Bovendien werd langzaam maar zeker de autonomie ondermijnd van maatschappelijke instituten die tot dan toe van het produceren van economische groei waren vrijgesteld. De resultaten zijn bekend. De managers die onze universiteiten bestieren hechten meer waarde aan vastgoedmanagement dan aan onderwijs en maken de vergaring van kennis afhankelijk van de potentiële marktwaarde. Ziekenhuizen worden gedwongen onze ziektes als bron van inkomsten te zien en inmiddels ontlenen zelfs onze natuurgebieden hun bestaansrecht aan het idee dat ze in potentie profitabel kunnen zijn.
De zogenaamde participatiemaatschappij is het sluitstuk van deze politiek – want wat is deze maatschappij anders dan een maatschappij waarin iedereen die niet productief is gecriminaliseerd wordt? Er is een tijd geweest dat werkloosheid als een probleem gezien werd dat maatschappelijk opgelost diende te worden. Die tijd is voorbij: wie nu werkloos is, moet ‘aan zichzelf gaan werken’ of ‘over zijn schaduw springen’ of ‘uit zijn comfort zone komen’, wat allemaal neerkomt op onderwerping aan de eisen van de markt. Wie weigert wordt tot productiviteit gedwongen.

Wat dit nu met Jozef van den Berg (1949) te maken heeft? Veel. Het is namelijk erg naïef om te denken dat deze politiek geen weerslag op ons denken heeft. Een vriendin die onlangs een opvangproject voor slachtoffers van kinderprostitutie in Mumbai gefinancierd wist te krijgen, ontving van een enthousiaste collega de felicitatie: ‘Meid, wat goed voor je CV!’. Het jaar backpacken in Zuidoost-Azië, voor veel van mijn generatiegenoten de ultieme droom van vrijheid, moet voor steeds meer mensen gerechtvaardigd worden als een boost voor je carrière. En is er de afgelopen jaren iemand op vakantie geweest, heeft er iemand een feestje gevierd of heeft er iemand überhaupt nog een vorm van geluk gekend zonder dat er even verontschuldigend bij uit te leggen dat zij of hij er hard voor gewerkt heeft?

Ik heb Jozef van den Berg. Van poppenspeler tot acteur van Christus van Francis Jonckheere juichend gelezen, omdat Jozef van den Berg iemand is die zich aan dit alles consequent onttrekt en zo nadrukkelijk anders is. Aan het boek zelf lag dat minder: het is weinig meer dan een verzameling samenvattingen van Van den Bergs toneelvoorstellingen, recensies van zijn werk en lange citaten uit interviews en teksten van de gebiografeerde. Normaal gesproken zou ik me daar op deze plek boos over maken, maar daar heb ik nu helemaal geen zin in. Ik treed Jonckheere tegemoet als met de welwillendheid die je voor een enthousiaste amateur opbrengt en neem het door hem bij elkaar geharkte materiaal dankbaar aan.

Want uit dat materiaal komt een meeslepend en wonderlijk leven tevoorschijn. Van den Berg is een succesvol theatermaker en poppenspeler totdat hij op 14 september 1989 in een theater in Antwerpen vers zeventien en achttien uit Paulus’ tweede brief aan de Korintiërs voorleest en het publiek kort uitlegt dat zijn theaterleven erop zit. Niet lang daarna treedt hij toe tot de Orthodoxe Kerk, brengt hij enige tijd in de gesloten afdeling van een psychiatrische kliniek en het beroemde klooster van Athos door, om uiteindelijk zijn intrek te nemen in het Gelderse plaatsje Neerijnen, waar hij aanvankelijk in een fietsenhok en na een paar jaar in de tuin van een bevriende familie leeft, in een klein hutje. Hij leeft van wat mensen hem geven en brengt zijn dagen door met meditatie, wandelen en het ontvangen van mensen die hem opzoeken.

De stap van theatermaker naar kluizenaar lijkt een radicale breuk, maar als je je in zijn theaterwerk verdiept kun je evengoed stellen dat Van den Bergs kluizenaarschap een artistiek en intellectueel vervolg is op zijn voorstellingen. Het stuk dat op de befaamde avond in Antwerpen gepland stond heette Genoeg gewacht en was een direct antwoord op En attendant Godot (1952) van Samuel Beckett. Uit de ijverige navertellingen van Jockheere blijkt bovendien dat in eerdere voorstellingen christelijke thema’s als vergeving, opoffering en verlossing een wezenlijke rol spelen. En belangrijker nog: anders dan in het meeste moderne drama – en eigenlijk ook in de meeste moderne literatuur – biedt Van den Berg in zijn stukken geen meerduidige, subjectieve blik op de wereld, maar roept hij een eigen, alomvattende wereld op.

Een fraai voorbeeld daarvan is de kindervoorstelling O… oceaan (1988-1989), vrijwel volledig terug te vinden op YouTube. Hierin vindt Van den Berg, of althans zijn vaste, zwerverachtige theaterpersonage Jozef, een pot die voor iedereen die erop gaat zitten drie wensen vervult. Jozef wenst een vrouw, een mooie vrouw, die heel mooi kan zingen en muziek kan maken. Hij wenst ook dat hij en zijn vrouw elkaar heel goed begrijpen, want ‘als papa’s en mama’s elkaar niet meer begrijpen, / dan wordt het voor de kinderen verschrikkelijk.’ De vrouw verschijnt in de gedaante van een zekere Marie, zingend en accordeon spelend. De twee richten hun idylle aan het strand in en zijn gelukkig, totdat Marie haar toonladders gaat oefenen. Jozef verzucht dat ze even haar mond hield en zit daarbij per ongeluk op de wenspot: Marie kan terstond geen klank meer uitbrengen. Dan verschijnt Tovenaar Appeloog, één van de vele regulars uit Van den Bergs theatervoorstellingen. Hij vertelt dat Marie haar stem terug kan krijgen als Jozef datgene wat hem het dierbaarst is in de pot stopt en de pot vervolgens in de zee werpt. Dat is natuurlijk, zo roepen de kinderen uit het publiek hem toe, mannetje Pluim, het poppetje dat Jozef van zijn vader heeft gekregen, vlak voordat die doodging. Na ampel beraad offert mannetje Pluim zich in een ontroerende scène op en Jozef werpt de pot met het poppetje de zee in. Marie krijgt haar stem terug en zingt een hartverscheurend liedje. Het einde is happy, of beter: genadig. Tovenaar Appeloog belt Jozef en zegt dat Marie met haar muziek een storm moet opwekken, zoals alleen vrouwen dat kunnen. Aldus geschiedt – en de wenspot spoelt weer aan. Jozef wenst terstond mannetje Pluim terug, dat inderdaad weer het toneel op komt rijden. De tweede en derde wens laat Jozef deze keer aan mannetje Pluim over, die een groot feest voor alle kinderen wenst, met veel ballonnen. De voorstelling eindigt als de kinderen uit de zaal het toneel bestormen en met de ballonnen spelen.

O… oceaan is totaal omdat er geen enkele referentie is naar de wereld buiten het theater. Als het stuk al ergens naar verwijst, dan is het naar eerder werk van Van den Berg. Het theater is zodoende de wereld, een gesloten systeem dat zelfs de toeschouwers binnen wil sluiten. Die kunnen immers participeren in de genade die Jozef ten deel valt. Maar het lijkt voor Van den Berg niet te hebben volstaan. De wereld van zijn stukken is nog altijd een wereld die het theater nodig heeft om te bestaan en als zodanig ook te negeren valt. Met zijn kluizenaarschap heeft Van den Berg echter de wereld tot zijn theater gemaakt en daarmee is zijn verschijning onoverkomelijk geworden – in potentie is iedereen er in betrokken. Zoals hijzelf stelt heeft hij zich van theatermaker tot ‘acteur van Christus’ ontwikkeld.

Ongetwijfeld zullen er mensen zijn die Van den Berg als een geflipte kunstenaar of, even dodelijk, als een geflipte gelovige afdoen. Ongetwijfeld zullen er mensen zijn die er streng op wijzen dat hij met zijn theaterleven ook afscheid nam van een gezin met jonge kinderen. Ongetwijfeld hebben die mensen een beetje gelijk, maar het is nou eenmaal zo dat wie zich tegen de keer stelt de waarheden van de goegemeente geweld aandoet – roepen in de woestijn gaat niet zonder pijn aan je stembanden. Het lijkt me van groter belang om ons juist in deze tijd door een leven zoals Van den Berg dit ons voorspeelt te laten inspireren en erover na te denken hoe we het kunnen aanvaarden, als een geschenk.

Betekent die aanvaarding dat we morgen allemaal op de fiets moeten stappen en de wereld zoals we die kennen en in stand houden verzaken? Op zichzelf zou het geen beroerd idee zijn, vind ik. Ook is het de hoogste tijd dat er weer eens iemand een subsidie aanvraagt voor ‘een theatrale activiteit, dit in de ruimste zin genomen, die uiting geeft aan de Geest van Christus’ – zoals Van den Berg nog vlak voor zijn definitieve wereldverzaking deed. Toch lijkt me navolging niet de beste manier om aan Van den Bergs kluizenaarschap betekenis te geven. We leven in een wereld waarin we geacht worden te geloven dat ons maar één rol toekomt – namelijk als producent van economische groei. Van den Berg laat ons zien dat we ook een geheel andere rol kunnen spelen. En alleen door zelf aan die geheel andere rol een eigen invulling te geven, kunnen we onze honger naar vrijheid stillen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?