cover big

Hogepriester van het raadsel van het boek

Ger Groot

Over De essays van Jorge Luís Borges (vert. Barber van de Pol)

De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2016,
ISBN / 848p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 18-02-2017

Bookmark and Share

Een schrijver, zo wilde de postmoderne literaire kritiek, is niets anders dan de naam van een oeuvre. Maar wat is een oeuvre? Wat zijn de grenzen en omvang ervan? En hoe ver reikt de zeggenschap daarover van de man of vrouw wiens/wier naam met die van dat oeuvre samenvalt?

Bij de Argentijnse schrijver en bibliothecaris Jorge Luís Borges (1899-1986) dringen die vragen zich als bij geen enkele andere auteur op. Zijn persoon belichaamt de boekenwereld op een unieke manier. Hij is de vleesgeworden transformatie van de werkelijkheid tot een universum van papier, inkt en drukletters. De verhalen die hij schreef zijn gedrenkt in andere verhalen; zijn essays werden verhalen met het boek als levend personage. Verbeeld of werkelijk: dat is bij Borges moeilijk uit te maken. Elk bestaand boek waarover hij schrijft wordt op slag een literaire verbeelding. Elk boek dat hij in zijn fantasie bedenkt, wordt echt doordat hij erover schrijft.

En Borges zelf? Sprak, dacht, leefde hij ooit met iets anders dan het gedrukte universum waarmee hij synoniem was geweest? Wie hem leest, vraagt zich met verwondering af hoe deze man bestaan kan hebben. Een banale opmerking over het weer, een verzoek om hulp bij het oversteken (hij was vanaf het midden van de jaren vijftig blind) of simpelweg om een versnapering, is in zijn mond bijna onvoorstelbaar. Als de naam van een schrijver staat voor zijn oeuvre, dan staat die van Borges voor ál het geschrevene en gedrukte, waarmee zijn eigen werken een symbiose vormden.

Zo ongrijpbaar als dat mag klinken, zo ongrijpbaar is ook Borges’ oeuvre – en dus Borges zelf. In mijn boekenkast staat een cassette uit 1989 met zijn Verzameld werk in het Spaans in drie delen. In 1996 kwam er een vierde deel bij. Het jaar daarop nóg een deel met ‘herwonnen teksten’ van tussen 1919 en 1929. Een dikke band (ruim duizend pagina’s) met teksten geschreven in samenwerking met anderen was die al voorgegaan. Ook daarmee was de collectie nog niet compleet. Sindsdien zijn er opnieuw teruggevonden boeken heruitgegeven, soms in weerwil van het oordeel van Borges zelf, die ze nooit heeft laten herdrukken.

In Nederland zijn nu drie dikken delen verschenen die in hun titels uitstralen wat in de Spaanse uitgaven maar niet wil lukken: de illusie van volledigheid. Alle gedichten verscheen al in 2015, De verhalen en De essays in de afgelopen maanden. De verhalenbundel bevat niets wat niet al eerder verschenen was, vlak voor de eeuwwisseling bijeengebracht in de set ‘Werken in vier delen’. Voor de essays ligt dat anders. De toenmalige selectie van zo’n 550 bladzijden is met ruim de helft uitgebreid, met een ruimere bladspiegel bovendien.

In haar inleiding merkt samenstelster Barber van de Pol (1944) op dat ook daarmee nog lang geen volledigheid is bereikt. Vooral uit het vroege werk is veel weggelaten. Soms is het alleen voor Argentijnen interessant of goed te begrijpen, dan weer steekt het bij de latere geschriften pijnlijk onrijp af. Daarom werden er uit de bundel Inquisities uit 1925, door Borges zelf resoluut verloochend, maar vijf teksten opgenomen, uit De omvang van mijn hoop uit het daaropvolgende jaar zeven van de ruim vijfentwintig.

Bij het lezen ervan ‘riepen mijn hersens af en toe “help”,’ merkt Van de Pol in haar inleiding op. Borges had zijn vroege werk niet voor niets afgewezen. Zelfs in de essays die zij wel de moeite van het vertalen waard achtte, krommen de tenen zich soms van plaatsvervangende schaamte.

Plan. Ik wil afrekenen met het buitengewone aanzien dat men tegenwoordig aan het ik pleegt te hechten: een streven waartoe ik word aangezet door een stellige overtuiging en niet door de aanvechting om een ideologische grap of een onbesuisde, intellectuele kwajongenstreek uit te halen.

Zo’n openingszin is alleen in de schoolkrant van een elitair gymnasium te excuseren.

‘Zoals men ziet werpt Minerva’s olijfboom weldadiger schaduw over de rijke bron die Ulysses is dan de laurier.’ Zoiets klinkt niet alleen pompeus, uit de pen van de vijfentwintigjarige die Borges dan is. Bij zijn eerdere bekentenis dat hij James Joyce’s baanbrekende roman alleen maar hapsnap had doorgebladerd, vraag je je onwillekeurig af hoe hij het waagde daarover desondanks een essay te publiceren – al moet je toegeven dat hij er, zeven jaar na de verschijningsdatum van de emblematische roman, in de Ulysses-receptie vlot bij was.

Overspannen pretentie is de grondtoon van Borges’ vroege werk. ‘Datzelfde zei Spengler gisteravond tegen me op bladzijde 113 van zijn tweede, nog onvertaalde boek…’: wie zoiets schrijft lijdt niet alleen aan literaire pronkzucht. Voortdurend lijkt Borges de indruk te willen wekken alles al gelezen te hebben en simpelweg dé belichaming van de literatuur te zijn. Dat is hem uiteindelijk goed gelukt: hij wérd de incarnatie van het boek. Men geloofde in zijn magische begoocheling, des te gretiger omdat ook de wereld die zich overgeeft aan de ‘cultus van het boek’ (de titel waaronder zijn bundel Otras inquisiciones vertaald werd) snakt naar helden die groter zijn dan het leven zelf.

In zijn vroege essays is de kunstgreep nog onvolmaakt en daarom doorzichtig. Wellicht verbande Borges ze mede daarom uit zijn oeuvre. Later beoefende hij zijn magie zoveel virtuozer, vooral vanaf zijn bundel Ficciones uit 1944, die in de jaren zestig eerst in Frankrijk en van daaruit over de hele wereld zijn reputatie zou vestigen. In deze Nederlandse editie is hij niet opgenomen in de band met essays maar die met verhalen: een dubieuze beslissing, misschien omdat de titel ervan in het Nederlands van oudsher Fantastische verhalen luidt, maar bij Borges liepen beide genres nu eenmaal altijd door elkaar.

In die vermenging van genres, die zelf een heel nieuw genre in het leven riep, was hij baanbrekend en kon hij briljant zijn. Ficciones is met zijn hallucinante stijl-, genre- en denkexperimenten nog altijd het boek dat Borges tot ‘Borges’ heeft gemaakt: de naam die staat voor een oeuvre. Maar ook een ongewisse naam, die volgens de deconstructieve lezing van Jacques Derrida (wiens postmodernisme zoveel met dat van Borges gemeen heeft) steeds zijn eigen ontmaskering in zich draagt. Ja, vanaf Ficciones wordt het werk Nobelprijswaardig en sommige van de essaybundels die in deze uitgave voor het eerst in het Nederlands verschijnen (Borges als spreker, Zeven avonden) zijn een aanwinst.

Maar van begin af aan worden zij ook ondermijnd door het onvolmaakte jeugdwerk, waarvan de ondeugden zich plots in de meer-dan-rijpe Borges lijken te weerspiegelen.

De legendarische roep van deze tot literatuur geworden schrijver en bibliothecaris: hoe geconstrueerd is die eigenlijk niet? Wanneer de jonge Borges zich het air aanmeet van de alleslezer en allesweter, hoeveel pretentieuze geliktheid klinkt er dan plotseling ook in zijn bejaarde alter ego niet mee: een ondeugd waarmee Argentijnen in de Spaanstalige wereld toch al behept heten te zijn? Deconstrueert het oeuvre daarmee misschien zelfs de literatuur als geheel, die zonder aanmatiging niet zou kunnen zijn wat ze was? Zonder het gewiekste vermogen de indruk te wekken een hele bibliotheek gelezen te hebben waarvan men in het beste geval de titels kent, overleeft men er niet.

Zo werd ook Borges zijn eigen ficción: het fantastische verhaal van de ‘ideale lezer’ waar de literatuurtheorie het over heeft en die plotseling leek te kunnen bestaan – al was het maar als illusiespel. Iedere auteur heeft tenslotte iets van een magiër. Tovenarij lijkt het wanneer een eigennaam plots van gedaante verandert en de naam van een oeuvre wordt: niet langer een lichaam maar een rij banden in het begoochelende labyrint van een bibliotheek. Maakt Borges zo alsnog zijn reputatie waar: niet ondanks maar dankzij de zwakheden die zijn vroege werk soms onuitstaanbaar maken? Dat zou de apotheose zijn van het postmoderne ‘lied van schijn en wezen’: het genre waarvan Borges, als schepper van niet-bestaande boeken en verloochenaar van zijn eigen échte werk, hoe dan ook de hogepriester was.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?