cover big

Vergeefs verlicht bewustzijn

Daniël Rovers

Over 22.04 van Ben Lerner (vert. Arthur Wevers)

Atlas Contact, Amsterdam, 2014,
ISBN 9789025442750 / 301p.

(2) reactie(s) - geplaatst op 28-01-2015

Bookmark and Share

Stel, je krijgt van je moeder te horen dat je pas overleden Libanese vader, een seculiere moslim, je biologische vader niet is en dat je in werkelijkheid verwekt bent door een Amerikaanse academicus. Terwijl je het bericht probeert te verwerken, kijk je naar je armen en je ziet de tint van je huid letterlijk verbleken nu je weet dat je biologische vader een blanke Amerikaan is. Met de informatie raakt je zelfbeeld uit het lood. Je bent niet langer de persoon die je dacht te zijn en dat heeft ook gevolgen voor je overtuigingen. Je hebt je vanaf je studententijd altijd ingezet voor gerechtigheid in het Midden-Oosten, maar nu je daar niet meer in letterlijke zin geworteld bent, heb je het gevoel het recht niet meer te hebben als voorvechter op te treden.

De anekdote wordt verteld in veelgeprezen tweede roman 22.04 van Ben Lerners (1979), in een dialoog tussen de naamloze verteller en een vriendin van hem, zonder dat de betekenis ervan uitputtend beschreven wordt. Je zou kunnen stellen dat ze duidelijk maakt hoe belangrijk het verhaal is dat we over onszelf vertellen, of anders gezegd, dat zo’n verhaal toch altijd eerst een verhaal en vervolgens pas een leven is, al denken we ons te baseren op harde feiten, of afstamming en bloedbanden. Voor de vrouw in kwestie is de nieuwe versie van haar leven een grote schok en zelfs een deceptie, maar als lezer ervaar je toch ook een zekere bevrijding, omdat het op een adembenemende manier de kracht van de verbeelding blootlegt en laat zien wat een stichtend verhaal zoal kan bewerkstelligen. Maar dat is natuurlijk wel vanaf de wal bekeken; in een cultuur waarin de kernwaarde van het politieke leven authenticiteit is, kun je haast niet anders denken dan dat je voor je engagement over de juiste papieren dient te beschikken.

22.04 uur is het tijdstip waarop in de grand finale van Back to the Future Marthy McFly (Michael J. Fox) dertig jaar naar de toekomst wordt geflitst, terug naar het vertrouwde 1985. De film speelt zich grotendeels af in 1955, waar Marthy de cruciale ontmoeting tussen zijn vader en moeder verstoort, waardoor zijn ma niet op zijn pa, maar op hém verliefd wordt, wat Fox in de tweede helft van de film meermaals het hoge ezelsgebalk ontlokt waar hij het patent op had. De crux is dat hij ervoor zal moeten zorgen dat hij géén invloed heeft op de gang van de geschiedenis en al zijn krachten dient aan te wenden om zijn sullige vader alsnog aan zijn verre van preutse moeder te koppelen. Pas als hij terug in 1985 is, blijkt dat geen enkele ingreep in het verleden zonder gevolgen kan blijven. In Back to the Future II vertrekt Marthy vanaf 1985 – het jaar waarin Ronald Reagan, B-acteur in 1955, de president is – dertig jaar de verre toekomst in, helemaal naar ons toe, naar het jaar 2015.

Een ingreep in de tijd met behulp van de verbeelding – dat is precies wat de romankunst met speels gemak doet en in 22.04 wordt dat spel tot thema verheven. De oorsprong van het verhaal ligt voor een deel in de fictie van Back to the Future, of liever, in Christian Marclays The Clock, een cinematografische uurwerk opgebouwd uit filmstills van kloktijden, met onder meer het aan Back to the Future ontleende tijdstip 22.04 uur. Op het moment dat de verteller The Clock bekijkt, neemt hij zich voor een verhaal te schrijven gebaseerd op zijn leven en daarin alle ‘werkelijke’ namen te vervangen door ‘fictieve’ namen. (Aanhalingstekens, omdat de verteller zijn voornemen oppert binnen het fictieve raamwerk van de roman.) Het volgende hoofdstuk vervolgt met juist die verzonnen namen en de roman wordt niet langer in de eerste persoon enkelvoud maar in de derde persoon verteld; de ‘ik’ heet er nu ‘de auteur’. Dat tweede hoofdstuk heet ‘De gulden hoorn’ (The Golden Vanity) en werd oorspronkelijk als zelfstandig verhaal gepubliceerd in The New Yorker. In de volgende hoofdstukken, opnieuw verteld in de eerste persoon enkelvoud met de oorspronkelijke namen uit hoofdstuk 1, wordt duidelijk dat de verteller-auteur op grond van dit verhaal een contract voor een tweede boek aangeboden kreeg; en dat de roman die zo ontstond – en die wij lezen – een waarheidsgetrouwer variant van ‘De gulden hoorn’ is.

Het is een understatement om te stellen dat dit boek slim in elkaar steekt. Doordat de hoofdstukken niet chronologisch op elkaar volgen en de handeling binnen een hoofdstuk vaak ongemerkt verspringt, krijg je als lezer nooit helemaal greep op het verhaal. Het is alsof de beschreven tijd voortdurend uit je handen glipt. Dat zorgt, samen met de fictionele gelaagdheid – de ‘fictie’ van het korte verhaal geënt op de ‘werkelijkheid’ van de roman – voor het paradoxale werkelijkheidseffect van 22.04.

Een kind krijgen

De verteller in 22.04 staat op het punt een grote verandering te ondergaan nadat hij zijn beste vriendin Alex beloofd heeft dat hij haar als spermadonor zal helpen haar kinderwens te vervullen. Over de rol die hij in de opvoeding gaat spelen, spreken ze voorlopig niets af. Hij wil graag het beste voor iedereen, voor haar, voor de wereld en voor zichzelf, maar toch heeft hij het er kwaad mee. Hij twijfelt of hij wel tot het goede in staat is.

Dat tekent ook zijn houding tegenover de wereld in het algemeen. Voortdurend heeft hij een slecht geweten, steeds wil hij zich ergens expliciet of impliciet voor verontschuldigen. Voor de buitenlandpolitiek van zijn vaderland bijvoorbeeld, dat met behulp van drones zijn vijanden en toevallige omstanders naar een andere wereld helpt en zo actief bijdraagt aan de aanwas van een volgende generatie gemotiveerde terroristen. Of voor het restrictieve, hypocriete immigratiebeleid van de Verenigde Staten, waardoor grote groepen inwoners van grote steden als New York onderbetaalde tweederangsburgers zijn geworden. Of de manier waarop het klimaat om zeep wordt geholpen, waardoor we ’s winters in absurd stormachtig weer leven en de stad New York in twee jaar tijd met twee tropische cyclonen te maken kreeg – ze vormen het begin en het einde van deze meta-mimetische roman.

Bij klagen alleen blijft het niet, de auteur in 22.04 zet zich in voor een betere wereld. Hij werkt als vrijwilliger in een biologische supermarktcoöperatie, hij laat een betoger van het Occupy-kamp in Zucotti Park in zijn veel te dure appartement douchen en maakt een maaltijd voor hem klaar, hij is mentor van een uit El Salvador afkomstige jongen, wiens ouders niet over verblijfspapieren beschikken. Samen maken ze een werkstuk over een dinosaurus die helemaal nooit bestaan heeft; een paleontoloog interpreteerde de feiten van het botmateriaal verkeerd, waardoor een heel nieuwe soort ‘ontdekt’ werd.

Wie dit wat al te braaf of politiek-correct vindt klinken, zit al op dezelfde lijn met de auteur, want ook hij wordt bij herhaling overmand door twijfel en scepsis. Grote delen van de narratieve energie gaan op aan het verwoorden van zijn aarzelingen. Over de coöperatieve winkel merkt de auteur op dat hij net als iedereen wel weet dat je daarmee evengoed deel uitmaakt van een verderfelijk (kapitalistisch) systeem. En hij koestert een sterk wantrouwen, zo niet haat jegens het elitaire eetgedrag in Brooklyn, waar grote bedragen en hoeveelheden tijd geïnvesteerd worden in de ‘versmelting’ van zelfzucht en politieke radicaliteit, wat je vertaald naar Amsterdamse begrippen zou kunnen omschrijven als Marqtisme.

Als hij voor de Occupy-activist een maaltijd bereidt, beseft de auteur tot zijn schrik en schuld dat hij eigenlijk nooit voor een ander kookt, hooguit voor zich laat koken, en terwijl hij naar Nina Simones versie van ‘Ne me quitte pas’ op de stereo luistert realiseert hij zich ook opeens dat hij dat graag wil, voor iemand anders zorgen, of beter: hij wil dat er iemand van hem afhankelijk is voor zorg en aandacht, hij wil met andere woorden niets liever dan een kind. En meteen voelt hij zich betrapt dat hij zo’n clichématige gedachte heeft, want hij wil helemaal geen kind, hij wil zich integendeel politiek en sociaal engageren, dat neemt hij zich tenminste voor in een expliciet karikaturaal jargoneske conclusie:

Jij moet de eigenliefde die je als nageslacht hypostaseert, als de volgende generatie van jezelf, juist aanwenden en horizontaal laten uitgroeien tot de mogelijkheid van een transpersoonlijk revolutionair subject in het heden en met anderen samenwerken bij het bouwen van een wereld waarin momenten iets anders kunnen zijn dan winstbestanddelen.

Ironie

De auteur is in zijn sceptische betrokkenheid bezeten – een dubbelzinnig woord, maar hier wel op zijn plaats – van een politieke houding die kenmerkend is voor de huidige links-liberale generatie die niet alleen in Brooklyn, New York de vintage stoelen van koffiesalons bezet houdt. Die houding is een tegenhanger van het cynisme dat door Peter Sloterdijk in de jaren tachtig het ‘valse verlichte bewustzijn’ werd genoemd: weten dat wat je doet of zegt onjuist en onwaar is, maar er niettemin mee doorgaan. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw overheerst eerder het inzicht in wat goed en juist is, en probeert men daar ook wel naar te leven, maar altijd in de schijnbare zekerheid dat die goede daden toch het verschil niet meer maken. Dit nu is het vergeefs verlichte bewustzijn: de vorm waarin weldenkend stedelijk links voortdurend rekenschap aflegt van de eigen tekortkomingen en onmacht en die vaak wordt aangeduid met de tot misverstand aanleiding gevende passe-partout-term ironie.

De auteur is zich daar bewust van. Bij aanvang van de roman zit hij samen met zijn agente met het hem typerende slechte geweten een peperdure maaltijd van babyinktvisjes weg te werken om het zescijferige voorschot te vieren dat hij van zijn nieuwe uitgeverij voor zijn tweede boek krijgt (het eerste boek van Ben Lerner zelf kwam uit bij de non-profit-uitgever Coffee House Press). Pas achteraf bedenkt hij wat hij had moeten zeggen toen hem naar het thema van zijn te schrijven roman werd gevraagd. In dat boek, bedenkt hij nu, wil hij zich ‘een weg banen van ironie naar oprechtheid in een zinkende stad, een aspirant-Whitman van het kwetsbare netwerk’.

En dat lukt hem ook, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Aan het einde van 22.04 maken de sceptische, ongelukkige en vaak omstandig geformuleerde passages plaats voor beschrijvingen waarin de auteur onverdeeld onironisch gelukkig is, bijvoorbeeld als hij het werkstuk van de jonge Roberto gaat uitprinten (gebaseerd op ‘mijn samenwerking met Elias Garcia’, vermeldt de verantwoording achterin het boek) of als hij zich overgeeft aan een oprechte poging zich voort te planten.

Geeft hij bij aanvang van de roman nog een hilarisch bedoeld verslag van zijn halfslachtige poging zijn zaad te doneren bij een vruchtbaarheidskliniek, dan gaat hij aan het einde eenvoudigweg met zijn beste vriendin naar bed om de kans te vergroten dat ze zwanger raakt. Dat gebeurt in het huis van haar ouders, die van de hele opzet op de hoogte zijn gebracht. De gemeenschap van beste vriend en vriendin vindt en passant plaats, bondig maar teder, gedetailleerd maar niet uitputtend beschreven – een van de wonderlijkste en meest vervreemdende seksscènes die de laatste jaren geschreven zullen zijn. En het opvallende is, denkt de auteur achteraf, dat alles bij het oude is gebleven. Dat ze met elkaar naar bed zijn geweest heeft niets wezenlijks veranderd: ‘Dat onze relatie door de gebeurtenis niet waarneembaar was verdiept, bewees duidelijk hoe diep onze relatie was.’

En betrek je daar ook nog het motto van het boek bij, dat afkomstig is van Walter Benjamin, en betreft een chassidim die voorspelde dat in de messiaanse wereld alles zal zijn zoals het is, ‘alleen een beetje anders’ (Benjamin zou het aan Ernst Bloch verteld hebben, en Giorgio Agamben gebruikte het in La comunità che viene uit 2001) dan is de uitkomst perfect. In vergelijking met het begin is er namelijk niets veranderd, en toch zal niets meer hetzelfde zijn zoals het was.

De opdracht is volbracht, het boek is geslaagd, prachtig. Maar wat is er dan zo godvergeten ergerlijk aan?

Wat is dat toch, vroeg ik me in toenemende mate tijdens en na het lezen van 22.04 af, dat schrijvers maar niet ophouden uit eigen naam de Ironie de oorlog te verklaren na decennia van einde-van-ironie, na K.L. Poll, Frans Kellendonk, DFW en het nummer ‘De ironie voorbij’ van literair tijdschrift De XXIe eeuw in 1991? Is die hele onderneming zowat dertig jaar later in 2015 niet een schijngevecht geworden of erger, een zelfhulpsessie voor westerse auteurs die met een beeldscherm voor hun neus in de veilige delen van de wereld hun eigen schrijverschap opnieuw willen uitvinden? We zouden toch langzamerhand wat strenger kunnen worden bij het lezen van die eeuwige voornemens de vrijblijvendheid te verlaten en het benoemen als een vorm van verwendheid, als decadentie met behoud van een goed geweten.

Het is moeilijk hier de nuance in het oog te houden en niet te vervallen in zelfgenoegzaamheid (wie is er nooit bang voor zijn eigen ironie?) en alles wat er oprecht en idealistisch is in 22.04 te veroordelen als behaagziek en ijdel. Dat soort conservatief cynisme, ook wel ironisch nihilisme genoemd, is er al meer dan genoeg.

Maar neem de passage waarin de auteur op stap gaat met zijn protegé Roberto naar het Museum of Natural History. In plaats van zich te verheugen op het uitstapje, maakt hij zich voortdurend zorgen. Hij is bang dat hij de jongen kwijtraakt, hij is bang om hem stevig vast te pakken en daarmee te veel lichaamscontact met hem te hebben, hij is bang voor de reacties van de familie van Roberto: ‘Een ongedocumenteerd gezin belt niet de politie, maar zijn vader kan me wel platrijden met de pick-uptruck waarover Roberto altijd loopt op te scheppen.’ Je zou het grappig kunnen vinden, deze ironisch aangezette angst voor het eigen falen en de vrees voor de mogelijke reactie voor dat vreemde, buitenlandse, enge gezin. Maar is het niet vooral pijnlijk, deze wereldvreemdheid van een welgestelde Brooklynse auteur? De verteller merkt ook nog op dat hij niet bang hoeft te zijn voor ontvoeringen in het museum, omdat de meeste gekken de ‘exorbitante toegangsprijzen’ (de auteur vindt alles erg duur) niet kunnen betalen.

Ja, natuurlijk staat die passage er opdat de auteur kan beseffen dat zijn beste vriendin Alex hem niet ondanks maar juist vanwege zijn tekortkomingen als vader wil hebben – als een strategie van een vrouw in het nieuwe millennium om een gezin te stichten en de rampzalige vader op afstand te houden, zoals Lerner het geestig verwoordt. En natuurlijk voelt hij later oprechte trots en vreugde als Roberto het door hem in een dure kleurendruk geprinte werkstuk over de sauriërs kan presenteren. Maar dat is hier tegelijk het probleem. De kleine Roberto vervult op conceptueel niveau een al even ondergeschikte functie als op anekdotisch niveau. De jongen mag slechts optreden ter meerdere eer en glorie van de auteur en diens geprogrammeerde overwinning op de eigen ironie.

Vangnet

Het spel tussen feit en fictie in 22.04 heeft een pendant in de opgevoerde tegenstelling tussen poëzie en proza. Als hij in de auteursresidentie Marfa aan een prozagedicht over Walt Whitman werkt, komt de auteur tot de vaststelling dat hij van poëzie houdt omdat ‘het onderscheid tussen fictie en non-fictie daarin niet bestond, omdat de correspondentie tussen tekst en wereld daarin minder belangrijk was dan het gedicht zelf, de gevoelsmogelijkheden die in de tegenwoordige tijd van het lezen werden geopend.’

Het is een mooie observatie – een van de vele in deze roman – en Lerner neemt vervolgens delen van dat (in Lana Turner onder eigen naam gepubliceerde) prozagedicht op in zijn roman. Het zou kunnen dat het lastig is om poëzie in een prozacontext te lezen, maar die dichtregels komen me nogal gewild poëtisch voor. Ik denk ook niet dat het per se waar is dat proza zo’n scherp onderscheid tussen non-fictie en fictie kent, of beter gezegd, juist in het allerbeste proza, bijvoorbeeld de verhalen en romans van W.G. Sebald, of de zogeheten non-fictie van David Foster Wallace, twee schrijvers door wie Lerner zich beïnvloed toont, valt dat onderscheid tijdens het lezen weg. Patricia de Martelaere schreef eens: ‘Misschien is wat lezers zonder aarzelen fictie zouden noemen gewoon slechte literatuur.’

Bij het lezen heb ik een paar keer moeten denken aan het Duitstalig prozadebuut Der schaudernde Fächer (2013) van de Amerikaans-Berlijnse Ann Cotten, ook een auteur die gedichten opneemt in haar verhalend proza. En dan vooral vanwege het oceaangrote verschil in levensbeschouwing tussen beide schrijvers. Cotten slaagt erin zonder enig schuldgevoel en zonder opzichtig te dingen naar de sympathie van de lezer een prozawereld te scheppen waar je buiten de fictie om deel van uit zou willen maken. Dat vertoon van levenskracht en van onweerstaanbaar levensplezier is zoveel radicaler dan dat voortdurende tentoonspreiden van een slecht geweten omdat het de mogelijkheid van een werkelijk ander leven laat zien.

Het is een intentioneel hoogdravende roman, 22.04, mede door het gebruik van (herhaald) abstract idioom. De vertaler – Arthur Weevers – doet daar nog een schepje bovenop door extreem letterlijk te vertalen, waardoor je het Amerikaans vaak door de Nederlandse zinnen heen leest en het geheel erg gekunsteld aandoet. Maar wellicht is dat er ook de verdienste van: de gekunsteldheid van het origineel wordt met behulp van de ketting van de Nederlandse vertaling boven het licht golvende water van de East River uit getakeld.

In een mooie, lovende recensie in The New York Times schreef Hari Kunzru dat 10:04 een pienter spel speelt met de spanning tussen ironie en oprechtheid, een spanning die kenmerkend zou zijn voor onze huidige cultuur, waarin gemeenschap nog amper mogelijk is door het individualisme waarmee we door het neoliberalisme zitten opgescheept.

Je zou het ook een stukje strenger kunnen formuleren. Eerder dan dat Ben Lerner het begin van een uitweg biedt, bevestigt 22.04 met zijn intelligente ironisering van bestaande hiërarchieën de huidige status quo. Deze Brooklynse auteur weeft, door zichzelf opzichtig te onthullen, een kunstig vangnet van biografisch materiaal, maar volbrengt niet het ultieme kunststuk van de roman – verplaatsing in een ander.

2 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?