cover big cover big

Tussen kunst en kitsch

Arnoud van Adrichem

Over Een kooi van klank van Anna Enquist

Stichting CPNB & Poetry International, Amsterdam / Rotterdam, 2013,
ISBN 9789059651852 / 14p.

Over De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2013, van gekozen door Saskia J. Stuiveling

De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2013,
ISBN 9789029586429 / 149p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 14-02-2013

Bookmark and Share

Door het recente prijzenfeest en benoemingscircus zou je haast vergeten dat er ook nog boeken uitkomen die het schijnsel van de aandacht verdienen. Vóór mij liggen twee titels die onlangs verschenen: De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2013, gekozen en ingeleid door Saskia J. Stuiveling, en het Poëziegeschenk Een kooi van klank, van de hand van Anna Enquist.

Gevoelig gezwatel

Laat ik met het laatste boek beginnen, dat volgens de flaptekst gaat over ‘de rol van muziek op gebieden waar woorden ofwel (nog) geen betekenis hebben, bijvoorbeeld in de omgang met een heel jong kind, ofwel hun betekenis zijn kwijtgeraakt, zoals na een verpletterend verlies’. Gedichten van de schoonheid en de troost dus, die in NRC (‘een wonderschoon poëziegeschenk’) en De Standaard (‘een geschenk aan de poëzie’) veel waardering kregen.

Waarschuwing vooraf: ik ben geen Enquist-fan. Haar (latere) werk gaat nogal eens gebukt onder grote woorden, waaraan weliswaar het aura van poëzie kleeft, maar die welbeschouwd weinig met het genre te maken hebben. Het is literatuur die naar mijn smaak iets te graag Literatuur wil heten. Vaak mis ik de speelsheid, het taalplezier, de spitse formulering, de humor, het experiment misschien ook wel.

Het lijkt alsof Enquist zich in Een kooi van klank bewust is van die makke. In het gedicht ‘Foto’ – niet toevalligerwijs in het midden van de bundel opgenomen – klinken vermanende woorden. Die zijn weliswaar geadresseerd aan een onbekend ‘je’, maar ze zouden evengoed kunnen terugslaan op de dichter, bij wijze van note to herself. Het gedicht, dat net als de negen andere vier terzinen telt, begint zo:

Geef het maar toe. Wat je schrijft
heeft geen zin. Gevoelig gezwatel,
een meisje dat zingt. Hou toch op,

stomp jezelf in de rug. Wees oprecht
tegen lezers. Liever dan dikke woorden
een kille inspectie.

Nu geloof ik niet zo in oprechtheid tegen lezers. Volgens mij is literaire waarachtigheid, die schuilt in de formele ‘eigenheid’ of retoriek van de literatuur, uiteindelijk meer van tel. (Waarmee ik uiteraard niet wil zeggen dat de traditie van het autobiografisch schrijverschap geen goede boeken heeft opgeleverd.)Daarentegen zou die ‘kille inspectie’ best eens iets kunnen opleveren. Denk aan Gerrit Kouwenaar, die zijn smart en geluk niet weg wil schrijven, maar zijn gevoelens zo veel mogelijk probeert te objectiveren. ‘Ik schrap haast klinisch alle pathetiek,’ liet hij ooit eens in een interview optekenen.

Maar helaas… Uit de rest van de bundel blijkt dat Enquist haar poëticale waarschuwing niet echt serieus heeft genomen. Een paar losse regels ter adstructie:

‘Er viel niets te noemen, tijd hield / zich stil.’
‘Woordeloos kon ze / het wiegende ritme ontvangen’
‘Geen geluid / puurder dan dit’
‘Zij buitelde buiten de tijd / en jij weigert koppig de stilte te horen.’
‘Zwijgend / begin je de zoektocht naar haar.’
‘Op de zachte / matras van de stenen verging ze’

Tijd, Stilte, Puurheid… de dikke woorden bespringen ons van alle kanten. Ze gonzen: ‘heb ontzag, eerbiedig ons’. Volgens Enquist komt ‘verlossing door het oor’, maar bij het lezen van Een kooi van klank voelde ik de sterke neiging om watten in mijn oren te stoppen. Of om mijn iPod op de luidste stand te zetten.

Deze regels zijn vast geschreven vanuit een grote oprechtheid. Gelet op het persoonlijk drama dat Enquist trof – ze verloor haar dochter door een verkeersongeval – twijfel ik daar geen seconde aan. Maar die inmiddels overbekende biografische feiten mogen natuurlijk geen primaire rol spelen bij de beoordeling van deze gedichten: ze kunnen hooguit een verhelderend licht op de interpretatie ervan werpen (iets wat in dit geval niet nodig is). Echt gebeurd is nog steeds geen excuus.

Dilemma

Maar toch… Hoe kun je je nu een esthetisch oordeel vormen over poëzie die zo diep wortelt in de navrante realiteit van de dichter? Je moet wel een enorme gevoelloze zak zijn om daar met je recensentenvoeten over heen te banjeren. Het is een dilemma waarvoor ook Ilja Leonard Pfeijffer zich gesteld zag, toen hij voor NRC Handelsblad De tussentijd (2004) besprak, een dichtbundel die Enquist opdroeg aan haar overleden dochter.

Natuurlijk had ik dit poëziegeschenk beleefd kunnen teruggeven aan de boekhandelaar (‘sorry, niet mijn kopje thee’), en een enthousiasmerend betoog kunnen houden over een dichtbundel waarvan ik de literaire waarde wél zie. (Conform het pleidooi van Marc Reugebrink voor het schrijven van louter positieve recensies.) Maar dat zou ik een zwaktebod vinden, al was het maar omdat deze bundel in een voor poëziebegrippen ongekend hoge oplage van maar liefst 16.000 exemplaren wordt verspreid. Het signaal dat Poetry International en de Stichting CPNB met deze gezamenlijke uitgave willen geven is: léés dit boek. En minder expliciet: vind er iets van.

Dus? Welnu, deze gedichten van Enquist doen mij hoegenaamd niets. Of nee, ze doen me wel wat, ze wekken wrevel bij me op. Ik erger mij aan de pseudo-diepzinnige paradoxen, de clichés, de afgesleten metaforen, en het leed dat vrijwel ongestileerd wordt opgediend. Enquist biedt nergens ruimte tot creatieve reflectie, tot meedenken en -schrijven, maar kooit haar lezers en dringt haar pathetische evocaties aan ze op.

Paradoxaal genoeg blijft deze poëzie door het mimetische gehalte ervan buiten de werkelijkheid staan. Alsof een gedicht niet zelf ook iets werelds is: een holte van eenzaamheid, een onbewoond eiland, een totaal witte kamer, whatever, maar toch ook: een ding, een uitsparing in de werkelijkheid, niet de spiegel ervan.

Meten en weten

Daarom snel over naar de anthologie van Stuiveling. Daarin staat een keuze uit de vijfenzeventig voor de VSB Poëzieprijs ingezonden dichtbundels. Haar inleiding begint met de gebruikelijke verontschuldiging: jureren is verdomd lastig, er kan maar één bundel winnen, maar toch is het een feest om uit al die verschillende bundels (die uiteraard de pluriformiteit en enorme rijkdom van het laaglandse poëzielandschap weerspiegelen) een selectie van honderd gedichten te maken.

Het is evenzeer usance om bij de komst van zo’n best of aan het turven te slaan. Het boek bevat werk van 71 dichters, van wie meestal een of twee gedichten zijn opgenomen. Van de genomineerden voor de VSB Poëzieprijs – H.H. ter Balkt, Luuk Gruwez, Ester Naomi Perquin, Sybren Polet en Menno Wigman – werden drie of vier gedichten geselecteerd. Die eer viel ook Wouter Godijn (die merkwaardig genoeg niet genomineerd was voor de prijs) ten deel. Stuiveling koos drie gedichten uit zijn superbe bundel Hoe H.H. de wereld redde. Willem-Jan Otten was zelfs goed voor vier gedichten, maar die schreef een reeks (‘Het verschil’), dus dat telt niet. Laat ik het telraam maar wegleggen.

Op de achterflap staat vermeld dat de periode van 1 september 2011 tot 31 augustus 2012 een opmerkelijke ‘toegenomen poëtische diversiteit’ vertoont. Nu weet ik toevallig dat de tijd van eenzijdige bewegingen al even achter ons ligt. Van dominante stromingen is sinds pakweg de Maximalen in de jaren tachtig (en zelfs dat was misschien eerder een kundig uitgevoerd publiciteitsoffensief dan een ‘echte’ beweging) geen sprake meer, dus die salestalk kunnen we negeren.

Dat wil niet zeggen dat De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2013 geen mooie staalkaart biedt van de hedendaagse poëzie in ons taalgebied. Naast het werk van vertrouwde namen als Bernlef, Judith Herzberg en Eva Gerlach nam de bloemlezer gedichten op van (relatieve) nieuwkomers als Herman Fierens, Rood de Jong en Nol Krentsch. En hebt u wel eens gehoord van ABterBrake (sic), Guido De Bruyn, Eric Derluyn of Steven Dusoleil?

Deze namen klonken mij althans exotisch in de oren, en dat is ook precies de reden waarom ik deze bloemlezing elk jaar aanschaf. Zelfs de meest enthousiaste poëzieliefhebber kan niet de gehele jaaroogst aan dichtbundels kopen, laat staan lezen. Dan is het handig als iemand een schifting maakt.

Typemachine, vliegmachine, wereldbol

Wat valt er over die selectie te zeggen? In de eerste plaats dat die opvallend ruimhartig en mild is. Kennelijk konden slechts vier van de vijfenzeventig dichters de toets van Stuivelings kritiek niet doorstaan. Zij legde de gedichten langs de meetlat van de dichter Vladimir Majakovski (1893-1930), die geldt als de bekendste vertegenwoordiger van het poëtisch futurisme.

Zijn motto: ‘Nieuwheid is voor een poëtisch product een onvoorwaardelijke eis.’ Hij ziet voor dichters een sociale taak weggelegd: ze moeten ontwaken, hun gereedschap pakken, opvliegen, het oor aan de wereld lenen, de drukpers aanzetten en spreken, aldus de grote Russische vernieuwer. Volgens Stuiveling hebben alle opgenomen dichters ruimschoots aan Majakovski’s oproep voldaan. Ik citeer een stukje uit haar voorwoord:

De wereld waaraan ze hun oor hebben geleend vertelt ons dat er een meervoud aan werelden is: de binnenwereld van de dichter die zijn innerlijk blootlegt en ons het verlangen en de liefde laat zien, of juist het gebrek daaraan, maar de wereld kan ook een cellenblok zijn, waar we via de ingeslotenen en hun hulpverleners tijdelijk in opgesloten zitten; om daarna weer naar buiten te kunnen, naar de wereld van de natuurervaring, de horizonten en ziedende elementen. Er is het hier en nu, waarover de dichter spreekt, en er is de wereld van de geschiedenis die zich herhaalt en een projectie van de toekomst biedt – misschien.

Enerzijds, anderzijds: Stuiveling biedt de lezer een verbale variant van het ‘rabbit-or-duck’-plaatje, die een poëtisch liberalisme verraadt dat zó grenzeloos is dat het haast beknellend wordt. Een wat meer eigenzinnige of uitgesproken keuze had dan ook geen kwaad gekund. Tegelijkertijd besef ik dat dit indruist tegen de intenties van dit soort bloemlezingen die, zoals gezegd, vooral een stand van zaken willen geven.

Laat ik deze bespreking besluiten met een in de bloemlezing opgenomen gedicht van Frank Koenegracht, afkomstig uit zijn bundel Lekker dood in eigen land (veruit de grappigste titel van het jaar). Daarin laat hij zien dat het wel degelijk mogelijk is om persoonlijke gedichten te schrijven, zonder in larmoyante kitsch te vervallen. Het gedicht is even komisch als ontroerend en bevat ironische verwijzingen naar de freudiaanse psychoanalyse, de multiculturele samenleving en de verzorgingsstaat. Grote woorden als ‘angst’ en ‘eenzaamheid’ storen hier niet, maar vinden een vanzelfsprekende plaats in het gedicht. Lees maar:

Brief aan mijn moeder

Moet je horen, mamma, luister je?
Ik lees hier over een aanbod
waarbij zeer oude moeders met
meestal zeer oude zonen die
om niet tastbare redenen niet meer
bij ze willen slapen
een zwaan ter beschikking wordt gesteld
door de thuiszorg.
Het gaat om Hollandse zwanen.
Ze zwemmen overdag rond,
maar ’s avonds worden ze opgeborgen
in prachtige vitrines.
Ze worden thuisbezorgd en in je bed gelegd.
Ze slaan hun linker vleugel om je heen: dat
is tegen angst voor duizeligheid en ze leggen
hun snavel op het andere kussen:
dat is tegen eenzaamheid.

’s Ochtends worden ze weer opgehaald.
Nou, doe het maar, mamma.
Je bent er immers voor verzekerd.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?