cover big

Van nee naar niets

Hans Demeyer

Over Aan barrels van Harry Vaandrager

het balanseer / Nijgh & Van Ditmar, Aalst / Amsterdam, 2011,
ISBN 9789038894577 / 177p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 21-12-2011

Bookmark and Share

Wat toch met dat oeuvre van Harry Vaandrager? Net als zijn dichtbundel Wat telt is van niets gemaakt uit 2010, heeft zijn prozadebuut Aan barrels een zwarte kaft, legt de titel de nadruk op de destructie en het niets, en lijken de teksten te grossieren in provocerend en vulgair taalgebruik: ‘Hoeren zijn het hoeren, allemaal hoeren. Bloedgeil werd ik van haar gezwollen tepels (…) Moest wel happen in het tietenvlees. Verdomme, ik ben toch zeker de neukbaas.’ Gedateerde zwarte romantiek met een dosis punk in de combats?

‘Nee. Nee. Nee nee nee. Het is nee, en het blijft nee. Nee. Duidelijk? Niets anders dan nee. Voor altijd nee. Drie letters. N.E.E. Nee nee nee. Het is nee. Nee nee neeeee. Alleen nee. Nee, nog niet duidelijk?’ Dat is alvast mijn antwoord, en meteen ook het magistrale begin van Aan barrels. In een soortgelijk dwingend ritme laat Vaandrager in zijn roman negen stemmen aan het woord die voortdurend de absolute negatie van het leven verwoorden: ‘Ik zeg nee.’ Vier gevangenen (Marc, Tom, Peter, Victor), drie geliefden (Irene, Maria, Claire), een naamloze moeder en een ongeboren kind (Andreas), houden ieder op hun beurt een monoloog waarin ze het leven als zinloos en zonder betekenis voorstellen. Ze spuwen pagina’s lang hun gal uit en articuleren hun desillusies. Uiteindelijk verlangen ze naar hun eigen lichamelijke aftakeling en dood: ‘Ik spat uit elkaar. Kris kras vliegen stukken Victor door het heelal. Tot in den treure ga ik dood. Tot in alle eeuwigheid amen.’

Koeien loeien boe

Hun afwijzing van elke betekenis van het bestaan, betreft in de eerste plaats allerlei vormen van theoretische, wijsgerige of existentiële vragen. Kennis is nog ‘sneller oudbakken dan een broodje kaas’ (Marc); denken is ‘de deur van de hel op een kier zetten’ (moeder); en vragen naar het waarom reserveren zij slechts voor ‘warhoofden’ (Maria). In de monologen heerst een voortdurende ‘afkeer van zin’, en een lust naar ‘zinnelijkheid’. Ook die verheft zich echter niet tot een groter, zinvol verhaal van liefde of sensualiteit, maar is volkomen op zichzelf gericht: de seksuele driften van deze personages zijn meestal mateloos, dierlijk, en bevinden zich in de illegale sfeer (pedofilie) of dienen als middel in de economische survival of the fittest (vrouwenhandel). Deze personages trekken niet de kaart van de zin, noch van de onzin, maar die van de onverschilligheid zoals die vorm krijgt in de natuur, de driften of het dier. Die onverschilligheid zien zij als de enige echte waarheid: ‘Een waarheid als een koe in de wei. En die stomme beesten loeien alleen: boe’ (moeder).

De personages willen een taal die louter mimetisch werkt: ‘Woorden zijn vingers voor mij. Hoef er alleen iets mee aan te wijzen’ (moeder). Vaker ervaren de personages de taal echter als uitermate hinderlijk. Ze verlangen naar de (onverschillige) waarheid en woorden bestempelen ze als ‘leugens’, ‘misdadig’ en ‘godsgruwelijk wreed’. De gevangenen nemen de schijnbaar barmhartige taak op zich om de Dikke Van Dale eens goed uit te dunnen: ‘Om zeep brengen zullen we, het woordenboek.’ Als slachtafval vindt de lezer dan ook heuse opsommingen van woordenboeklemma’s terug in de roman. Naast deze destructie is er echter ook het plan dat ‘we de droogdoos “taal” nog eens [moeten] volspuiten met zaad.’ De taal in Aan barrels is zonder twijfel rauw, direct, onverteerd en vitaal te noemen. Ze zorgt enerzijds voor hilariteit, en versterkt anderzijds het schrijnende van hun ontgoochelende levensloop, en het abjecte karakter van hun lusten.

Toch blijkt dat zaad niet altijd even vruchtbaar te zijn: ‘Ieder woord vergt een zware bevalling. Abortussen zijn talrijker’. De roman suggereert een relatie tussen ‘nee’ en ‘kut’: ‘Voor altijd nee. Drie letters. N.E.E.’ en ‘Kut kut kut. Drie lettertjes, maar gewoon kut’. Dit is de negatie van de vruchtbaarheid: zowel van de creativiteit als van de mensheid. Het wemelt in dit boek van de ongeboren kinderen: de moeder heeft drie miskramen gehad, Irene kreeg een buitenbaarmoederlijk kind, en het kind van Maria, Andreas, wordt dood geboren.

De dood, die niets of niemand ontziet, is de ultieme vorm van onverschilligheid. In de zekerheid van de dood wordt ook de vrijheid en de zinloosheid van het leven bevestigd. De moeder kent haar ‘ware bevrijding’ wanneer zij oog in oog staat met het lijk van haar man: ‘Stelt niets voor, dood zijn. Dan ben je een lijk. […] Leven is nieuwe doden maken.’ Doordat de dood echter tegelijk de absolute negatie van het leven is, bestaat de tragiek van de personages eruit dat zij het leven (dat voortdurend op betekenis gericht is) en de dood uiteindelijk niet kunnen samenbrengen: ‘Er is maar één tragedie: de onmogelijkheid te leven en tegelijk dood te zijn’ (Andreas).

Tijgers vreten: twijfel en desintegratie

De personages mogen dan wel telkens hun voorkeur voor eenduidigheid en onverschilligheid prediken, zelf vallen ze voortdurend ten prooi aan twijfel: ‘Weet ik veel wat allemaal. En daarna, daarna misschien. Misschien. Ik weet het niet. Weet het niet meer. Waarom weet ik niets zeker? Moet het doen met misschien’ (Maria). Voor velen verhevigt en bestendigt die twijfel zich in psychische labiliteit. Die overvalt de gevangenen wanneer zij door hun fysieke opsluiting, verstoken van zowel hun roesmiddelen als van de fysieke uitleving van hun lusten, zijn aangewezen op zichzelf. Victor: ‘Dom dom dom om in de bajes over jezelf na te denken […]. Ronddwalen in je eigen kop is leuk voor thuis. Met een keilebakkie binnen handbereik. Maar in de bajes, dan zal het je beurzen. Dan krijg je de demonen op de koffie […]. Om je te jennen. Te verminken.’ Als reactie op die labiliteit, houdt Victor zich vast aan de tijgers: ‘Tijgers zijn real, de rest fake. Tijgers kunnen niet liegen’. De wrange ironie bestaat erin dat ook die tijgers slechts als schimmen door zijn kop dwalen, en hem uiteindelijk doen desintegreren: ‘Ze vreten me op. Hollen me uit. Ben ik al in ontbinding?’

Marc, Tom, Victor en Peter zij niet enkel fysiek gevangen, maar ook geestelijk. Zij beheersen hun identiteit niet, maar worden beheerst door schimmen, door beelden uit het verleden, opgekropte lusten en driften, en hun wantrouwen tegenover de anderen en de mensheid. Dit geldt bij uitbreiding ook voor de andere volwassen personages. Ook de taal krijgt hier het karakter van een kerker voor het bestaan, een voedingsbodem voor wantrouwen en desintegratie. De taal versterkt de onzekerheid over leugen of waarheid, en is een zichzelf voedend organisme dat boven de mens uit kan stijgen. De spiegel van mimesis waarnaar de personages ijveren, wordt besmet en versplintert door de woorden. In de volgende passage verstoren de woorden de relatie tussen Tom en de spiegel, maar ook tussen Tom en zichzelf:

De woorden komen mijn lippen niet over. Integendeel. Letterlijk zelfs. De woorden, kut de woorden kruipen gluiperig terug, over mijn lippen, langs mijn tong naar achteren, zo naar mijn huig. Er zit niets anders op, dan ze aan flarden te bijten en door te slikken. Ze moeten dood de woorden. Het is zij of ik […]. Ik zie het niet goed, de spiegel is beslagen. Maar volgens mij kruipen ze ook mijn neus en oren in. Ze gaan met elkaar op de vuist. Mijn hersentjes krijgen dreun op dreun te verduren. Vanbinnen moet ik een massagraf zijn, waar de woorden kronkelend liggen te zieltogen.

Ook dat maakt de tragiek van deze personages uit: hoewel de taal een barrière is tussen hen en de waarheid, kunnen zij vanuit een primaire overlevingsstrijd niet anders dan die taal eveneens te hanteren: ‘Ik geef toe, ook ik heb gelogen. Heb de woorden uitgemolken. Wat kon ik anders dan ermee spelen. Kwestie van verteren of verteerd worden’ (Irene).

De gevangenis van lichaam en geest, de desintegrerende invloed van psychosen en taal zorgen ervoor dat identiteit bij deze personages een precair iets is: ‘De een zegt, ik is een uit. De volgende, ik is de ander. Of ik is dertig ikken. (…) Ik houd het erop dat het ik een stem is’ (Peter). Als stem komen deze personages dan ook aan bod: de negen monologen die Vaandrager ons hier voorschotelt, laten de lezer de leugenachtigheid en het ontbindend effect van de taal voelen. Zo spreken de verschillende stemmen elkaar tegen, hernemen en variëren zij op elkaars thema’s en beelden zonder dat dit tot een zinvolle eenheid te herleiden is. Net als in hun geest zijn deze personages als stem niet autonoom, maar poreus: ‘Misschien is het beter te zeggen dat mijn schedel poreus is. Er sijpelt van alles lukraak door. Vanuit andere werelden’ (moeder). De verschillende stemmen grijpen in elkaar en leiden de lezer een labyrint binnen, waar zin en onzin niet langer te onderscheiden zijn. Dat de lezer daar nooit onverschillig tegenover kan staan, is een effect van enerzijds het taalgebruik dat gewelddadig, vulgair maar ook lyrisch en beeldend is, en anderzijds van het ritme dat kan razen van furie, of stokken van psychotische verwarring.

‘Luister naar mijn dode taal’

Al deze personages verlangen uiteindelijk naar een stille of dode taal die niet te horen en te begrijpen valt en onverschillig is tegenover het bestaan. Een taal die zich slechts eventjes in een nu bevindt en zich telkens tussen iemand of niemand vormt. Een taal die met andere woorden geen identiteit, systeem of gevangenis wordt. Die onmogelijke taal poogt Vaandrager te construeren in de al even onmogelijke monoloog van de doodgeboren Andreas. Deze monoloog zweeft tussen niemand (Andreas) en iemand (alle personages die naar deze taal verlangen), en is onbepaald in tijd en plaats. Zij flikkert maar even op, waardoor de psychologische twijfel of talige desintegratie haar spreken niet kan aantasten. De stem blijft niet steken in de negatie (het ‘nee’), maar is de volkomen onverschilligheid (het ‘niets’): ‘Het is niets dus. Onvermijdelijk niets. Duidelijk? Kan niet anders. Wacht maar af. Echt, of onecht voor mijn part, het is niets niets niets.’

Toch vormt al dat niets toch weer iets: Aan barrels vormt op die manier een meer dan geslaagde herinterpretatie van de idee om de literatuur te vermoorden, om een gestalte te geven aan haar negatie. Het gewone verhaal met ‘een heuse plot, kop en staart’, met ‘meeleven, inleven, doorleven, beleven’ wordt hier op verschillende manieren gesaboteerd, maar die destructie levert geen absolute bevrijding of wit blad op. Zo spreekt het woordenboek de auteur Vaandrager toe dat zijn ultiem meesterwerk pas het witte gat is, ‘waardoor alles wordt opgeslurpt’, en niet de ‘zwarte gaten’ die de auteur nu slechts zou aanbrengen.

Toch zijn die gaten al genoeg om een unieke schriftuur op te leveren waarin het directe taalgebruik in combinatie met het bezwerende ritme tevens ruimte laat voor lyriek. In de hedendaagse Nederlandstalige literatuur is Aan barrels hoogstens verwant met auteurs als C.C. Krijgelmans of J.M.H. Berckmans. Die uniciteit an sich maakt deze roman natuurlijk niet tot briljante literatuur – zoals een van de vele verdachtmakingen bij experimenteel proza luidt. Wel is het de vakmanschap en literaire kunde waarmee Vaandrager die schriftuur aanwendt om de lezer intellectueel uit te dagen en emotioneel vast te nemen door hem onmeedogenloos te smijten in de gestoorde, verwarde en emotioneel gebroken gevangenis van maatschappelijke randfiguren. Aan barrels is een grappig en bij wijlen melancholisch boek, maar voornamelijk een extreme en wrange roman die je grijpt door zijn ritme, woede en passie. Vergeet uw kerstboom: deze literatuur is op elk moment een wonderlijk-bijtend geschenk.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?