cover big

Verdrinken in stilte

Steffie Van Neste

Over De zee heeft honger van Kira Wuck

Podium, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789057598647 / 56p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 29-05-2018

Bookmark and Share

‘Nobody exists on purpose, nobody belongs anywhere, everybody’s going to die, come watch TV.’ De half Indonesische, half Finse schrijfster Kira Wuck (1978) opent haar tweede poëziebundel De zee heeft honger met bovenstaand citaat uit de Amerikaanse komische animatieserie Rick and Morty. Ze houdt zo de absurdistische toon aan uit haar vorige publicaties: de veelgeprezen dichtbundel Finse Meisjes (2012), waarvoor ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2018, de Eline van Haarenprijs, de Jo Peters Poëzieprijs en een nominatie voor de C. Buddingh’-Prijs ontving, en de verhalenbundel Noodlanding (2016). De zee heeft honger slaat niet in als een bom zoals haar eerdere werk dat deed. De thematiek is iets donkerder en melancholischer, maar weinig vernieuwend. Toch heeft Wucks poëzie duidelijk aan kracht gewonnen: haar gedichten zijn niet alleen (nog) bondiger, ze bezitten ook meer filosofische diepgang.

Wucks nieuwe bundel telt vier afdelingen van ongelijke lengte: ‘We nemen ons voor te vertrekken’ (negen gedichten), ‘Levens die door anderen zijn achtergelaten’ (zeven gedichten), ‘Het verlangen om aangelijnd te worden’ (vier gedichten) en ‘Nachtdieren’ (zes gedichten). De vier afdelingen vertellen samen een verhaal. In De zee heeft honger verbeeldt Wuck hoe het moderne subject rusteloos zijn plaats zoekt in een zwijgzame, onverschillige wereld die wordt gekenmerkt door eenzaamheid en afwezigheid van zin. Volgens de Duitse filosoof Hans Blumenberg kunnen metaforen ons iets leren over hoe mensen in een bepaald tijdperk de wereld aanschouwen, over hoe ze de werkelijkheid beleven – in Wucks bundel vat de overkoepelende metafoor van de hongerige zee het hedendaagse gevoel van onrust goed samen. Gekweld door onbestemdheid is het moderne individu altijd gretig (‘we hebben altijd honger’ en ‘dorst is zo groot dat we hem niet kunnen benoemen’) op zoek naar een vorm van zingeving: ‘is geluk verdwijnen of juist gevonden worden / ik heb geen antwoorden roep ik’. De beweging van eb en vloed, die de dichteres zowel vormelijk (zie het gedicht ‘Vlakte’) als woordelijk oproept (in het titelgedicht van de bundel), versterkt dit gevoel van voortdurende rusteloosheid. Het leven lijkt een uitzichtloze zoektocht: ‘wachten is als de zee / tijd komt naar ons toe / maar kan zich ook van ons keren / als een uitgestrekte droogte’. Verzadiging blijft echter meestal uit: ‘soms zie ik de dingen die ik hebben wil / als een vloedgolf die het land bedekken kan / om erbij te kunnen moet ik eerst verdrinken’.

Hunkerend naar een vorm van stabiliteit, blikt de in dit gedicht sprekende ‘wij’-figuur terug naar een harmonieuze, zorgeloze kindertijd. De zee had toen nog geen honger:

alles wat we bezitten nemen we mee
beneden zwemmen kinderen zonder honger
het liefste willen we teruggaan naar het moment
voordat alles begon te wankelen
toen wachten nog dromen betekende en
de zee nog geen honger had

In tegenstelling tot ‘kinderen zonder honger’, lijdt de volwassene onder de contingentie van zijn bestaan: ‘Ik heb iets nodig wat me lichter maakt / vanaf boven gezien lijkt alles altijd omhoog te willen / de massa wordt een zwaar ademend dier’. Wuck toont hoe de vergeefse pogingen om toch maar iets van het leven te maken tot absurde, zelfs morbide situaties leiden: ‘We zijn onderweg naar Polen om Auschwitz te bezoeken / je moet het gewoon een keer gezien hebben’ of ‘Met mijn buurmeisje struin ik door de buurt / op zoek naar dode dieren voor in onze tuin’. Haar lichtvoetige, laconieke stijl krijgt vaak een tragische, pijnlijke ondertoon: ‘Alcoholisten verzamelen in het park / weer of geen weer / als je ergens goed in bent / moet je discipline opbrengen / dan komt de rest vanzelf’.

Anders dan de nietzscheaanse nihilist, die veronderstelt dat het leven geen waarde heeft, tracht het ‘ik’ uit De zee heeft honger het leven waardevol in te vullen door relaties met anderen op te bouwen: ‘Vroeger ging ik vaak naar het asiel / geblaf scheen als lichtstralen door de tralies / het verlangen om aangelijnd te worden’. De belofte om anderen te ‘eten’ of om zelf ‘gegeten’ te ‘worden’ (‘je jaagt me de zee in als een dier / met beloftes over eten en gegeten worden’), maakt het leven aanzienlijk ‘lichter’. Al benadrukt de dichteres met de woordspeling ‘eten-gegeten worden’ ook onze sterfelijkheid: ‘Aan de gedekte tafel zien we dat de vorige bewoners / halsoverkop vertrokken moeten zijn / we pakken de levens op die door anderen zijn achtergelaten’. 

Constructieve relaties opbouwen blijkt echter niet vanzelfsprekend: ‘als ik je eindelijk denk te kunnen vangen / breek je verder af’. In een wereld waarin iedereen als een nomade zonder doel rondreist – in ‘Helsinki’ spreekt Wuck over reizigers ‘[…] die zo hard proberen / ergens anders te zijn / dat ze onmogelijk hier kunnen bestaan’ – blijven relaties, net als de lichtknop die ‘aan/uit/aan/uit’ gaat, bijzonder fragiel: ‘ik staar naar mensen die dichtbij staan / alsof ze na het knipperen / van mijn ogen verdwenen kunnen zijn / ik wil dat er dingen aan mij blijven kleven’. Identiteiten zijn in de anonieme grootstad vloeibare entiteiten geworden:

je kunt elke dag
precies dezelfde route lopen
jezelf in kleine ruimtes proppen
dicht bij iemand gaan staan om zijn geur op te vangen
met dezelfde persoon vrijen
een alarm af laten gaan
iemand een metro in duwen
dansen tot je spierpijn krijgt
dieren knuppelen
krabben tot je bloedt
een zwerver negeren
onder invloed raken
iemand vinden die eenzamer is dan jij
een kamer in lopen waar een illegale abortus heeft plaatsgevonden
het verlies ruiken
met een ander vrijen

zonder dat iemand doorheeft wie je bent

Vervreemding en isolement overheersen in Wucks poëzie: in ‘Hanoi’ ligt ‘een jonge man die zijn kamer niet verlaat’, in ‘Bezwering’ neemt iemand op het vliegtuig ‘een pil tegen eenzaamheid’ en in het titelloze ‘Hier hoor ik alleen’ voert het ‘ik’ gesprekken om ‘maar iets te horen weerkaatsen’. Net als in Finse meisjes gaat het in De zee heeft honger ook over de teloorgang van familiebanden. In ‘Eurolines’ raakt een schijnbaar vergroeid gezin elkaar niet aan: ‘in het wegrestaurant lijken we een gezin / dat met de jaren vergroeid is / we warmen onze tenen en wanten aan de verwarming / zonder dat onze schouders elkaar raken’. Deze beelden van eenzaamheid staan sterk in contrast met de lichamelijke metaforen die Wuck gebruikt om sociale hechting te verbeelden: in ‘Nachtdieren’ woont het ‘ik’ bij zijn partner in ‘als een hartslag’, in het slotgedicht hecht het ‘ik’ zich aan de ander als een parasiet (‘als een ziekte die zich langzaam verspreidt / zit ik onder je leden / en laat niet meer los’).

Wuck koppelt het isolement van het individu aan de toenemende individualisering en globalisering in de laatmoderne maatschappij. Deze demarche geeft aan haar werk een cultuursociologische onderlaag. Zo toont Wuck subtiel hoe de opkomst van mediacultuur ervoor zorgt dat het individu zich steeds meer terugtrekt in zijn eigen wereld. In plaats van directe contacten te leggen in de werkelijke omgeving, doet het ervaringen op via radio, televisie, brieven of foto’s. In deze gemediatiseerde maatschappij bekijken we elkaar zonder zelf gezien te worden – Wucks poëzie heeft bij momenten iets mee van Jeremy Benthams panopticum: ‘Er was een tijd dat ik / op weg naar jouw huis / alle camera’s telde / die mijn beweegredenen vastlegden’. Virtuele realiteit en reële werkelijkheid komen meesterlijk samen in het gedicht ‘Vachtdieren’, waarin een televisiekijker bloedt na het zien van een schietpartij. Wuck laat er ook de grens tussen mens en dier mooi vervagen:

Dieren verplaatsen zich in jassen door de stad
soms groeten ze elkaar als oude bekenden

[…]

terwijl de dood aan me hangt houd ik de moed erin

en wandel van liquidatieplaats
naar liquidatieplaatsen
van achter de tv zie ik
hoe iemand een geweer op de cameraman richt

blijf kijken tot het laatste licht uit de kamer verdwenen is
ontdek een spoortje bloed dat langs mijn nek
uit de vacht druipt


Hoewel het individu teruggetrokken leeft, staat iedereen door de globalisering in contact met elkaar: in Wucks poëzie ‘ontmoet iedereen elkaar weer in het midden’. De meest bekrompen kleinburger slaagt er vandaag in om een internationale relatie aan te gaan: ‘Mijn moeder zwaait als een zeemansvrouw / haar wereld is zo groot als het zicht uit haar raam / […] / brieven van minnaars uit exotische landen stapelen zich op / ineens staat er een zwartharige in de portiek / […] / hij trekt mijn moeder uit haar raam’. De vraag is hoe oprecht relaties zijn in een wereld waarin ‘huwelijksaanzoeken’ vrijpostig onder de ‘deur’ worden geschoven. In ‘Hoe pijn eruitziet’ brengt Wuck de banale realiteit van het (schijn-)huwelijk met een vleugje humor haarscherp in beeld:

Mijn vader heeft een nieuwe vriendin
een Afrikaanse kickbockster met stekeltjes
ze laat mij zien hoe sterk ze is
door de deurklink met één hand omhoog te buigen

[…]

als ze onder de douche staat wil ik haar
mijn cavia laten zien die ik net gewassen heb
ze zegt dat ik haar met rust moet laten
dat het een excuus is om haar naakt te zien

de laatste keer dat ze bij ons is
neemt ze de metalen Sony-walkman van mijn vader mee

Het dreigende karakter van de vrouw (het kickboksen, het stelen van de Sony-walkman) weerklinkt ook in ‘Opgehokt’, een verhaal uit Noodlanding waarin Wuck het gewelddadige schijnhuwelijk van kippenboer Peer en zijn Filipijnse vrouw verbeeldt. De dichteres is zowel in proza als poëzie goed in het doorbreken van rollenpatronen: in haar werk is de vrouw vaak een agressieve, destructieve kracht die het leven van haar naasten zuur maakt.

Nieuw is dat Wuck de dreiging nu niet langer binnenshuis situeert. De gewelddadige, buitentalige werkelijkheid dringt genadeloos binnen in De zee heeft honger: terroristen teisteren het land, ufo’s blijken te bestaan, dieren worden tot bont geslacht, mensen wachten angstvallig op een inval, alcoholisten verzuipen in het park. In ‘Bezwering’ sneert Wuck naar de hedendaagse valse beloftes van veiligheid:

Als de stewardess zegt dat we eerst onszelf
voordat we anderen
lacht een man, zijn ruwe huid barst open

in een oogwenk trekt hij een mes uit zijn laars
drukt het tegen de wang van zijn buurman

[…]

het gaat zelden mis, zegt de stewardess
voedende moeders dragen geen bommengordel
de bomen zwaaien van welk kant je ook komt

De dichteres esthetiseert het geweld op eenzelfde manier in ‘India’ – het afsnijden van de hoeken van het gezicht roept er net als de openbarsting van de ruwe huid het ontploffen van een bommengordel op: ‘Een man wijst naar de binnenkant van zijn mond / alsof hij een pistool op zijn gehemelte richt / we geven hem een sigaret / de nacht snijdt de hoeken van zijn gezicht’. Deze associatieve, zintuiglijke beeldtaal geeft in combinatie met de bondige zinnen een filmisch effect aan Wucks poëzie. Hierdoor bekruipt de lezer het gevoel dat hij integraal deel uitmaakt van de actie.

In De zee heeft honger vat Wuck het absurdistische bestaan van de mens in scherpe, onverwachte beelden en rake metaforen, die ze in verrassend eenvoudige taal weet vorm te geven. Haar veelzeggende beeldspraak dwingt de lezer voortdurend na te denken over zijn persoonlijke omgang met de banaliteit van het leven. Dit geeft aan haar poëzie een universeel karakter. Hoewel Wuck de zware werkelijkheid met een zekere lichtvoetigheid benadert, riskeert haar universum bij momenten toch een beangstigende plek te worden, in het bijzonder omdat het komische aspect uit haar eerdere werk wat is vervangen door een melancholischere ondertoon. Wuck schetst haarscherp een scala aan menselijke gevoelens: zinloosheid, eenzaamheid, slapeloosheid…, maar ze biedt de lezer geen uitweg. Zo roept ze bij hem/haar een gevoel van neerslachtigheid op. Een enkeling heeft in de bundel zijn wederhelft gevonden maar moet genoegen nemen met de middelmaat die daar kennelijk bij hoort: ‘als we de lat niet te hoog legden / waren we best gelukkig / aten om de dag wortels om gezond te blijven / zo compenseerden we het gebrek aan daglicht’. Misschien ligt daarin wel Wucks boodschap: moeten we onze gretige zoektocht naar geluk wat afzwakken en genoegen nemen met wat we hebben? Is een beetje middelmaat de beste remedie tegen een al te hongerige zee? Is dat de nieuwe dapperheid?

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?