cover big

Volle poëzie

Bram Lambrecht

Over Binnenplaats van Joost Baars

Van Oorschot, Amsterdam, 2017,
ISBN 9789028261877 / 89p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 02-08-2017

Bookmark and Share

Aan Binnenplaats, de debuutbundel van Joost Baars (1975), is veel voorafgegaan. Al jaren is Baars actief in de wereld der letteren als bloemlezer, essayist en boekhandelaar. Sinds geruime tijd publiceert hij ook gedichten in tijdschriften en anthologieën. Enkele van die voorgepubliceerde gedichten hebben, in een soms erg gewijzigde vorm, in Binnenplaats een tweede plek gevonden, maar het gros van de verzen in zijn debuutbundel beschouwt Baars zelf als volledig nieuw. ‘Een jaar of zes geleden ben ik helemaal opnieuw begonnen’, biecht hij op in een televisie-interview met Jeroen van Kan. Als Baars’ tabula rasa niet gewoon een variatie is op het cliché van de dichter in eeuwige strijd met zichzelf, dan doet ze vermoeden dat Binnenplaats de vrucht is van een langdurig schrijf- en reflectieproces. Het resultaat daarvan: volle poëzie.

De volheid van Binnenplaats schuilt enerzijds in de inhoudelijke en vormelijke diversiteit van de gedichten. De bundel opent en sluit met een losstaand gedicht. Daartussen bevinden zich vier reeksen, telkens anders van opzet. De gedichten in de reeks ‘Binnenplaats’ zijn gericht tot een abstracte Jij en thematiseren de verhouding van een lyrisch ik tot de ander, de taal en het transcendente. De afdeling ‘Meer dan aan elkaar’ groepeert gedichten die inhoudelijk van elkaar verschillen, maar vaak een dialoog voeren met artiesten (Tom Waits, Remco Campert, Emily Dickinson,…) en denkers (Karl Marx, Hannah Arendt,…). ‘Waar ik niet heen wil gaan’ bevat op zijn beurt indringende vertalingen van Gerard Manley Hopkins’ surrealistisch en barok aandoende ‘Sonnets of Desolation’. De slotreeks ‘Het dal van Spoleto’ telt dertien tegelijk diepzinnige en humoristische gedichten waarin steeds een andere vogelsoort wordt aangesproken. Met zijn debuut toont Baars meteen overtuigend wat hij zoal in zijn mars heeft.

Die volheid vloeit anderzijds voort uit de voelbare aanwezigheid van de literaire en filosofische traditie. Zowel aan de bundel als aan elke reeks gaat een filosofisch of poëtisch citaat vooraf. De gedichten zelf bevatten op hun beurt tal van expliciete verwijzingen naar kunstenaars en denkers, maar ook impliciete citaten en allusies. Zo herinnert ‘zoals / in wat geschreven // staat er niet / staat wat er staat’ aan Martinus Nijhoffs lange gedicht ‘Awater’, ‘het geritsel van bomen is / niet het geritsel van bomen’ aan Hans Favereys ‘De chrysanten’ en het gedicht waarin een musje wordt aangesproken aan Catullus’ ‘Carmen II’. Deze rijke bundel getuigt dus niet alleen van Baars’ eruditie maar ook van zijn vermogen om zich dichtend en denkend voorgangers eigen te maken.

Ideeënpoëzie

De intellectuele en intertekstuele volheid van de gedichten in Baars’ debuut sluiten aan bij de reflectieve functie die zijn poëzie veelal vervult. De gedichten in Binnenplaats vertonen weliswaar een zekere anekdotiek (zo vormt de traumatiserende ervaring van de hartaanval van Baars’ vrouw de aanleiding voor enkele gedichten), maar ze verwoorden vooral genuanceerde fenomenologische en taalfilosofische reflecties. In ‘Het dal van Spoleto’ bijvoorbeeld evoceert de apostrof van het lyrisch ik tot de wereld van de vogels gedachten over de relatie van het subject met het dier. Zo maakt het lyrisch ik een kraai bewust van de symbolische betekenis die zo’n vogel voor mensen heeft verworven:

je kwam er in je eentje zomaar

aanvliegen, streek neer op
een boom en stootte daar

je kreten uit: kaa! kaa! kaa!
weet je dan niet

waarvan je vehikel bent,
zo diep in mijn cultuurgenoom

verankerd, dat het mijn ratio omzeilt
en in mijn lichaam haakt.

Het menselijke weten en stabiliseren (‘verankerd’, ‘haakt’) staat tegenover het gebrek aan zelfbewustzijn en de beweeglijkheid van de vogel; het ingenieuze vocabularium van de mens (‘vehikel’, ‘cultuurgenoom’, ‘ratio’) contrasteert met de primitieve (maar poëtische!) kreten van het dier.

In de reeks ‘Binnenplaats’ wordt de relatie tussen het ik en de ander of het andere aangekaart door de herhaalde aanspreking van een Jij-figuur (met hoofdletter) die, net als de mysterieuze gij-persoon in Gerrit Achterbergs oeuvre, vele interpretaties toelaat: gaat het om de geliefde, om God, om de poëzie, om een beeld van het zelf?

Binnenplaats biedt niet alleen ideeënpoëzie vanwege de epistemologische, fenomenologische en taalfilosofische kwesties die erin centraal staan, maar ook omdat Baars denkende en vragende personages ensceneert. De talrijke intertekstuele verwijzingen in de bundel worden bijvoorbeeld vaak expliciet gemaakt doordat de personages ze ter sprake brengen. Typerend is het gedicht met de titel ‘Hannah Arendt’, dat niet zozeer direct over de Duits-Amerikaanse politieke filosofe gaat als wel over de reflecties die ze oproept bij de lezers van haar boeken:

de filosofie houdt zich te veel bezig
met sterfelijkheid, en te weinig

met nataliteit, vond hannah arendt,

zeg je, opkijkend van je boek,
met die guitige ogen van je,

die me een kind laten willen
dat ik met jou

niet zal krijgen. fenomenologen
waren gevoelig voor religie,

omdat ze de directe ervaring
stelden boven de empirie,

en god ervaren kan worden,
zelfs als hij niet bestaat.

Baars’ bundel getuigt van een vertrouwen in het poëtische genre als de plaats bij uitstek om ideeën te verwoorden en tot inzicht te komen. De poëzie verwerft op die manier een zekere superioriteit tegenover de wetenschappelijke kennis, die veel kan verklaren maar toch tekortschiet. In het verstilde, ontroerende gedicht ‘Het groeien van de ruimte’ (opgedragen aan wijlen Thomas Blondeau) luidt het:

dat de sterren gemiddeld tweehonderd lichtjaar ver zijn
weet ik, maar wat

betekent dat? die lengtemaat
is voor niet-natuurkundigen

een mystieke demystificatie.
ik wil zeggen: ik weet niets

van de afstand tussen hen
en mij, ik weet alleen dat

er iets van geweten
wordt. zo maakt kennis

van de oorzaak
van een aneurysma

het sterven van een vriend
niet minder zomaar.

De wetenschap kan een doodsoorzaak benoemen of de afstand tot de sterren becijferen, maar moet het antwoord op de meest intieme en affectieve vragen schuldig blijven.

Poëzie daarentegen, zo demonstreert Binnenplaats, kan wél het onverklaarbare ter sprake brengen en onderzoeken. In de eerste plaats zijn dat de affecten, gevestigd in het hart (de ‘binnenplaats’ waarvan de titel spreekt). In de tweede plaats verwoordt Baars’ bundel ook meermaals een zoektocht naar dialoog met het transcendente. Hoewel de aangesproken Jij-figuur, zoals gezegd, in de eerste reeks vele interpretaties verdraagt, neemt die onmiskenbaar goddelijke allures aan. Hij/zij is volgens de overlevering ooit vlees geworden (‘het is verteld // dat Je een lichaam hebt gehad / dat woorden sprak’), spreekt door de natuur (‘het geritsel van bomen is / niet het geritsel van bomen // het is Jouw stem’) en representeert het licht (‘het is zo mooi licht in Je’). Baars’ beeld van het goddelijke ondermijnt tegelijk de gangbare voorstellingen ervan. Zo heeft zijn god de mens niet geschapen naar zijn evenbeeld, wel integendeel: ‘of haat Je hen zoals / Je mij ook haat, mij vraagt // in Jou te sterven, mij koestert / als Je tegenbeeld, Je zelf- // geschapen anomalie’. Binnenplaats evoceert een heel persoonlijke mystiek, een eigenzinnige ervaring van epifanie en het spectrum van emoties die daarmee gepaard gaan, van extase tot diepe twijfel.

(Te?) late poëzie

Als voorzichtige kritiek tegen de poëzie van Baars zou men kunnen inbrengen dat ze te laat komt. De achterdochtige visie op de relatie tussen het zelf en de ander en het subject en het object (een visie die is gestoeld op onkenbaarheid en ontoereikendheid) doet postmodern (en daardoor heel onhedendaags) aan. De taalfilosofische fundamenten van zijn gedichten doen sterk denken aan die van het deconstructionisme. Het citaat dat als motto de bundel opent is bijvoorbeeld ontleend aan Jacques Derrida-specialist John D. Caputo, en de openingsverzen van het gedicht ‘Theologie van de stoel’ concretiseren Derrida’s idee van de différance (de idee dat een woord zijn betekenis ontleent aan het verschil met andere woorden, en door de ontelbare hoeveelheid andere woorden dus nooit een definitieve betekenis kan kennen):

omdat de stoel niet samenvalt met de naam van de stoel

omdat de naam van de stoel alles dat niet stoel is aanwezig stelt

omdat onder de naam van de stoel het universum in zijn geheel bestaat uit
wat wel en niet stoel is

Door zijn schatplichtigheid aan denkers van enkele decennia geleden klinken sommige poëtische reflecties van Baars misschien wat voorspelbaar en achterhaald. Maar de knappe manier waarop de dichter zekerheden ontwricht, aan de taalfilosofie van Derrida cum suis herinnert én ze in de praktijk brengt, is tegelijk ook moedig en noodzakelijk. Baars’ poëzie gaat verder dan de laatpostmoderne poëzie die aan de orde van de dag is en die via maatschappelijke en politieke reflecties haar eigen urgentie wil demonstreren. De gedichten in Binnenplaats doen fundamentelere vragen rijzen door – opnieuw – de kenbaarheid van de dingen en het vermogen van de taal te onderzoeken. Zo stellen ze de mogelijkheid tot een relatie met de realiteit ter discussie – en dus, allicht onbewust, de effectiviteit van het gros van de hedendaagse poëzie.

En meer

Binnenplaats is een bundel die imponeert. De weelderige artistieke en filosofische referenties en de soms abstracte poëtische gedachten maken van de gedichten tijdens een eerste lectuur een harde noot om te kraken, maar wekken bij daaropvolgende lezingen vooral ontzag voor de belezenheid en de veelzijdigheid van de dichter. Bovendien, en ter afsluiting dient dit gezegd te worden: Baars’ gedichten zijn soms ook verrassend grappig én romantisch. De humor schuilt in enkele ‘vogelgedichten’ uit de slotreeks, zoals:

je ziet mij in het park op een bank
aan het water en zwemt

me voorbij, zwaan, of stad
je natuurlijke habitat is,

lijkt niet te weten dat wat
er ten grondslag ligt

aan je bestaan een besluit is
van een gemeenteraad

De romantiek zit bijvoorbeeld verscholen in de eerste verzen van het laatste gedicht:

wat we begonnen zijn beginnen
we elke dag opnieuw en elke dag
wil ik nog meer opnieuw

met jou beginnen.

Zoals steeds in Baars’ gedichten kan ook hier de aangesprokene vele personen omvatten, inclusief de lezer. Het idee van een nieuw begin illustreert dan niet alleen de hergeboorte die Baars naar eigen zeggen met zijn eerste officiële bundel heeft ondergaan, maar ook de veelzijdigheid die deze pseudodebutant in Binnenplaats aan de dag legt: elke reeks is een nieuw begin. Baars kan veel en weet veel. Deze lezer hoopt dus binnenkort opnieuw met hem te mogen beginnen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?