cover big

Voor de eer van de Berbers

Joris Note

Over Leven en legende van Agoun’chich van Mohammed Khaïr-Eddine

Vertaling en nawoord Hester Tollenaar, voorwoord Asis Aynan

Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789025368449 / 166p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 20-06-2011

Bookmark and Share

De pas opgerichte Berberbibliotheek, die tien uit het Frans vertaalde Noord-Afrikaanse werken zal omvatten, is een initiatief van schrijver Asis Aynan (zelf van Berberafkomst) en vertaalster Hester Tollenaar. In een interview (de Volkskrant, 23-4-11) benadrukte Aynan dat we niet mogen ‘denken dat deze boeken ook maar iets te maken hebben met organisaties als Novib of Socutera’, in de trant van: ‘het is zo zielig, laat ze een boekje maken’: ‘We bouwen met de opbrengst van deze boeken geen waterput, dit is een verrijking van de Nederlandse literatuur.’ Waarvan akte, maar ik word wat korzelig van de goedkope allusie op de ‘Derde Spreker-serie’, die mede door Novib (en het Belgische NCOS) werd uitgegeven. Is het onder fijne letterkundige luiden bon ton om neer te kijken op zulk ouderwets idealisme? Wel, in die serie werd onder meer werk gepubliceerd van Wole Soyinka, Graciliano Ramos, Sembène Ousmane, Tahar Ben Jelloun, Pramoedya Ananta Toer, Patrick Chamoiseau… En dat gebeurde meestal op een moment dat die schrijvers nog weinig bekend waren. Het zou geweldig zijn als alle uitgeefiniatieven zoveel onzielige ‘verrijking van de Nederlandse literatuur’ inhielden. 

Is dit overigens niet gewoon Franse literatuur? Is het wel zinvol boeken die tot een bepaalde ‘cultuur’ behoren in een aparte reeks te stoppen? Ik laat de vraag open, maar hopelijk belandt de Berberbibliotheek niet in een niche. De Standaard (29-4-11) liet het eerste deel uit de reeks alvast recenseren door een ‘Vlaamse schrijfster met Marokkaanse roots’, hoewel die er niets speciaals over te melden had.

Oorspronkelijk vuur

Uiteindelijk telt alleen de kwaliteit. Ik kijk vooral uit naar werk van de grote Algerijn Kateb Yacine, maar laat ik het nu hebben over de Marokkaan Mohammed Khaïr-Eddine (1941-1995), van wie ik nog nooit iets gelezen had. Zijn Leven en legende van Agoun’chich (1984) is zowel bijzonder als moeilijk vatbaar.

Khaïr-Eddine was afkomstig uit Azro Wado, een dorp in de Anti-Atlas, ten zuiden van Agadir. Hij emigreerde in 1965 naar Frankrijk, maar keerde in 1979 terug naar Zuid-Marokko. Een dergelijke terugkeer vormt het vertrekpunt van deze roman. Het beginhoofdstuk schetst – in de u-vorm, en niet verhalend maar journalistiek of essayistisch – de ervaring van iemand (een schrijver?) die na lange jaren weer in zijn geboortestreek komt. Er is veel veranderd, de streek dreigt zijn eigenheid te verliezen, en de verloren zoon wordt door de bewoners niet herkend maar warm verwelkomd. ‘U raakt zo ontroerd dat u als vanzelf het verleden in duikt’, zo eindigt deze openingstekst.

Daarna begint het boek opnieuw, nu als een sprookje: ‘Er was eens een man…’ We horen over een herder die zich, na een lange vlucht voor een catastrofe, in Azro Wado vestigt, we horen over de onophoudelijke onderlinge gevechten van zijn nakomelingen, en over eenzame desperado’s die ‘in die tijd’ opdoken, bezitloze ‘bandieten voor de eer’. Agoun’chich is zo iemand. Na de moord op zijn zus (‘ze hadden eigenlijk hem moeten hebben’) trekt hij rond om vijanden te doden, gewelddadig maar ‘rechtvaardig’ in zijn obsessieve wraakzucht. Hij is een vrije eenling die alleen voor zijn muilezel genegenheid voelt, houdt zich graag schuil in de mausolea van heiligen en identificeert zich ook met hen; het menselijk bedrijf observeert hij slechts uit de verte, maar hij blijft verbonden met hen die ‘door de eeuwen en millennia heen, ongeacht alle geloven van de volkeren en alle beroering van de geschiedenis [...] hetzelfde blijven doen als hun gemeenschappelijke voorouders, die aanbidders waren van de levensenergie’. Hij voelt zich thuis in de woeste natuur en de kosmos, gelooft in ‘bovennatuurlijke wezens en occulte krachten uit de duisternis’. Een koppige zonderling: ‘Er wordt beweerd dat we voortkomen uit de amoebe. Maar ik zeg dat ik afstam van de oerkern, van het oorspronkelijke vuur [...]’.

Op een bepaald ogenblik laat Agoun’chich zich overhalen om een erg sinistere misdadiger te vergezellen naar het Noorden, waar deze man (een naamloze die niet zonder reden altijd als ‘de verkrachter’ wordt aangeduid) moderne geweren wil kopen. Alleszins betekent dit een keerpunt, maar in welke zin juist? Tijdens de tocht door de bergen spelen dromen en contact met de doden een rol, er zijn beproevingen en vreemde ontmoetingen. In beide avonturiers spookt het idee van een ander leven; na een soort afdaling in de onderwereld lezen we: ‘Ze waren compleet getransformeerd en ervoeren alleen nog een innerlijke vervulling die hen verloste van de opgekropte haat in hun hart.’ Een tweede geboorte?

Wat de verandering in de praktijk inhoudt, wordt duidelijker wanneer Agoun’chich en de verkrachter gearriveerd zijn in de stad Taroudant (aan de voet van de Hoge Atlas) en daar geconfronteerd worden met een uit de gevangenis ontsnapte kaïd (stamhoofd). Het lijkt wel alsof zij - en de lezers – nu vanuit een half-mythische tijd in de geschiedenis stappen, meer bepaald de geschiedenis van de Franse ‘pacificatie’ van Zuid-Marokko in de jaren twintig en dertig. De twee reizigers komen in direct contact met de koloniale agressie, maar tevens met de strijd ‘voor de eer van de Berbers’, en ze stellen zich in dienst daarvan. Agoun’chich vindt het vanzelfsprekend zichzelf opnieuw uit te vinden als verzetsstrijder, er is sprake van solidariteit en zelfs van vriendschap. In dit verhaalgedeelte valt ook op hoe het leven van de bevolking bijna ‘etnografisch’ beschreven wordt. Dat heeft allicht te maken met het feit dat de nakende overwinning van de kolonisator het einde inluidt van de traditionele levenswijze. ‘Alles wat [Agoun’chich] had gekend en waarvoor hij vol overgave had gestreden zou verdwijnen. Ik heb niets meer te zoeken in deze wereld, dacht hij. Maar hij wist dat hij zou doorvechten tot de dood.’

Na de nederlaag, die ultrakort wordt aangeduid, is Agoun’chich weer alleen en trekt hij zich terug – eerst in de bergen, maar als het winter wordt in de stad Tiznit, waar hij zich oefent in een gewoner bestaan. Hij observeert het verval en de europeanisering, al wat hem rest is begrijpen: ‘ik zal deze wereld, deze hel eigenlijk, tot in het diepste doorgronden omdat ik gedoemd ben erin te leven’. Hij maakt mee hoe een onschuldige zonderling geëxecuteerd wordt, hoe er gehoereerd en gezopen wordt. ‘Nacht na nacht begaf hij zich onder dat gevaarlijke uitschot en sloeg hij alles in zich op. Hij was nog altijd in de rouw om zijn zus en zijn geboortestreek en dat maakte hem vlijmscherp.’ Is er nog wel verschil tussen zus en streek? Wanneer Agoun’chich ten slotte door een ongeval zijn trouwe muilezel verliest, begraaft hij hem samen met zijn wapens: alles is voorbij. Hij neemt de bus naar Casablanca om op te gaan in de anonimiteit.

Echt waar? Als lezer kun je nauwelijks geloven dat Agoun’chich het opgegeven heeft. Zijn vertrek sluit aan bij de thuiskomst van het begin - zou hij niet op zijn beurt kunnen terugkeren?

Deze samenvatting is niet alleen erg onvolledig maar ook onzeker - het zijn maar eerste indrukken, want menige passage in het boek blijft me voorlopig wat duister. Onder de indruk ben ik wel, niet alleen van de hardnekkige hoofdfiguur en van de evocatie van zijn land, maar ook van de brokkelige, onharmonische vertelwijze, die modern is én aansluit bij orale verhaalkunst. Twee relatief belangrijke nevenpersonages (de verkrachter en de opstandige kaïd) verdwijnen bijna zonder overgang uit het verhaal: zoiets zou in een ‘klassieke’ roman onmogelijk zijn, maar hier aanvaard je het. Fascinerend is ook de inbedding van enkele secundaire verhalen en de afwisseling in tekstsoorten: realistisch en fantastisch, opsommend en visionair, verhalend en poëtisch en beschouwend.

Cultuur

Maar zo kom ik ook bij een bezwaar: de stukken die discursief over de teloorgang van de oude wereld handelen, vervallen herhaaldelijk in galmende banaliteiten. Dat frappeert het meest in het openingshoofdstuk. Pagina 20: ‘een mens kan alleen goed met anderen communiceren als hij stevig is verankerd in zijn eigen cultuur, waarbij cultuur ‘streek van herkomst’ betekent en tevens een diepgravende kennis van die streek. In dat opzicht blijkt de met klatergoud opgesmukte moderniteit niet alleen oppervlakkig te zijn, maar ook gevaarlijk [...]. Alles wat de identiteit van een volk vormt [...] wordt door de moderniteit vernietigd [...]. Dat probleem speelt [ook bij bijvoorbeeld] de Bretonse en Occitaanse jongeren, die [...] voortdurend worden geconfronteerd met de multinationale opmars van de vervreemding; zij richten zich doelbewust op hun wortels [...]’ Eigen cultuur, identiteit, wortels, ‘oude waarden’... tegenover moderniteit, vervreemding, ‘importcultuur’... Die clichématige taal is helaas ook te vinden buiten de inleidende tekst. En wat moeten we met een ongedifferentieerd begrip van ‘de voorouders’?

Ik wil allerminst betwisten dat door de kolonisatie (en later door de onafhankelijke staat) bij de Berbers niet-materiële verwoestingen zijn aangericht. En enkele ongelukkige woorden of zinnen of bladzijden vormen op zich geen probleem, maar ze wijzen misschien op iets belangrijkers. Als de begrippen cultuur en identiteit – en hun Verlies of Verval - optreden in een literaire tekst, dan mogen ze niet in algemeenheid of vaagheid blijven steken. Dat doen ze hier wel, er wordt niet echt iets mee ‘gedaan’, ze worden omschreven en geïllustreerd maar niet doordacht; ze vormen, in beknopt Frans, un impensé. Om misverstanden te voorkomen: ik schrijf dit niet vanaf een comfortabele hoogte maar juist als iemand die zich zelf niet lekker voelt bij de identiteit en de cultuur die geacht worden de zijne te zijn (westers, liberaal, humanistisch, Europees, Vlaams…).

In het genoemde interview met Aynan zit een soortgelijke moeilijkheid: ‘Als mensen lossen we op, we gaan Marokko loslaten en dat vind ik goed. Maar ik wil dat er iets van de cultuur overblijft, ik wil dat mijn kinderen die boeken kunnen lezen.’ Hier staat cultuur tegenover het leven ‘als mensen’, en dat zou Khaïr-Eddine vermoedelijk niet geaccepteerd hebben. Aynan lijkt ‘cultuur’ bijna te gebruiken in de zin van (traditionele) kunst en literatuur. Maar moet je niet vragen dat kunst en literatuur universele betekenis hebben? Wat betekent het dan precies om ‘de Berbercultuur’ te willen bewaren? We moeten oppassen om niet te verzeilen in (cru gezegd) folklorisme, of in de flauwe sfeer van ‘wereldmuziek’.

Er ontbreekt ook iets aan de Nederlandse uitgave: ondanks een nawoord en een verklarende woordenlijst krijgt de lezer al te weinig informatie bij de historische achtergrond. In ons taalgebied weet vrijwel niemand iets van de Berbers en van de vroeg-twintigste-eeuwse geschiedenis van Marokko (met name de ‘pacificatie’), en op het internet vind je niet zo gemakkelijk de gegevens die je nodig hebt. Anders gezegd, met enkele bladzijden extra zou dit boek veel aan waarde gewonnen hebben.

Slotsom: interessant en intrigerend en soms prachtig, die Agoun’chich, maar toch wat twijfels. Verrijking voor de Nederlandse literatuur? Ik ben er nog niet uit.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?