
Vousvoyeurisme
Johan Sonnenschein
Over Gerichte gedichten van Willem Jan Otten
Van Oorschot, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789028241732 / 60p.
(5) reactie(s) - geplaatst op 15-08-2011
Ik voelde me aangesproken. Het sprak me aan. Het raakte me. Dit is voor mij geschreven. Dit gaat heel erg over mij. Gesprekken over kunst verzanden dikwijls in deze egocentrische gemeenplaatsen. Kunstwerken lokken ze zelf ook uit door technieken als de parabase in het Griekse theater, het doorbreken van de vierde wand, de filmische voice-over, de blik in de camera, of literaire vertellers die de lezer direct aanspreken. Ze maken het vanzelfsprekende verband tussen kunstwerk en publiek expliciet door de narratieve lijn te onderbreken voor de bekendmaking dat het kunstwerk er voor de toeschouwer is. Nergens is dat waagstuk zo ingeburgerd als in de lyriek: middels de apostrof beogen talloze gedichten een ‘nu’ te zijn dat de lezer moet meebeleven. Jonathan Culler schreef: ‘Apostrophe is not the representation of an event; if it works, it produces a fictive, discursive event.’ Het feit dat je deel uitmaakt van het kunstwerk wordt door de apostrof op scherp gezet – ten minste: ‘if it works’... Daarover zou elk gesprek moeten gaan: werkt het, en zo ja, hoe en waarom?
U2
Gerichte gedichten, de elfde, ouderwets dunne poëziebundel van Willem Jan Otten, wendt zich permanent tot de lezer. Niet door middel van ‘O’ maar door ‘U’: van de eenendertig gedichten zijn er slechts drie u-loos, zes openen met de beleefde aanspreking van een strenge figuur: ‘U hebt een harde hand van ronselen’ en ‘U heeft de pest aan kinderloos’. Deze U is ouder dan de dichter: ‘U was al lezer toen ik aap noot mies’ en houdt het langer uit: ‘U bent van na de laatste zucht’. U is niet praatgraag: ‘U zweeg vandaag op de wijze / van een ondoordringbaar bos’ en heeft alles weg van een regisseur: ‘U troont in een duinkom op een stoeltje van linnen’. Voelt u zich aangesproken? Bent u deze U?
De vraag of ik het was, beheerste mijn eerste lezing van de bundel. Daar zet Gerichte gedichten duidelijk toe aan: het openingsgedicht komt ‘uw lezen ingedreven’, halverwege wordt de u ‘lezer dezes’ genoemd en het een na laatste gedicht loopt trechtergewijs uit in een radicale apostrof, typografisch centraal geïsoleerd:
Als dat u inbegrepen bent in mij
inbegrepen zoals in een spitsmuis
de alhorende ransuilinbegrepen zoals in u
nu u leestu
De constellatie is niet eenvoudig, er zijn hier minstens twee u’s werkzaam. De u die nu leest is de lezer: ik dus (u1). In deze lezer veronderstelt het gedicht een u2. Ben ik dat ook? Is dat mijn lichaam? Of overstijgt iets anders mij terwijl ik deze poëzie lees? De vergelijking met het roofdier veronderstelt een dreigende aanwezigheid die op mij loert. Al lezende hou ik hem op afstand, maar bevind me in zijn blikveld. De voor Ottens doen spectaculaire vormgeving (dit is zijn eerste gecentreerde gedicht), suggereert dat een snavel mij al beetheeft.
Hier werkt een gewiekst auteur. Ottens apostrof betrekt de lezer in een allesoverstijgend ‘u’ door een soort literair, publiekelijk bidden. Wie zijn fictieve teksten leest, zo lijkt de redenering, betreedt het tekstweb van de dichter die rondloopt in het wereldwijde web van ‘u’. Boven de lezer zetelt de grote lezer, de regisseur die Otten buiten zijn poëzie gewoonlijk God noemt. Dat hij dat nalaat in zijn poëzie is Ottens literaire list: door zijn ‘u’ ambigu te houden, lokt hij de lezer zijn relatie tot een opperwezen in. Deze poëzie lezen is toetreden tot zijn christelijk universum. Hoog spel dus, en dat is prijzenswaardig aan dit werk. Maar het moet bij deze procedurele lof blijven, want op de zetel waarin Gerichte gedichten mij idealiter ziet plaatsnemen, bleef ik na herlezing toch niet zitten. Precies omdat ik me steeds minder aangesproken wist.
Afhakers
Gedeeltelijk lukt het me Ottens poëtisch project te waarderen, maar nu hij zijn dichterschap op scherp zet als godsdienstoefening, zie ik me genoodzaakt me te gaan scharen bij de afhakers. Die term ‘afhakers’ muntte Otten in de De Groene Amsterdammer van 14 juli jongstleden aan het begin van zijn apologie van The Tree of Life, de geprezen film van Terence Malick. De film bleek een kolf naar Ottens hand: hij vatte de luchtbuks en schoot degenen die na twintig minuten het pluche verruilden voor de barkruk de zaal uit. Na deze scheiding der geesten analyseerde Otten de film terecht als gebed van Sean Penn die de rouw om zijn dode broer probeert af te sluiten, hem daartoe om vergeving vraagt en uiteindelijk het contact met God en zijn godvruchtige familie herstelt. Zonder veel omslag brengt Otten de film terug tot ‘het ongerijmde verlangen dat er maar één u is: de God van verzoening, die ons de genade heeft geschonken van ons verlangen naar een met zichzelf verzoend, vergeven bestaan.’ Al lijkt deze monotheïstische uitsmijter gespeend van nuance, de Rooms-katholieke auteur geeft blijk van enige zelfrelativering. Het gaat om een verlangen naar ‘maar één u’ – er zijn natuurlijk andere u’s – en er zijn de zaalverlaters voor wie er geen enkele u van dat kaliber is. Otten stuurt zijn lezer aan op een keuze: mee in zijn rechte lijn naar God, of de zaal verlaten. Maar is deze verdeel- of heerspoëtica wel sluitend?
Zelf zat ik bij een andere vertoning van The Tree of Life: de enige bezoeker die opstond, schoof een rij naar voren. Karakteriseringen van de film als ‘pretentieuze relikitsch’ hadden me eerder nieuwsgierig gemaakt – aan pretentie ontbreekt het te vaak. Kitscherig, in de zin van mooi gefilmde clichés, was vooral de omlijsting van de film: de biddende voice-overs, de woestijnscènes, de hemel verbeeld als een strandje vol familieleden. Ronduit gemakzuchtig vond ik de schematische tegenstelling tussen ‘the way of grace’ en ‘the way of nature’: de eerste leidt naar God, de tweede naar geluk in het kapitalisme maar ongeluk in de liefde. De essayist Otten lust pap van dit soort polarisaties: ongelovige intellectuelen zijn darwinisten, darwinisten zijn nature-gelovigen; ergo intellectuelen zijn ook gelovigen. De ruimte tussen deze extremen, de onoverzienbare zone van onwetendheid, twijfel en scepsis – lang zijn eigen fort – sluit hij geleidelijk af.
Gekuiste versies
Even leek het erop dat Otten zijn ideeënstrijd ook ging voeren in zijn poëzie. Zijn vorige bundel Welkom kende al een reeks ‘Gerichte gedichten’, maar eindigde op een nog schemerig eiland. Erna publiceerde hij enkel ‘Gerichte gedichten’ in verschillende literaire tijdschriften. In De Gids (1837-2012?) begon er een met de boutade: ‘Anders dan bij Jupiter en Darwin / is uw wet niet verkrachting, / zie: Wees Gegroet.’ Bij bundeling schrapte Otten deze Natureingang. In een ander liet hij evolutiebiologen lijden aan ‘een soort verslaving / aan een steeds nodelozer begin / dat, als we diep genoeg het uitspansel / in keken, alsnog zou zijn gezien.’ Dit gedicht nam hij helemaal niet op. Een gedicht in Tirade (1957-2012?) verweerde zich tegen de godsdienstpsychologie die in elk godsbeeld een projectie ziet: ‘Duivels het denkbeeld / dat u mijn creatie bent, // satan houd af, / uw naam is projectie.’ Ook dat polemische gedicht haalde de bundel niet.
Dat Otten zijn bundel even dun als wellevend heeft gehouden noem ik niettemin spijtig. Polemiek doet zijn poëzie goed, ze geven haar een bite die de bundel nu mist. Het had de lezer die zijn monotheïsme niet deelt iets gegeven om zich aan te scherpen. Een van de gedichten die de lof der voortplanting bezingen (‘Draagt vrucht!’), begint nu nonchalant: ‘U bent geen typ voor kinderloos’, terwijl er in Tirade veel sterker stond: ‘U hebt de pest aan kinderloos’. Ook een gedicht dat begon ‘U bent geen neerlandicus’ is bij bundeling gesneuveld. Jammer, want hoewel die opening meteen duidelijk maakte dat hij mij niet aansprak, zette ze wel een betrokken lezing in werking. Otten vervolgde: ‘genres zullen u worst zijn’, om te eindigen met een typering van zijn huidige literaire vorm: ‘Wil dan ook velen / mijn vlees noch vis, / traktaat noch gebed, / gedicht noch bewering, / essay noch psalm’. Deze passage over eigen werk laat zien dat Otten inmiddels ver durft af te wijken van de gecomprimeerde poëzie waar hij patent op heeft. Dat hij een denkfietsende, losse vorm is gaan ontwikkelen voegt aan zijn dichterschap een nieuwe dimensie toe. Had hij dit soort teksten in groter getale geformeerd tot een meditatief parlando poëzieboek, dan was zijn project helderder uit de verf gekomen dan in deze concieze bundel u-variaties.
Uren u
De bundel is verdeeld in drie afdelingen waarin met moeite lijn valt te ontdekken. De eerste herschrijft Ottens verleden op gelovende leest: U is er nu en dus was u er altijd, wat herinterpretatie van heidense tijden vereist. Otten kerstent al zijn grote thema’s: zijn vaderloosheid (u was altijd al vader), zijn muzikantenmoeder (ze gelooft niet maar beluistert wel uw muziek), zijn erotomanie (u bent vruchtbaar), zijn schrijverschap (u levert blanco papier), zijn bekering (u sloeg Saulus al), zijn huwelijk (via haar kwam u), zijn vaderschap (u zorgt voor verloren zonen) en zijn eerste ongeboren kind. Het laatste stelde Otten al present in het tweeluik ‘Geesteskind’ uit Ik zoek het hier (1980) waarin het ongeboren blijven tot een creatief probleem werd gemaakt. In de jaren tachtig doordacht Otten de vermogens en beperkingen van poëzie als supreme fiction, in navolging van Wallace Stevens en J.H. Leopold. Eén van de twee gedichten die Otten als motto van Gerichte gedichten opnam, is een vertaling van Stevens en laat zien hoe stelselmatig Otten zijn eerdere werk en invloeden herwerkt op christelijke leest. Dat hij Stevens’ woordgroep ‘that single mind’ vertaalde met het Leopoldcitaat ‘dit eene brein’, laat Ottens streven naar emulatie zien: modernistische voorbeelden worden opgenomen, of ‘inbegrepen’, in zijn nieuwe wereldbeeld.
De eerste afdeling besluit met een licht gewijzigd gedicht uit Welkom, getiteld ‘Hoeveel weet ik van u’, de derde afdeling geeft een nieuwe tussenstand daarvan. Het meest op dreef is Otten wat mij betreft echter in de oudste gedichten: de reeks ‘Mankes’, in 2005 gepubliceerd in Het liegend konijn, staat in het midden van de tweede afdeling en kent een hoog tempo en een sterke ritmiek. Het verhaalt de pijnlijke familiegeschiedenis van een vroeg verongelukte achteroom en de verkoop van het familie-erfstuk van Jan Mankes. De essayist Otten deed het verhaal al eerder uit de duiken, maar dit poëzievijfluik verweeft het ingenieus met een reisverslag waarin de dichter zijn manke, biologische vader meetorst naar het Scheringamuseum avant le scandale. Het schilderij moet zoon en vader verbroederen, maar de vonk blijft uit en dat levert mooie wrevelige passages op. Bij de bezichtiging, schrijft Otten, was ‘iets ongebeurd gebleven / Mankes’ jongen had opzij gestaard. / Hij weet zich al te zeer een lazarus, / dat maakte ik ervan’. Even komt de dichter uit voor zijn drift om alles in religieus-symbolisch licht te zien, en enkele regels verder geeft de zin ‘er brak een noodweer uit, / u was bepaald op dreef’ blijk van zelfironiserend vermogen. Dit soort Reve-waardig schrijven bereikt Otten ook als hij de reeks laat eindigen in een gotische scène met nachtelijke godservaring. Deze mystiek is paradoxaal genoeg toegankelijker dan de lucide overige gedichten.
Vousvouyeur
Ook de Mankes-reeks heeft Otten omlijst met gedichten die de biologische vader relateren aan de kosmische. Daardoor blijft ook deze queeste voor mij uiteindelijk onnavolgbaar. De poging van zijn uitgever om de u af te zwakken tot om het even welke lezer, lijkt me onhoudbaar. Het literaire raffinement onverlet gelaten, is deze poëzie au fond religieus, en richt zich over het hoofd van de lezer die dit geloof niet deelt.
Slechts één gedicht in de bundel richt zich niet tot een u maar tot een ‘je’. Het haalt uit naar de tijdgenoot die zich vrij waant in een wereld die geen andere wetten kent dan die van DNA. Otten laat er even zijn tanden zien:
Neuriënd is doorgeknipt de draad naar Eva
en haar tepelloze chimp. Dit is de eeuw
van dna, je doolt nu vrij en vlooiend
door je met geen vloek gemoeide labyrint.Je bent ontsnapt! Zet op de wereld neer
je ene door en door veroorzaakt kind,
dat ongeboren al volledig is doorgrond,
dat door geen u hoeft worden afgerond,
doe maar je fucking best, teel mensheid
eindelijk beveiligd tegen knarsetanden en gebed.
Dit is een gedicht om inderdaad van te knarsetanden. Niet omdat ik mij hier nu zo raak getypeerd zie, wel omdat het eloquent de zorgeloze arrogantie van het westers liberalisme attaqueert. Vooralsnog is Ottens strijdtoneel vrij schematisch: geloofsgenoten die, ora et labora, meer dan één kind en een tuinhek nastreven, versus een mensheid die leven als survival of the fittest opvat. Maar het nodigt uit tot tegenspraak en positionering, het opent de dialoog met de lezer, in plaats van hem te verleiden ‘u’ te zeggen. ‘Niet te tutoyeren bent u: Heer’, stelt de bundel op het eind. Bij voorpublicatie stond daar strenger: ‘U tutoyeren geeft geen pas’. Pas als Otten ‘je’ zegt, werkt zijn apostrof; gevousvoyeerd voelt lezer dezes zich vooral voyeur.
5 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


18-08-2011, om 4:36:32