
Wij, nuchtere mensen
Sander Bax
Over Verzameld werk 3 en 4 van Karel van het Reve
Van Oorschot, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789028242616 / 1075p.
(21) reactie(s) - geplaatst op 14-05-2010
Monumentale aandacht
Zes jaar geleden publiceerde Ger Verrips al een lijvige biografie over Karel van het Reve, nu brengt Van Oorschot in zeven delen zo ongeveer alles bijeen wat hij schreef. Je zou denken dat biografieën en verzamelde werken een impuls geven aan de bestudering van het werk van zo’n belangrijke auteur, maar helaas werkt dat niet altijd zo. Soms lijkt dit soort monumentale aandacht eerder een risico met zich mee te brengen. De auteur in kwestie kan namelijk even gemakkelijk worden bijgezet in de canon van de Nederlandse literatuur zonder dat er nog iemand naar hem omkijkt. Biografie en verzameld werk wekken dan de indruk het laatste woord over de geliefde schrijver te willen zeggen, waardoor andere biografen, nieuwsgierige interpreten en eigenwijze lezers zich afgeschrikt voelen.
Welk lot wacht het oeuvre van Karel van het Reve? Dat hangt natuurlijk ook af van de relevantie die het vandaag de dag nog heeft. Die vraag is nog sterker aan de orde wanneer het een essayist betreft. Fictionele genres ontstijgen tot op zekere hoogte hun eigen tijd. Multatuli’s Max Havelaar is nog altijd te lezen zonder al te veel kennis van de negentiende-eeuwse koloniale politiek, omdat de roman zelf alle relevante historische feiten aanlevert. Maar wie W. F. Hermans’ Boze brieven van Bijkaart wil begrijpen, moet beschikken over heel wat kennis over de toenmalige politiek-maatschappelijke werkelijkheid. Wil het werk van een essayist na dertig jaar nog leesbaar zijn, dan moet de essayist ons ook nu nog prikkelen door de originaliteit en de actualiteit van zijn opvattingen en de lezers kunnen raken met zijn stijl. Karel van het Reve moet het vooral van dit laatste hebben. Zijn ideeëngoed blijkt inmiddels enigszins gedateerd en is vooral historisch interessant, maar zijn stilistische brille zorgt ervoor dat we zijn essays en columns met plezier kunnen lezen.
Logisch redeneren
Deel drie (1969-1972) en vier (1973-1980) van het Verzameld werk bevatten de teksten uit de periode waarin Van het Reve de meeste bekendheid genoot. In de jaren zeventig ontpopte hij zich tot een gewaardeerd Ruslandkenner (daarvan getuigt Het geloof der kameraden uit 1969) en tot een beroemd correspondent voor Het Parool in Moskou, waarvan hij in Met twee potten pindakaas naar Moskou (1970) verslag deed. In deze bloeiperiode opereerde Van het Reve nadrukkelijk in de omgeving van Geert van Oorschot. Zijn werk werd niet alleen door Van Oorschot uitgegeven, ook was hij losjes verbonden aan diens tijdschrift Tirade dat zich verzette tegen de linkse ideologieën die in die dagen welig tierden (onder meer bij ‘de revolutionaire schrijver en pamflettist Harry Mulisch en zijn partizanenbent van schakers en muzikanten.’) Net als Jacques de Kadt en Charles B. Timmer stond Van het Reve kritisch tegenover de Sovjet-Unie en moest hij niets hebben van de jonge intellectuelen die dweepten met linkse leiders in China en Cuba. Hij maakte zich in deze jaren vooral sterk voor dissidente schrijvers die de Sovjet-Unie moesten ontvluchten om hier de waarheid over het systeem te kunnen onthullen en wier teksten op de meest inventieve manieren de grens over gesmokkeld moesten worden.
Van het Reve ontwikkelt in deze periode een eigen profiel als essayist en columnist. In de geest van de door hem bewonderde polemist Ter Braak ontmaskert hij als vanzelfsprekend aangenomen waarheden. Telkens neemt hij zo’n waarheid onder de loep en ontrafelt hij haar door wat je ‘logisch redeneren’ met ‘gezond verstand’ zou kunnen noemen. In Met twee potten pindakaas naar Moskou vinden we bijvoorbeeld een uitvoerige redenering over het zogenaamde voordeel van het communisme, namelijk dat de huurprijzen in Moskou erg laag zijn. Van het Reve berekent de mogelijke huurprijs van een Moskouse arbeiderswoning en concludeert dat de gemiddelde arbeider de helft van zijn inkomen kwijt is zijn aan huur.
Dit nuchtere redeneren is gefundeerd in een bredere wereldvisie. Die visie wordt grotendeels bepaald door Van het Reves popperiaanse wetenschapsopvatting: ‘Een wetenschap immers kan gedefinieerd worden als een reeks verbodsbepalingen, net als het Wetboek van Strafrecht, met dit verschil dat bij het Wetboek van Strafrecht de overtreder gestraft wordt en bij een natuurwet de wet zelve.’ Wetenschap is er om falsificeerbare uitspraken te doen over de werkelijkheid. Haar kracht ligt in het verwerpen van hypothesen op basis van empirisch onderzoek, waardoor er theorieën ontstaan die de waarheid alsmaar dichter naderen.
De essayist Van het Reve past deze methode toe op tal van schijnwaarheden. In Het geloof der kameraden neemt hij bijvoorbeeld de ‘dwaalleer’ van het marxisme-leninisme op de korrel. Hij beschrijft die leer als een geloof dat nog altijd vele aanhangers heeft, maar dat de toets der empirische kritiek nauwelijks kan doorstaan. Zijn kritiek beschrijft hij met een licht spottende, ironische toon:
Het wil mij voorkomen dat er samenhang bestaat tussen de aard van deze theorie en dit in gebreke blijven van haar uitvinders om haar in een geschrift van desnoods enkele tientallen pagina’s uiteen te zetten.
Zo zijn er meer vragen, die betrekking hebben op de betekenis van het fragment. De juistheid ervan is nog een geheel andere zaak. Er is, bij mijn weten, nimmer een poging tot bewijs gedaan behalve door het geven van voorbeelden.
Andere voorbeelden van Van het Reves redeneertrant staan in Uren met Henk Broekhuis (1978), een selectie uit de columns die hij onder dit pseudoniem schreef. Ieder hoofdstuk vertrekt vanuit een eigenaardige constatering van de columnist die hij in het stuk uitlegt, zoals ‘Er is nauwelijks een zichzelf respecterend intellectueel in de westerse wereld te vinden, die niet gelooft dat vele in dromen, beeldende kunst en literatuur voorkomende potloden en andere langwerpige dingen fallische symbolen zijn.’ Hier richt Van het Reve zijn ‘ontnuchterende verstand’ op de beoefenaars van de psychoanalyse en literatuurwetenschap en hun neiging om iets anders te lezen dan wat er staat. Voor een harde empiricus als Van het Reve is hun interpretatieve werk het toonbeeld van idiotie: volgens hem staat er altijd alleen maar wat er staat. Waarom zouden de duizenden lezers van literaire teksten die boeken anders zonder literatuurwetenschappers kunnen lezen?
Van het Reves rigide redeneertrant werkt vooral als een middel om naïef idealisme te ontmaskeren. Daarmee kon hij de Westerse samenleving wijzen op de foutieve aannamen die bestonden omtrent het leven in de Sovjet-unie. Maar er zit ook een schaduwzijde aan zijn neiging om alles langs de meetlat van de empirische wetenschap te leggen. Dat er ook wetenschapsdomeinen bestaan waarin niet zozeer het formuleren van algemene wetten (‘de waarheid’) centraal staat, maar het analyseren van unieke fenomenen zoals de menselijke psyche en kunstwerken, wil er bij Van het Reve niet in: het geven van ‘voorbeelden’ levert niets op en ‘betekenis’ is een besmet woord.
Literatuurwetenschap
In zijn befaamde Huizinga-lezing ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ maakt Van het Reve zich vrolijk over de jonge wetenschappelijke discipline van de literatuurwetenschap. Hij verwijt literatuurwetenschappers dat ze niet toegankelijk kunnen schrijven, dat ze betekenissen zoeken waar die er niet zijn (omdat de schrijvers toch duidelijk zeggen dat ze die betekenissen er niet in gestopt hebben) en dat ze geen antwoord kunnen formuleren op de enige relevante vraag in hun vakgebied:,waarom is het ene boek goed en het andere niet?
Van het Reves ontnuchteringsmethode leidt ook hier tot een vermakelijke tekst, maar zijn argumenten overtuigen niet. Het is natuurlijk fijn wanneer een wetenschappelijk werk vlot is geschreven, maar er bestaat niet één wetenschap waarin de kwaliteit van de onderzoeksresultaten louter beoordeeld wordt op basis van de stijl waarin ze zijn opgeschreven. De vraag waarom het ene boek goed is en het andere niet, is inderdaad onmogelijk te beantwoorden. In de eerste plaats is kwaliteit een eigenschap die door lezers aan teksten wordt toegeschreven en zich niet laat objectiveren. Als er al een manier is om hierover iets te weten te komen, dan is het via de individuele analyse en interpretatie van de tekst, zoals de gewraakte Sötemann probeert in zijn studie over de Max Havelaar. Sötemann lost het probleem misschien niet op, maar doet wel een serieuze poging.
Dan blijft Van het Reves laatste en sterkste argument over, namelijk de kritiek op de wetenschappelijkheid van de literaire interpretatie. Met zijn kritiek doet hij echter geen recht aan de discussie in de literatuurwetenschap van de jaren zeventig: die ging over niets anders dan de zoektocht naar een wetenschappelijk verantwoorde manier om teksten te interpreteren. Juist de literatuurwetenschappers die Van het Reve hekelt (Oversteegen, Maatje) stelden die problemen aan de orde. Ook zij waarschuwden voor de risico’s van al te fantasierijk interpreteren en mede daarom probeerden zij regels te formuleren waaraan een interpretatie zou moeten voldoen.
De discussie rondom de literatuurwetenschap laat zien dat Van het Reve zich soms blind staarde op zijn popperiaanse wetenschapsopvatting. Die rigiditeit maakte hem blind voor de verdiensten van een discipline die met dezelfde vragen worstelde als hij zelf. De argumentatie die Van het Reve in de Huizinga-lezing aandraagt, komt vandaag nogal verouderd over, vooral omdat zij in de jaren zeventig al was gericht tot een clichébeeld van de literatuurwetenschap. Dat neemt niet weg dat dit door Van het Reve met veel aplomb gepresenteerde beeld nog steeds invloed heeft. Tot op de dag van vandaag is er bij redacties van dag- en weekbladen een merkbare argwaan ten aanzien van literatuurwetenschappelijke studies. Die worden vaak bij voorbaat weggezet als te specialistisch of te weinig toegankelijk geschreven. Dat er wel degelijk zeer lezenswaardige literatuurwetenschappelijke studies uitkomen, waarin ook nog eens belangrijke nieuwe inzichten staan over auteurs of literair-historische periodes, doet aan dat beeld niets af. Daardoor is er in deze media nauwelijks nog aandacht voor andere studies dan biografieën.
De afdelingen met ‘ongebundeld werk’ van Van het Reve zijn gevuld met zo’n 350 (deel 3) en 600 (deel 4) pagina’s met columns, recensies en open brieven uit onder meer Het Parool, Haagse Post, Hollands maandblad, Soma en Propria Cures. Het is de ironie van de geschiedenis dat dit verzameld werk ook voor de door Van het Reve zo gehate literatuurwetenschappers een schat aan informatie biedt. Zeker nu de literatuurwetenschap zich steeds meer bezighoudt met het publieke optreden van schrijvers en intellectuelen, krijgt zijn werk in ieder geval een groot historisch belang. De duizend pagina’s met ongepubliceerde commentaren op de meest uiteenlopende maatschappelijke verschijnselen kunnen we lezen als een tegendraadse en hoogst vermakelijke cultuurgeschiedenis van de jaren zeventig. Alleen dat al maakt dat Karel van het Reve in een geschiedenis van de naoorlogse publieke intellectueel een prominente plaats zal moeten innemen.
21 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


16-05-2010, om 9:34:26