
(Zelf)portret, gevleid natuurlijk
Erik Spinoy
Over Getande raadsels. Herinneringen aan Hugo Claus van Patrick Conrad
Meulenhoff/Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 2009,
164p.
ISBN 978 90 8542 178 8
(28) reactie(s) - geplaatst op 13-11-2009
Hugo Claus overleed in het voorjaar van 2008 en hop, daar zijn de herinneringsboeken al. Getande raadsels. Herinneringen aan Hugo Claus is een pennenvrucht van Patrick Conrad, die – vooral in Vlaanderen – enige bekendheid geniet als cineast en, wellicht vooral, als dichter en medestichter van het Antwerpse literaire genootschap Pink Poets, dat vooral in de jaren 1970 furore maakte. Het is een boek geworden zoals men dat van de romantische dandy Conrad kon verwachten.
Getande raadsels bestaat uit een groot aantal heterogene stukjes: herinneringen aan Claus, reflecties over een aspect van Claus’ werk of persoonlijkheid, commentaren bij foto’s en tekeningen waarvan enkele ook in het boek zijn opgenomen. De vroege herinneringen staan voorin, aan het eind van het boek komen vooral de laatste jaren ter sprake. Toch is de samenhang tussen de stukjes niet in de eerste plaats chronologisch. Getande raadsels is een overwegend associatief opgebouwd, mozaïekachtig geheel, dat zijn samenhang vooral ontleent aan het perspectief van waaruit Conrad persoon en werk bekijkt.
Hearsay
Het accent in Getande raadsels ligt op de late Claus. De vriendschap blijkt na een aarzelend begin, waarin Claus wel veel omging met die andere, in 1975 overleden, Pink Poet Hugues C. Pernath, vooral langs Conrads ‘oudste vriendin’ Veerle de Wit om tot stand te zijn gekomen. Zij leerde Claus kennen op de set van Conrads film Mascara (1986), waarvan Claus medescenarist was. Het gaat in dit boek dan ook vaak over de voorbije twintig jaar: herinneringen aan Claus’ en Conrads leven als goden in Zuid-Frankrijk, aan gezamenlijke filmprojecten, aan de zich openbarende Alzheimer en – in mindere mate – aan de zorgelijke laatste jaren in Antwerpen. Heeft Conrad het over gebeurtenissen uit de vroege jaren – Oostende, het huwelijk met Elly Overzier, de Parijse en de Italiaanse jaren, Nukerke, het Masscheroen-incident (1968), de reis naar Cuba (1968), Amsterdam… – dan baseert hij zich noodgedwongen op hearsay en lectuur.
Wie zich voor de Clausbiografie interesseert, beschikt met Getande raadsels over een nieuwe bron, maar dan wel een waar niet bijzonder veel nieuwe kennis uit opwelt. Dat komt in de eerste plaats doordat Conrad zoals gezegd relatief laat tot de kring van Claus-intimi was toegetreden. Het meeste van wat over de periode tot de jaren 1980 wordt gezegd is daardoor onvermijdelijk tweedehands. Dat het boek maar weinig nieuwe inzichten aandraagt, houdt echter vooral verband met de manier waarop Conrad naar Claus kijkt. Getande raadsels onderneemt geen poging om te onderzoeken wat achter de mythe Claus schuilging, integendeel zelfs. Claus was voor Conrad vanaf het begin ‘mijn held’ en ‘de meester’, en hij moest dat kennelijk tot het einde ook blijven. Dat sluit nauw aan bij Conrads zeer romantische visie op kunst en leven. Emotie haalt het in Getande raadsels moeiteloos van reflectie. De eerste zin van de programmatische openingsalinea van het boek luidt niet toevallig: ‘Zonder liefde is dit verhaal ondenkbaar.’
Dagdromen in adoratie
Die liefde is natuurlijk de liefde voor Claus – of preciezer: voor een verbeelde Claus. De Claus-figuur die hier verschijnt is een ‘genie’, en dus volstrekt ‘anders dan de anderen’. Sterker nog, hij is een hoog op de Nederlandse Parnas tronende literaire god ‘voor wie de vrouwen vallen en niet-uitverkoren mannen vluchten’, geflankeerd door andere goden als Mulisch, Reve en Hermans en ‘omringd door een hofhouding van vleiers, knechten, krolse konkelaars en smachtende halfgoden’. Op de films na is zowat alles wat Claus ooit heeft voortgebracht ‘magistraal’ en ‘uitzonderlijk’. In Getande raadsels komt met andere woorden een absolute adoratie tot spreken, wat resulteert in ronkende frasen als: ‘Hij had de natuurlijke bescheidenheid eigen aan die zeldzame kunstenaars die zichzelf hoge eisen stellen.’ En: ‘Het komt zelden voor, maar sommige uitzonderlijke individuen slagen erin om tijdens hun leven hun eigen legende binnen te treden, voor hun dood de mythe die zij gecreëerd hebben te belichamen en te beleven.’
Typerend zijn de talrijke passages die geschreven werden bij foto’s. In de meeste gevallen lokken die passages verheerlijkte dagdromen uit, zoals in deze regels over een bekende Parijse foto van Ed van der Elsken: ‘Heeft hij met iemand afgesproken? Met Simon Vinkenoog, met Gerrit Kouwenaar, Corneille, Appel, Alechinsky? Of met Boris Vian of Jacques Prévert, van wie men verwacht dat zij elk moment de foto kunnen binnenstappen?’ Kortom, ‘Hugo’ is het object van Conrads liefde, omdat hij als een scherm fungeert waarop Conrad zijn fantasieën kan projecteren – verbeeldingen van een buitengewoon en stijlvol leven, hoog verheven boven de banaliteit van het bestaan waartoe het gros van de stervelingen is veroordeeld. Het had een verhelderender en zeg maar gerust ook draaglijker boek opgeleverd als Conrad door die fantasieën was heengegaan en, bij alle begrijpelijke betrokkenheid, toch een minimum aan objectiviteit had betracht. Maar dat is nu net niet wat men van Conrad moet verwachten. Claus is voor hem ‘de man die tot het einde voor mij een raadsel bleef’, en dat wil hij ook graag zo houden. De titel van dit boek is niet toevallig, naar een opdracht voor Conrad die Claus in een van zijn boeken schreef, Getande raadsels.
De gedroomde vader
De Clausverheerlijking moet ook een batig saldo opleveren voor Conrad zelf, over wiens productie als regisseur en dichter geen overweldigende consensus is ontstaan: in het beste geval geniet hij een cultstatus bij een klein publiek van cinefielen en (Vlaamse) poëzielezers. Dit boek is bijgevolg ook een oratio pro domo: Claus is een genie, en Conrad zijn geestelijke erfgenaam. Over de eerste ontmoeting met Claus van de toen 22-jarige Conrad: ‘Ik keek naar hem zoals hij waarschijnlijk in december 1947, achttien jaar oud, naar Antonin Artaud keek [...]: gefascineerd en geterroriseerd, als door een tandeloze, vernielde maar gedroomde vader.’ En elders: ‘Ik had nog een lange weg af te leggen om met Claus dat soort geestelijke vader-zoonrelatie op te bouwen die hij […] met Herman Teirlinck had gekend.’
Als er een Teirlinck-Claus-Conrad-lijn kan worden getrokken, dan moet Conrad logischerwijs bij de top der Vlaamse letteren horen. En Claus zelf, die lijkt opeens heel erg op Conrads voorstellingen van wat een schrijver behoort te zijn: hij was ‘de mooiste, ijdelste dandy van Vlaanderen’, en ‘een maniërist, wat hem in de eerste plaats boeide was de stijl, de manier waarop.’
Goden en larven
In dezelfde moeite wordt ook het belang aangezet van Conrads hoofdzakelijk Antwerpse entourage, en in het bijzonder van figuren als Hugues C. Pernath, Freddy de Vree en nog enkele anderen uit de ‘wufte Pink Poets-periode’. Met welgevallen denkt Conrad daarnaast terug aan het leven van de Vlaams-Nederlandse culturele elite in de Provence – het leven met onder anderen ‘Eddy en Goedele van Vliet, Jan en Simone Vanriet, Jan Decleir, Hugo Van Den Berghe en Blanca Heirman, Adriaan van Dis, Cees Nooteboom.’ Zij allen hadden deel aan uitgelezen genietingen waar ‘buitenstaanders’ geen benul van hebben. Zo dineren ze in restaurants ‘waar godzijdank geen toeristen komen’. En bestaan die buitenstaanders het om niet meteen in aanbidding voor Claus en de zijnen neer te zinken, dan behoren ze te worden verketterd als ‘de luizen, de wormen en de kakkerlakken’ die ze zijn.
Ook dat is typerend voor de fantasie van waaruit Getande raadsels is geschreven: je hebt de goden, en je hebt de larven – maar deze verachtelijke massa vormt wel het onmisbare supplement van Conrads fantasie. Conrads eigenliefde is immers gefundeerd op de voorstelling dat hij door de gewone sterveling bewonderend wordt gadegeslagen. Elk gebaar, elke handeling is daarop afgestemd. Zo schrijft hij in een (nooit verstuurde) brief aan Claus dat hij ontwaakt ‘op zoek naar mijn Seiko-polshorloge dat ik gisteren voor het slapen op de Nederlandse vertaling van American Psycho op het nachttafeltje had neergelegd.’
Elders haalt hij herinneringen op aan die keer dat Claus, hijzelf en achterban ‘achter in een inktzwarte Lincoln Continental Stretch Limo van een ijsgekoelde fles Dom Pérignon [zitten] te genieten’. Gaarne denkt hij ook terug aan een souper met Claus ‘in Le Prieuré, het selecte restaurant in Villeneuve-lès-Avignon’, waar ze ‘de meest exquise wijnen’ drinken. Waarlijk, zo behoort de lezer hierbij te denken, deze mensen wisten wat écht leven was. Meteen stoten we hier, bij alle vader-zoon-aspiraties die Conrad tentoonspreidt, op het grote verschil tussen Conrad en Claus: de laatste was wérkelijk charismatisch – een eigenschap die men alleen kan verwerven door een handelen dat finaal op een ander doel is gericht. Charisma kan met andere woorden enkel ontstaan als een ‘essentieel bijproduct’. Wie zich daarentegen – zoals Conrad – van elke handeling afvraagt hoe ze zal worden gezien en ervaren, ziet het zich hopeloos ontglippen.
Zombietaal
Zoals men dat van een maniërist kan verwachten, schrijft Conrad een Nederlands dat aanlegt op ‘de meest uitgezochte delicaatheid’. In de praktijk doet dat Nederlands echter vaak onbeholpen aan, en is het bovendien op een tegenwoordig nog zelden geziene wijze Gallisch angehaucht. Solliciteren is bij hem ‘postuleren’, een probleem rijst niet, maar ‘stelt zich’, de wijzers van een horloge ‘duiden’ het uur aan, een auto raakt niet van de weg maar van de ‘baan’, mensen merken niet iets op, maar ‘doen’ iets ‘opmerken’ (faire remarquer), er is sprake van een stoel ‘op dewelke’ Conrad Claus’ naam had laten zetten, Claus was niet jarig, maar ‘verjaarde’, hij vertrok niet opnieuw maar ‘terug’ naar Italië, Conrad kreeg niet zo’n maar ‘zulke’ prop in de keel, omgekeerd zijn het niet zulke maar ‘zo’n’ etentjes, de bundel Zeezucht ontstond niet uit een samenwerking maar uit een ‘collaboratie’ met Jan Vanriet, de relatie van Claus en Veerle de Wit werd gekenmerkt door een grote ‘medeplichtigheid’ (complicité), enzovoorts.
Voorts staan er heel wat zinnen in Getande raadsels waarvan men wel ongeveer begrijpt wat ze willen zeggen, maar die al formulerend vreselijk over hun eigen voeten struikelen, zoals de volgende uitspraak, die Conrad ooit tot Claus gericht zou hebben: ‘Ik ben bovendien de mening toegedaan dat indien tot nog toe geen enkele van je films je een ware voldoening heeft geschonken, dit te wijten is aan het feit dat nooit een producent begrepen heeft waar je in essentie mee bezig was en waar je met een project naar streefde.’
In eerste instantie was ik geneigd om aan het eind van deze bespreking een steen te werpen naar uitgever Meulenhoff/Manteau, omdat die Conrad tegen zichzelf – en vooral tegen zijn gebrekkige beheersing van het Nederlands – in bescherming had moeten nemen. Bij nader toezien slik ik dat verwijt in: dit moeizame, ouderwetse, gallicistische Nederlands is, net als de hoger geschetste Claus-constructie, onlosmakelijk verbonden met de schrijver Conrad – met zijn literaire opvattingen en met de Vlaamse context waarin hij schrijver is geworden. Het heeft bijgevolg een niet te miskennen documentaire waarde. Behalve als een boek met herinneringen aan Claus laat Getande raadsels zich daarmee ook lezen als de zombieachtige terugkeer van een Vlaams literair verleden, dat aan dit begin van de eenentwintigste eeuw nog even spoken komt, zijn laatste inscripties maakt in de symbolische orde, en daarna ongetwijfeld voorgoed te ruste zal worden gelegd.
28 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


23-11-2009, om 4:40:05