cover big

Zijn, waan en zin

Peter van Lier

Over Gedurig nader van Huub Beurskens

Koppernik, Amsterdam, 2018,
ISBN 9789492313461 / 56p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 19-03-2018

Bookmark and Share

Gedurig nader, de titel van de nieuwe bundel met poëzie van Huub Beurskens (1950), roept een verlangen op. In het verleden wist deze dichter hetzelfde effect teweeg te brengen met titels als Iets zo eenvoudigs (1995), Een hemd in de wind (1999) en Als met een vogeltje (2004). De belofte van een terloopse maar geruststellend aanwezige wereld is hierin voelbaar. Deze thematiek verrast mij ook nu weer omdat zij al sinds het ontstaan van de moderne kunst binnen en buiten de poëzie niet vaak voorkomt. Wie tevreden is of wil zijn met wat er is, wordt maar al te vaak beticht van oppervlakkigheid en dus niet snel serieus genomen.

In het geval van Beurskens is dat onterecht. Zijn bundels laten zien hoeveel moeite het kost om de houding van acceptatie te bereiken in de wereld die niet volmaakt is. Gedurig nader verzwijgt niet de oorlogen die woeden en de vluchtelingenstromen die daar het gevolg van zijn, en ook de armoede niet die door de kredietcrisis is veroorzaakt. De dichter blikt weemoedig terug op de Syrische stad Aleppo voordat die door oorlogsgeweld werd geschonden:

                                        [...] toen
  daar vredig op banken werd gezeten,
    duiven hun til wel weer vonden,

  honden mank noch schichtig liepen,
    een vrouw met kind halt hield om
  een praatje te maken met een man,
    al dat er in werkelijkheid nu geheel
  omgekeerde [...]

Maar ook de onvolmaakte condities van ons eigen bestaan komen in de bundel aan bod. Alles wat aanwezig is houdt weer op te bestaan, de dood ligt altijd en overal op de loer. Iedereen is zich van deze sterfhuisconstructie van het bestaan bewust en zeker de ongelovige Beurskens heeft het daar niet gemakkelijk mee:

Ik benijd de ware vrienden die waardig rond urn
of kist in samenzang samenhang en bestaanszin
vinden wanneer een van hun het dierbaarste is
ontvallen. Mocht het mij treffen wil ik mijn strot

rauw schreeuwen, van God los en s.v.p. alleen,
waarbij ik alle porselein dat ik in handen krijgen
kan tegen de muren zal keilen in mijn nonsjoel,
onkerk of nikspagode, stijf kutwijf, klotedood!

Toch is het niet zozeer de woede die de motor is van deze poëzie, maar de angst: ‘Die angst / om niet meer te bestaan, waar kwam die toch vandaan?’ En ook het voortdurende veranderingsproces waaraan de werkelijkheid onderhevig is, boezemt angst in: ‘Het is nu halftien: ik heb niet eens / meer precies dezelfde cellen als om halfacht!’ Beide citaten uit het gedicht ‘Erfgoed’ laten zien hoe de dichter het noodlottige proces van verandering en vergaan op zichzelf betrekt. Niet voor niets heeft Beurskens een verzamelbundel de titel Bange natuur (1997) meegegeven.

In Gedurig nader is voortdurend de spanning voelbaar tussen het geraakt worden door een wereld in al zijn rijkdom en schoonheid en het besef dat deze altijd ook op het punt staat om je te ontglippen en om te verdwijnen. Kijkend naar het schilderij Bergachtig landschap met ruiter en veedrijvers van de zeventiende-eeuwse schilder Aelbert Cuyp sneuvelt Beurskens’ idyllische beschrijving van het doek bij het ontdekken van een jager met een geweer in de aanslag. Het gaat goed

                                                                [...] Tot het knalt,
er nog wat fladdert misschien, en valt. Niet die ene
eend alleen, waar de verscholen jager geruisloos
op heeft gemikt, maar het water waarover het schalt,

de weerspiegelde torens, al wat opschrikt, het pad,
de schaapskudde die op de ruiter wacht, de benen
van het paard, herkauwend vee dat zich verslikt,
de bomen, onderhout, oevergras, groot hoefblad,

de bergen zelfs en heel de hemel in en buiten beeld
(ooit sneed men al 17 cm van de lucht), ja, ook de jager
zelf verdwijnt praktisch op slag in dag noch nacht.
Maar tot alles gat is is het mooi wat nooit verveelt:

In het gedicht ‘Aan de jonge dichter die ik was’ wordt het werkelijkheidsbesef van Beurskens kort en bondig samengevat. Een leraar Duits peperde de jonge dichter onomwonden in waar het in de poëzie altijd om draait: ‘Geboorte, liefde, dood’. Het lijkt erop dat die visie ook de volwassen geworden dichter altijd is bijgebleven. In hetzelfde gedicht wordt de volgende onvervalste poëtica verwoord:

                [...] Leven, niets dan wanen.
Weet dit te erkennen zonder
eraan te wennen en maak dat groot.

Mooi is dat hij deze wetenschap meteen concretiseert door het gedicht te eindigen met een herinnering aan zijn toenmalige geliefde:

Maar niet door in abstracties
te lullen, blijf concreet.
Die dag had ze krullen.

In het gedicht ’Erfgoed’ voelt hij zich gesteund door Johann Wolfgang von Goethe: ‘houd verguld met het er zijn je staande!’ Dit had het motto van de hele bundel kunnen zijn.

Uit de literatuur worden ook Gottfried Benn en Bertolt Brecht genoemd als steunpilaren. En Leo Vroman is misschien wel Beurskens’ grootste voorbeeld om gedurig nader tot de wereld te komen en er liefde voor te ontwikkelen. In de muziek dwingt Louis Andriessen zijn bewondering af. Maar vooral schilders steunen hem in zijn toenaderingspogingen tot de wereld. Door heel goed te kijken naar vooral landschappelijke schilderijen scherpt Beurskens zijn opmerkingsgave en zijn levensfilosofie. Niet alleen de geschilderde wereld van Aelbert Cuyp, maar ook die van Jan Weissenbruch, Johan Verspronck en Alfred Sisley roept hij in zijn gedichten op. Telkens weer verliest hij zich in hun werk, bijna blijvend in verwondering over wat daarop de tijd heeft doorstaan.
 
In het voorlaatste gedicht van de bundel wordt een oude man beschreven die een heuvel beklimt met een touw in zijn hand. Is dat bedoeld om zich aan op te hangen? De verteller is ontsteld over deze veronderstelling en vraagt zich af of hij moet ingrijpen. Maar hij twijfelt ook, omdat hij overweegt dat de man op leeftijd waarschijnlijk neerslachtig is en terecht een einde aan zijn leven wil maken. De slotstrofe is verbluffend:

... Verdomme, daar hoorde ik de hoogbejaarde kraaien
en zag ik hem hoog schommelen onder de eik! Dat wou
ik ook! Niks indommelen of broekkakken, geen gezeik:
zwaaiend de aarde zien draaien en de zon zien zakken.

De man had het touw niet meegenomen om zich aan op te hangen maar om er een schommel van te maken! Wat een mooi slotbeeld voor deze bundel, waarin de man op leeftijd niet met de dood voor ogen afscheid wil nemen van het leven, maar als een speels kind tot het einde toe het leven wil vieren. Dit beeld is ontleend aan een tekening van Francisco Goya uit circa 1826, die op het omslag is afgebeeld. Deze kindsheid is niet een beangstigend vooruitzicht maar een nastrevenswaardig ideaal, een houding die we ook elders in de bundel tegenkomen.

Het gedicht ‘Zo?’ eindigt ermee dat een ik-personage begon ‘te springen en / te gillen voor de bok die ik bezonnen / in hoogdor nazomergras zag liggen, om als onnozelaar te verschijnen in zijn pupillen.’ En ook Vladimir Nabokov wordt ergens verrukt opgevoerd als ‘een vent van in de vijftig in korte broek, met een vlindernet / op een bergflank boven een poppendorp waaruit [...] stemmen / klinken van kinderen die spelen.’ 

De flaptekst laat weten dat Gedurig nader zijn titel ontleent aan een stichtelijk embleem van Jan Luyken uit 1711. Luyken zinspeelt nadrukkelijk op het levenseinde door te refereren aan ‘Psalm XXXIX’: ‘HEERE, maakt my bekend myn einde, en welke de maate myner dagen zy; dat ik weete, hoe vergankelyk ik zy.’ Het leven te zien als een open wond, waarin de dood als een blootliggende zenuw zichtbaar is, wordt in de bundel van Beurskens niet ontdekt, maar is er de uitgangssituatie. Deze ervaring valt niet te ontkennen of te omzeilen, maar vraagt wel om verweer. Het ‘gedurig nader’ van Beurskens is niet op de dood maar op het leven gericht. Hij schotelt ons een levensfilosofie voor waarin de schoonheid van alles wordt benadrukt en waarin de onbevangenheid van het kind de ouderen tot voorbeeld strekt. 

En ook in de vorm van zijn gedichten zie ik verweer tegen het verdwijnen en de dood weerspiegeld. Ik voelde aanvankelijk enig voorbehoud bij de weinig experimentele vormgeving van de gedichten. De hele bundel door blijven de gedichten keurig in regels van gelijke lengte en in een wat brave en robuuste strofebouw gevat. Dat binnen dit stramien nog heel wat variaties mogelijk zijn zag ik aanvankelijk over het hoofd. Hoe sensibel het werk van Beurskens ook is, het beschrijft niet onbezwaard een zich aan je openbarende realiteit. In tegenstelling tot dichters als Elma van Haren en Astrid Lampe, die de ontvankelijkheid in hun werk ook vormelijk zichtbaar maken door een speelse typografie, staat Beurskens, met Luyken in gedachten, meer in een stichtelijke traditie. De omgang met indringende ervaringen, vaak op de grens van leven en dood, en de verwerking ervan tot een levenswijze, toont zich poëtisch kennelijk liever in een meer traditionele vorm. In de moderne poëzie sluit Beurskens daarom niet alleen inhoudelijk maar ook vormelijk meer aan bij dichters als Jean Pierre Rawie, Menno Wigman en Anna Enquist.

Zijn gedichten lijken wel wat op chocoladerepen, waarbij elke strofe een af te breken stuk is, zoet en bitter tegelijk, bedoeld om het leed te temperen. Wie beseft dat er inhoudelijk heel wat bitters te verzachten is, begrijpt de beteugelde en soms wat versuikerde uitstraling van de gedichten. Neologismen als ‘nazomertegenvalavondzwerk’, ‘naaldbosruisen’, ‘populierenlaangeuren’ en ‘dorpspleinschemer’ maken het bitter voor mij wat te zoet, maar smaken verschillen. 

In het slotgedicht omschrijft Beurskens zijn visie op de functie en noodzaak van poëzie helder en precies:

ons de indruk geven dat ons leven
op zijn plaats valt, dat het heel is, even,
in het inzicht dat alle zin waan is

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?