cover big

Nietzsche in een handomdraai

Cin Windey

Over Omwentelingen van Mark Z. Danielewski

De Bezige Bij, Amsterdam, 2009,
ISBN 978 90 234 2055 2 / 360p.

(4) reactie(s) - geplaatst op 20-01-2010

Bookmark and Share

4 reacties

Toch gaat deze bespreking ook meer over het hoe dan over het wat, meer over mogelijke intenties dan over de daadwerkelijke praktijk — kortom meer over vorm dan over inhoud. Als het goed is zijn die twee nooit werkelijk tegengesteld aan elkaar en geldt voor elk goed boek dat de vorm de inhoud bepaalt. Maar dat sluit overwoekering van het één op het ander niet uit. Het waarom van ‘anders lezen’ is door gepatenteerde voorstanders en doorgewinterde beoefenaars nog nooit op een andere manier uitgelegd dan door te verwijzen naar vrij algemene cultuurkritische noties. En hoewel ik lezers die literatuur altijd maar weer versmallen tot de conventies van het realistische genre wat al te armetierig vind, zit ik naar Danielewski toch vaak te kijken als een aap naar een kapot uurwerk…

  • Door Marc Reugebrink
  • gepost op
    20-01-2010, om 5:23:48

Volgens Reugenbrink gaat het bij Danielewski (en Windey’s bespreking van Danielewski) meer over het hoe (vorm) dan over het wat (inhoud). Ik weet dat nog zo net niet. Die vorm is erg opvallend, inderdaad, maar lijkt mij wel degelijk door inhoud gemotiveerd. Danielewski ensceneert een soort cyclische Nietzscheiaanse draaikolk van omwentelingen waarin ook de identiteit en zelfs de geslachten van de personages vloeiend is. Maar ons normale tijdsbegrip (en de wijze waarop we onze ervaringen structureren) is lineair, en ídentiteit’ zien wij niet als vloeiend, maar als stabiel. We kunnen ook niet anders: zonder dit soort structurerende orderingsprincipes zouden we in totale ordeloosheid verzuipen. Maar met zijn vormexperiment nodigt Danielewski ons (zijn lezers) toch uit zich onder te dompelen in een ervaring die aan onze normale ervaringshorizon ontsnapt: hij probeert ons een glimp te bieden op een soort chaotische intensiteit en dynamiek die we vanuit onze normale (en ook onontkoombare) structureringsprincipes niet kunnen vatten. Hij nodigt ons dus uit onze ervaringshorizon voorbij de eigen grenzen op te rekken. In Franse postmoderne kringen (o.a. Blanchot, Bataille, Derrida) wordt dat wel ervaring van het andere genoemd, of ervaring van het onmogelijke. Daarbij gaat het niet alleen maar cultuurkritische noties, dus niet alleen maar om de gedachte dat de talige en culturele orde arbitrair en niet sluitend is. Het gaat ook om fascinatie voor wat zich buiten die talige orde ophoudt. Precies die fascinatie drijft ook Danielewski: hij wil onze ervaring niet negeren, maar verruimen. Hij is nieuwsgierig naar een wereld die we eigenlijk niet kunnen ervaren, en probeert, a contrario en in het volle besef dat het eigenlijk niet kan, TOCH een glimp van die wereld voelbaar te maken. Daarmee is zijn werk natuurlijk nog niet automatisch geslaagd of overtuigend. Maar het is in ieder geval niet leeg-formalistisch.

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    24-01-2010, om 5:49:04

Nergens heb ik het over ‘leeg-formalistisch’. Wanneer iemand kanttekeningen plaatst bij literatuur die de vorm zozeer op de voorgrond stelt dat alleen de intentie van de auteur nog overblijft als verklaring van een en ander, menen meer postmodern angehauchte beschouwers altijd onmiddellijk dat de criticus in kwestie dergelijke literatuur leeg-formalistisch vindt. Om dan vervolgens te komen met een uitleg die nogal voor de hand ligt. Wat hier voor Danielewski wordt geformuleerd, is niks anders dan een definitie van literatuur tout court, althans wat mij betreft. Literatuur, pardon: goede literatuur probeert mijns inziens altijd voorbij datgene te komen wat we met ‘onze normale (en ook onontkoombare) structureringsprincipes niet kunnen vatten’. Waarmee niet gezegd is dat er geen literatuur zou bestaan die daar keurig binnen blijft.


Alles is hier een kwestie van maat. Finnegans Wake is voor mij bijvoorbeeld een curiosum, waaraan nog voldoende te beleven valt voor wie van taal en taalspel houdt, maar dat me weinig méér bijbrengt dan de intentie waarmee het oprekken en vervormen hier tot het uiterste is doorgevoerd (ik heb het dan niet over het onmiskenbare literairhistorische belang van dat experiment, of van andere experimenten). Ik heb datzelfde tot nu toe bij Danielewski en bij nog veel meer auteurs die de ‘verstoring van de illusie’ als esthetisch principe vooropstellen. Waarbij ik aanteken dat zoiets anno 21ste eeuw zo langzamerhand vaak niet meer dan een trucje is dat eerder een bijna l’art pour l’art-achtige houding verraadt dan het daadwerkelijke verlangen met de gekozen vorm ook nog iets te zeggen wat beslist niet anders dan zo gezegd kon worden.


De grote vraag bij alle hierboven gemaakte opmerkingen van Van der Sijde is wát er door Danielewski dan daadwerkelijk over dat andere, niet ervaarbare, onmogelijke op deze manier wordt binnengehaald. Bij Van der Sijde zelf zie ik alleen maar de bevestiging van mijn eerste commentaar: dat spreken over dit soort werk altijd het spreken is over de intentie van de auteur om het onmogelijke door middel van zijn vormexperimenten ervaarbaar te maken, maar nooit gaat over de ervaring van dat onmogelijke zelf, over wat die vormexperimenten dan zoal teweeg brengen in de lezer. Wie het mogelijke kwijtspeelt, komt niet automatisch bij dat onmogelijke uit. Wel integendeel, lijkt me. Literatuur (alweer: goede literatuur, en, alweer: voor mij) ontstaat daar waar het mogelijke en het onmogelijke met elkaar botsen. Niet waar ze elkaar vooral ontwijken.


Een klein formalisme tot slot: de naam is Reugebrink, niet Reugenbrink. Ik heb het gevoel dat ik in die experimentele tussen-n volledig wordt zoek gespeeld (toch minstens in de zoekmachines).

  • Door Marc Reugebrink
  • gepost op
    26-01-2010, om 3:31:06

Ah, interessante reactie van Reugebrink: nu begrijp ik beter wat hij in zijn eerste post bedoelde.


Eerst even een misverstand rechtzetten: ik bedoelde niet dat Reugebrink had gezegd dat Danielewski leeg-formalistisch zou zijn. Ik zet alleen wat vraagtekens bij Reugebrinks stelling dat bij Danielewski vorm echt de inhoud zou overwoekeren. Tevens wou ik aangeven dat dit soort vormexperiment niet alleen uit ‘vrij algemene cultuurkritische noties’ (formulering Reugebrink) voortkomt. Daarmee wou ik ook alleen verdere discussie voeden. En zie, dat lukt nog ook! Zij het dat Reugebrink in zijn tweede post helemaal niet meer ingaat op die eerdere stelling (over de ‘vrij algemene cultuurkritische noties’).


Ik ben niet ingegaan op Reugebrinks argument dat ‘alleen de intentie van de auteur nog overblijft als verklaring van een en ander’, maar ja, dat argument gebruikte hij ook niet in zijn eerste post. In zijn tweede post dus wel, met als toevoeging dat het in besprekingen van dit soort werk ‘nooit gaat over de ervaringen van het onmogelijke, over wat die vormexperimenten teweeg brengen in de lezer’. Tja, daar heb ik het inderdaad niet over gehad (en dat ga ik nu ook niet doen). Maar de stelling dat dit helemaal nooit gebeurt (dus in geen enkele bespreking van dit soort literatuur) is gewoon onjuist: bij alleen al Blanchot, Attridge en Derrida is genoeg te vinden over wat e.e.a. in de lezer teweeg brengt. Trouwens, Windey is in zijn artikel echt wel ingegaan op wat Danielewski teweeg brengt bij de lezer.


In deze tweede post stelt Reugebrink dat goede literatuur, voor hem, ontstaat waar het mogelijke en onmogelijke met elkaar botsen. Goede literatuur probeert volgens hem altijd voorbij de normale structureringsprincipes te komen. Respectabel standpunt, lijkt mij, en ik ben het er toevallig nog helemaal mee eens ook. Persoonlijk ben ik nogal een fan van Kundera’s diverse essays en essaybundels over de roman (in de traditie van Cervantes, Rabelais, Sterne), waarin Kundera m.i. ook zoiets zegt en ook herkent in Tolstoi, Kafka, Musil, Flaubert, e.v.a..


Maar postmoderne literatuur (dus figuren als Danielewski, Pynchon, of de Joyce van Finnegans Wake) is wel anders (niet beter!), door de radicaliteit van het vormexperiment. Ook dat is echter volgens mij (Reugebrink denkt daar zo te zien anders over) best te zien als een ‘botsing van het mogelijke en het onmogelijke’ . Ik zei ook niet dat je door dit vormexperimenten ‘automatisch’ bij het onmogelijke uitkomt, maar dat het een poging is om een glimp daarop te bieden. Ook alleen een glimp, puur hypothetisch en puur subjectief (zeg ik er bij deze maar bij). Danielewski doet duidelijk iets ‘onmogelijks’: een Nietzscheiaanse cyclus van omwentelingen past per definitie niet in een boek, terwijl hij het toch in een boek evoceert. Dus maakt hij een boek dat tegen zijn eigen grenzen aanschopt: een boek dat je heen en terug moet lezen, omdraaien, weer omdraaien, zig-zag moet lezen, enzovoort. Door de tegendraadse vorm van het boek wordt aan alle kanten zichtbaar dat het gaat om ‘iets’ dat eigenlijk niet in een boek past. Het is een boek dat tegelijk breekt met de conventies van het boek: botsing tussen het mogelijke en onmogelijke.


Tsja, iedereen zijn smaak: Reugebrink lust Danielewski niet, ik wel. En een boek is niet geslaagd OMDAT het experimenteel is. Zekers, het wemelt vast ook van de figuren die vormexperimenten puur als l’art pour l’art toepassen of als trucje. Alleen, net als Windey denk ik dat het bij Danielewski niet daarom gaat. Ik heb Reugebrink in deze post vast weer niet overtuigd. Maar ja, hij mij in zijn reacties ook niet van het tegendeel.

  • Door nico van der sijde
  • gepost op
    26-01-2010, om 5:11:03

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?