cover big

Verlangen naar Acedia

Gaston Franssen

Over Terrein van Erik Lindner

De Bezige Bij, Amsterdam, 2010,
ISBN 978 90 234 5454 0 / 56p.

(5) reactie(s) - geplaatst op 01-06-2010

Bookmark and Share

5 reacties

Beste Gaston,

Ditmaal kan ik mij vrijwel geheel in uw bespreking vinden.

U zet de lijnen goed uit, en bent zeker wat op het spoor.

‘Beeldspraak blijft achterwege, de anekdotiek is om zeep geholpen, en er is niemand met wie je je kunt identificeren.’

‘Dat Lindner wars is van mooischrijverij en dichterlijke metaforen, blijkt al gelijk uit de eerste tekst uit de bundel, een hoekig blok proza waarin de ene observatie op de andere volgt, zonder enige uitleg.’

‘Lindner rekent af met de anekdotiek (...)’ (Dit is een parafrase van mij.)

In hoofdzaak heeft u gelijk (wat betreft deze drie punten), echter: Lindner ‘schrijft’ natuurlijk wel degelijk ‘mooi’, in die zin is hij verre van ‘wars van mooischrijverij’, al bedoelt u de term ongetwijfeld met dedain, of in ieder geval met een negatieve bijklank, als: ‘mooi schrijven om het mooi schrijven’. Lindners poëzie staat immers bol van de klankverwantschappen: niet alleen is er sprake van assonantie en alliteratie, maar in zeer vele gevallen ook van volrijm; voeg daarbij de esthetiek van de beelden alleen al; de dichterlijke ‘blik’, het dichterlijke oog. Zijn poëzie is juist wars van een prozaïsche of parlando stijl, en bedient zich bij uitstek van poëtische middelen en technieken, overigens van poëtische middelen en technieken die dicht aanleunen bij, verwantschap vertonen met of beïnvloed zijn door filmische middelen en technieken.

‘Beeldspraak blijft achterwege (...)’. Grotendeels een juiste observatie. Echter, aan het slot van het openingsgedicht komt de zin voor: ‘De walvishuid van zee.’ Door uzelf geciteerd. Toch een voorbeeld van beeldspraak/een metafoor. En (uit het hoofd, want ik heb de bundel niet bij me, hier op Texel) in het op twee na laatste gedicht, ik meen het laatste gedicht van de voorlaatste afdeling, de slotregel: ‘De hoefslag van de trein.’ (In de verte, in een tunnel? Ik kan me de regel niet meer woordelijk herinneren.) Da’s een mooie, en daarna volgen twee gedichten waarin paarden een grote rol spelen. Een duidelijk voorbeeld van beeldrijm dus, in de compositie van de bundel, de volgorde van de gedichten, de ‘montagepunten’.

Maar Lindner maakt in ieder geval niet váák gebruik van beeldspraak/metaforen, daar heeft u gelijk in.

Echter, wat betreft uw opmerkingen over (het slot van) het openingsgedicht - daar bent u wat kort door de bocht. U zegt: hiermee (met die luxaflex, als ik uw redenering volg) sluit Lindner het gedicht af, hiermee ‘doet hij het dicht’, ontneemt hij ons het zicht. Maar! Dat zou alleen maar het geval zijn, indien Lindner hier wél een anekdotisch of narratief gedicht zou hebben geschreven, met een tijdsverloop, een chronologie, en een ‘boodschap’ of ‘verhaal’. Dat is nu net ten enen male níét het geval, en dat betoogt u ook. Ook al stipt u ergens het belang van het *beeldrijm* aan (en daar was u volgens mij de essentie van de bundel op het spoor! maar u hebt het spoor niet verder gevolgd, u zag een gouden glans aan het eind van de gang, maar u bent een andere gang ingeslagen), het ontgaat u kennelijk dat hier sprake is van een prachtig voorbeeld van beeldrijm: het ruisen verbindt de zee (auditief) met de omlaagsuizende/zeilende luxaflex, ook vindt de walvishuid (dat het oppervlak bespant) een parallel in zowel de luxaflex (als we dat als een rolgordijn of scherm opvatten, en niet als de latjes) als in ‘zeil’, het kernwoord van ‘omlaagzeilen’: ‘zeil’ is immers een ‘groot vlak’ om iets mee af te dekken of te bespannen, of het ding dat een zeilboot in beweging brengt – nóg een verbinding/brug tussen de twee zinnetjes. De zinnetjes moet je dus niet lineair-narratief zien (dan wordt het gedicht inderdaad ‘gesloten’, dichtgemaakt), niet anekdotisch met een kop en een staart, nee, het ontplooit zich in de breedte, vertakt zich, middels nevenschikking, parallellie, beeldrijm inderdaad. Door het gedicht tóch ‘traditioneel’ als een zich lineair ontwikkelend ding te zien, ondanks uw eigen betoog, mist u al deze parels van parallellen, die juist iets ontvouwen (maar dan in de breedte!), in plaats van het te sluiten.

Kortom: volgens mij zat u met dat ‘beeldrijm’ op het juiste spoor, maar u hebt verzuimd het tot het einde toe te volgen; u had een sleutel in handen, die voor mij de hele bundel heeft geopend. U heeft een glimp opgevangen van de gouden glans aan het einde van de gang.

Daarbij beschouwt u ‘beeldrijm’ in veel te enge, beperkte zin – in de zin van lijnen en bewegingen die in elkaars verlengde liggen. Volgens mij kijkt u dan te veel naar de (geometrische) vorm alleen; u moet dat beeldrijm m.i. filmischer en breder definiëren, dan ziet u hoe Lindner soms scènes met elkaar versnijdt en ‘shots’ aan/achter elkaar monteert op basis van het door u (terecht) genoemde beeldrijm. De beelden vormen niet één ‘verhaal’, omdat ze ‘afkomstig’ zijn uit verschillende scènes, soms wel drie of vier – of meer.

Maar niettemin: een scherpe en opmerkzame recensie, die een paar ingangen biedt tot de wereld die Lindner oproept in ‘Terrein’.

(Binnenkort mijn bespreking van dezelfde bundel op Poëzierapport – ze is al ingeleverd, maar moet nog geplaatst.) 

Cordiale groet,


Willem Thies

  • Door Willem Thies
  • gepost op
    01-06-2010, om 4:46:21

Overigens, aan het begrip ‘acedia’ zou ik niet al te veel belang hechten. Volgens mij vindt Lindner het vooral een interessant woord, dat allerhande interessants oproept, en mijn indruk is dat zijn voorliefde voor het woord (en wat het oproept) berust op een misinterpretatie. Zo vertrouwde Lindner bij de presentatie van deze bundel het publiek toe, dat zijn aandacht op het woord werd gevestigd toen hij het aantrof in een essay of werk van Walter Benjamin, die het gebruikte (naar ik meen) in relatie tot de ontoereikendheid van de taal. *Daarom* Lindners voorkeur voor dit begrip (en u weet dat bij hem bepaalde begrippen nu eenmaal terugkeren, doorheen een bundel, of zelfs doorheen zijn oeuvre, zonder dat je hier al te veel symboliek of ‘boodschap’ achter moet vermoeden; Lindner eigent zich bepaalde ‘beelden’ en ‘woorden’ nu eenmaal toe, maakt ze onderdeel van zijn beeldenwereld): vanwege de moeizame relatie tussen taal en werkelijkheid, het tekortschieten van de taal, en derhalve een gevoel of stemming van verloren-zijn, van melancholie, weemoed, verslagenheid.

Dit heeft echter weinig te maken met het eigenlijke ‘akedia’, in de historische (of geschiedfilosofische of geschiedtheoretische zin).

‘Akedia’ is van oudsher verbonden geweest met het fenomeen van ‘de Verschrikkingen van het Middaguur’, een fenomeen dat we moeten situeren in het mediterrane gebied van Oudheid en Middeleeuwen (met name Griekenland, de woestijnen in Noord-Afrika, etc.). Op het middaguur, wanneer de zon op zijn hoogste punt stond, ontbraken de schaduwen, leken de dingen geen ‘significantie’ te hebben, leken de verbanden te ontbreken, was het zó smoorheet dat alles leek te verijlen: de withete lucht leek te zinderen, herders trokken zich terug in hun huizen of onder een boom, speelden op hun panfluit, en riepen daardoor de toorn van Pan op zich, of vielen in slaap (de bekende siësta van het Middellandse Zeegebied), hun kuddes ongehoed/onbewaakt achterlatend, zodat de schapen aan wolven ten prooi vielen. Opvarenden van schepen werden gelokt door sirenes, en wierpen zich krankzinnig in de golven. En vooral/ook: monniken die zich hadden teruggetrokken in de woestijnen (heremieten) in Noord-Afrika, vielen van hun geloof, twijfelden aan het bestaan van God, lieten zich tot zondig gedrag verleiden door de demonen van het middaguur. Ze onaneerden. Dát is nu een doodzonde: een monnik/heremiet die zichzelf bevlekt! Gebeurde allemaal, op het middaguur (dit kan twaalf uur ‘s middags zijn, of twee uur ‘s middags, het gaat erom dat de zon op zijn hoogste punt staat, dat er geen schaduwen zijn).
‘Akedia’ is dus van oudsher gelieerd aan (onder andere): een gevoel van existentiële twijfel (veel méér dan verveling, inderdaad)/ van het geloof vallen, met ledigheid, ijdelheid, zinloosheid, en vooral ook met een algeheel gevoel van vervreemding en het ‘Unheimische’.

Het is aardig/frappant dat we de Verschrikkingen van het Middaguur in het mediterrane gebied in sterk verdunde/verwaterde en verbasterde vorm terugvinden in het Middernachtelijke Uur van het Westen (Noordwest-Europa en Noord-Amerika): klokslag twaalf uur, en het begint te spoken; geesten; vampiers; weerwolven.

Maar dat is een banalisering en ‘verplatting’ (een folklorisering! zou ik bijna zeggen) van de oorspronkelijke Akedia, die, zoals gezegd, duidt op existentiële twijfel en een algeheel gevoel van zinledigheid, insignificantie en vervreemding.

Nu gebruikt Lindner het begrip natuurlijk op geheel eigen (en niet op bovenstaande) wijze, maar volgens mij hanteert hij het niet op ‘uw wijze’, volgens mij zit u daar op een verkeerd spoor. Daarom zei ik bovenaan: hecht niet té veel belang/waarde aan dit begrip, ik zie dat niet.

Overigens ben ik het weer wél met u eens dat Lindner dit begrip, dat op een geestesstaat of gemoedstoestand duidt, in ‘ruimtelijke zin’ gebruikt, als betrof het een ‘plaats’ of ‘plek’, een ‘gebied’ - en ook dat het is verbonden met begrippen als ‘ennui’ en ‘spleen’ (en, misschien ook, ‘Weltschmerz’). 

Maar het is hoe dan ook geen staat of plek waarnaar je verlangt of streeft - of een plaats waar je verlangt te zijn. Volgens mij ook voor Lindner niet. De (geestes)staat of plek is verbonden met vervreemding, en het ‘Unheimische’.

  • Door Willem Thies
  • gepost op
    01-06-2010, om 10:48:05

Als laatste opmerking: op Wikipedia vind ik helaas niet zeer veel verhelderends terug over ‘Akedia’ (of ‘Acedia’). Het is evenwel van belang je te realiseren dat het begrip pas later werd geïncorporeerd door theologen, Kerkvaders, kerkgeleerden, etc, toen werd het een Latijns en een vnl. religieus geladen begrip; inderdaad één van de zeven hoofdzonden, ‘traagheid’ of ‘luiheid’, dat we evenwel weer moeten zien als een (fataal) gebrek aan geloof, als wankelmoedigheid, existentiële twijfel - en een algeheel gevoel van onverschilligheid, indifferentie, apathie. Het woord is dan ook van oorsprong Grieks, en niet Latijn (het Latijn ontleent het aan het Grieks). Het duidt op een (nogmaals: existentieel, wezenlijk) gebrek aan betrokkenheid, van de herder op zijn kudde, van de zeelieden op hun taak op het schip, van de monnik (die zich eenzaam heeft teruggetrokken in de woestijn) op God en het Geloof, een volkomen gebrek aan de oorspronkelijke motivatie, de betrokkenheid op de dingen, het moment, en de ‘heilige’ taak (kudde, schip, God); men valt ten prooi aan verscheurende twijfel, of krankzinnigheid, of men valt in slaap terwijl men moet waken.
Wel is er iets onduidelijks te vinden over ‘The Demons of Noon-day’ - en ‘Noon-day’ is dan ‘Mid-day’. Daar moet je het dan maar mee doen.

  • Door Willem Thies
  • gepost op
    01-06-2010, om 11:46:21

Beste Willem,

De “sleutel” en de “gouden glans aan het einde van de gang” waar je over schrijft, doen vermoeden dat je op zoek bent naar een totaalinterpretatie, een ‘geheim’ of een ultieme betekenis achter de bundel. Daar is het mij echter niet om te doen: ik wil een beeld geven van het project dat een dichter met een bundel onderneemt, en van wat typerend is voor dat project. Vandaar dat ik geen aandacht besteed aan klankverwantschappen (die je uiteraard bij bijna elke dichter vindt): volgens mij is die focus op visuele interacties bij uitstek typerend voor Lindner.

Dat mijn lezing van de afsluitende luxaflex zou impliceren dat het gedicht tóch een anekdote of narratieve structuur kent, zie ik niet zo. Wel een tijdsverloop, toegegeven, maar dat is nog geen anekdote: onsamenhangende beelden achter elkaar gepresenteerd kennen wel een volgorde in de tijd, maar gaan niet per definitie een narratief verband met elkaar aan. De paradox die je wél in mijn lezing kunt aanwijzen, is dat ik dat beeld van die luxaflex alsnog als een vorm van poëticale beeldspraak (voor het afsluiten van het gedicht) interpreteer. Dat geeft al aan dat, zoals je terecht tegenwerpt, de dichter er niet in slaagt om elke vorm van metaforische samenhang uit te bannen.

De associatie van ‘acedia’ met ‘de Verschrikkingen van het Middaguur’, het moment waarop alle verbanden tussen objecten lijken te ontbreken, vind ik mooi: het geeft een goed beeld van wat er in deze bundel gebeurt.

  • Door Gaston Franssen
  • gepost op
    02-06-2010, om 2:18:13

Goed commentaar, mooie discussie. Informatief.

  • Door remco ekkers
  • gepost op
    11-07-2010, om 2:32:52

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?