De politiek van de fantasie

A Knight of the Seven Kingdoms

George R.R. Martin

Waarschuwing: deze tekst bevat spoilers.

Begin volgend jaar, of misschien nog net voor de Kerst, zal het boek The Winds of Winter van George R.R. Martin (1948) verschijnen. Dit is het zesde deel van een reeks boeken die de titel A Song of Ice and Fire heeft gekregen. Eerder dit najaar verscheen A Knight of the Seven Kingdoms, een verzameling verhalen die als prequel van A Song of Ice and Fire kunnen worden beschouwd kunnen. Dat zegt u misschien allemaal niet direct veel, maar u heeft allicht gehoord van Game of Thrones. Deze televisieserie, die volgend jaar eveneens aan een zesde deel toe is, is gebaseerd op de genoemde boekenreeks. Mocht u ook de serie gemist hebben, dan behoort u tot een minderheid. Alleen al in de Verenigde Staten kijken gemiddeld 18,6 miljoen mensen naar de serie, onder wie de president. Vervolgens wordt de serie in tachtig andere landen uitgezonden. Omdat Game of Thrones ook de meest illegaal gedownloade serie in de geschiedenis van het internet is, wordt het totale publiek geschat op zo’n 500 miljoen. De boekenserie heeft eveneens een respectabel bereik. Van A Song of Ice and Fire zijn wereldwijd ongeveer zestig miljoen exemplaren verkocht, in veertig verschillende talen.

Dit enorme bereik is enigszins bedenkelijk. In A Song of Ice and Fire wordt de lezer een alternatief geboden voor de wereld die wij aardbewoners in ons dagelijks leven ervaren, compleet met een eigen geografie, een eigen geschiedenis, een eigen prehistorie zelfs, en eigen mythologieën, religies, wetenschappen, literaturen en geopolitieke verhoudingen. Het geheel is dermate complex dat er een Wikipedia aan is gewijd, die je als lezer echt nodig hebt. Omdat het lezen van A Song of Ice and Fire een kleine studie vergt, dringt de vraag zich op waarin precies de aantrekkingskracht ligt van Martins alternatieve wereld of fantasy – zoals de mooie genreaanduiding luidt. Die vraagt dringt zich des te meer op, omdat fantasy politiek gezien een kwestieus genre is. Waar sciencefiction, het tweelinggenre van fantasy, door de principiële gerichtheid op de toekomst in mogelijkheden denkt en dus au fond progressief is, droomt fantasy een verleden zoals het er nooit is geweest – wat het in principe tot een conservatief genre maakt, om niet te zeggen: reactionair.

Die vlieger gaat in elk geval op voor J.R.R. Tolkien, wiens werk nog altijd als archetypisch voor het genre geldt. Vrouwen spelen in Tolkiens wereld nauwelijks een rol, behalve als onaanraakbare halfgodinnen. Mannen hebben trouwens ook nauwelijks een lichaam: ze moeten nooit naar de wc en als ze al een keertje seks hebben, zoals in het postume The Children of Hurin (2007), dan blijkt achteraf dat ze het met hun zus hebben gedaan. De krachten van de duisternis staan ondubbelzinnig tegenover die van het licht en zijn bovendien gekoppeld aan de windrichtingen. De goeden komen uit het Westen, de slechten uit het Oosten en het Zuiden – een constellatie die in de verfilming van Peter Jackson ook nog schaamteloos gekoppeld werd aan huidskleur. Überhaupt is racisme in Tolkiens wereld waar. Sommige van de door hem bedachte rassen zijn inherent goed (de elfen) en andere inherent slecht (de orcs); bij de mensenkinderen gelden degenen die hun Westerse, Númenoreaanse bloed het zuiverst hebben gehouden als moreel superieur.

En dan zijn er natuurlijk de vermaledijde hobbits, die ondermaatse kleinburgers die zich in een Center Parcs-achtige idylle rond en dom zitten te vervelen en vooral door de geschiedenis ongemoeid gelaten willen worden. Als die geschiedenis dan onverhoopt toch op hun deur klopt, doen ze braaf wat er van de machthebbers verwacht wordt. Zo zorgt Bilbo Baggins er in The Hobbit (1937) met ronduit doortrapte methodes voor dat het grootkapitaal weer in handen van de dwergen komt. Zijn neef Frodo helpt in Lord of the Rings (1954) de emancipatie van de orc om zeep, geassisteerd door Sam, wiens karakter goeddeels bestaat uit dienstbaarheid aan zijn master. Als die twee laatsten vervolgens thuiskomen (in het hoofdstuk ‘The Scouring of the Shire’), maken ze in een handomdraai de industrialisering ongedaan die onverhoopt hun landstreek was binnengetrokken. Wie vertrouwd is met de appendices van Lord of the Rings weet bovendien dat de ‘Shire’ bij decreet van verlosser-koning Aragorn nadien alleen betreden mag worden door de hobbits zelf – en dus de-facto een gated community wordt.

Natuurlijk, Tolkiens fantasie is ook sprankelend. De beschrijving van Moria behoort tot de meeslependste passages die ooit geschreven zijn en de voorstelling van Sauron als alziend oog dat eindeloos wacht tot er teruggekeken wordt, is – zoals Wessel te Gussinklo ooit opmerkte – één van de duizelingwekkendste beelden uit de wereldliteratuur. Maar toch, het is een fantasie die in de eerste en laatste plaats appelleert aan de smalltown white boy, die smacht naar een overzichtelijke wereld waarin de moderniteit nooit intrede heeft gedaan, meisjes alleen in droombeelden bestaan en geen verantwoording hoeft worden afgelegd over maatschappelijke en culturele privileges. Dat roept de prangende vraag op of er nu na Tolkien met A Song of Ice and Fire opnieuw weer een reactionaire fantasie de wereld aan het veroveren is.

Het realisme van de fantasie

Eerlijk gezegd denk ik van niet. Sterker nog, ik denk dat Martins werk in veel opzichten als een kritiek op Tolkien te lezen valt. Zeker: Martins wereld lijkt op die van Tolkien. Net als in Lord of the Rings bevinden we ons in A Song of Ice and Fire in een pre-industriële, middeleeuwse wereld, met veel zwaarden en paarden en kastelen en hollen door de bossen – dark satanic mills zijn vooralsnog niet in zicht. De hoofdpersonages maken vrijwel zonder uitzondering deel uit van de heersende klasse en eer, roem en ridderlijkheid lijken de voornaamste deugden. Althans in Westeros, het feodaal georganiseerde Westerse continent. In Essos, het Oosterse continent, heerst een despotische elite over slaven en worden deugden gezien als handicap bij de Wille zur Macht. Akelig vertrouwd, allemaal.

Maar dat alles is slechts Martins vertrekpunt. Wie de moeite neemt om de boeken te lezen – en ik wijs er meteen even op dat de serie in veel opzichten afwijkt van de dingen die ik hier bespreek – zal al snel verschillen moeten onderkennen. Zo zijn mensen bij Martin hele andere wezens dan bij Tolkien: ze hebben namelijk lichamen. Sterker nog: ze poepen en pissen, neuken, vreten, worden ziek en gaan zelfs dood, ook… juist als ze buitengewoon heroïsche hoofdpersonages zijn. Onder die hoofdpersonages zijn flink wat vrouwen te vinden en die vrouwen zijn evenzeer mensen van vlees en bloed. Ze worden zelfs met enige regelmaat ongesteld, waarmee Martin een onderwerp aansnijdt wat vrijwel geen enkele mannelijke auteur aandurft. Een ander verschil is dat Martin homoseksualiteit – of beter: homoseksuele handelingen – in zijn wereld toelaat en zelfs personages creëert wier seksuele gedrag we in onze wereld als biseksueel zouden beschrijven.

Behalve met de realiteit van hun eigen lichaam worden de mensen in Martins fantasie met de realiteit van de geschiedenis geconfronteerd. Zo staan ze bepaald niet collectief op om zich tegen het kwaad te verzetten. Het eerste boek, A Game of Thrones, zou je zelfs als een deconstructie van ridderlijke idealen kunnen lezen – en nog wel van een paar idealen meer. De centrale figuur in dit boek, de edelman Eddard Stark, wordt gedreven door de officiële deugden van Westeros. Hij is één en al eerzaamheid, laat zich leiden door tradities, is vroom, doet braaf zijn plicht, probeert een goede vader voor zijn kinderen en zijn onderdanen te zijn, enz. Maar als hij door de koning van Westeros gevraagd wordt om het land te gaan besturen, loopt hij met al zijn deugdelijkheid al snel op de klippen van de politieke werkelijkheid. Uiteindelijk stort hij zijn hele familie in het ongeluk en wordt hij met zijn eigen zwaard onthoofd.

Het lot van Eddard maakt Martins wereld realistischer dan die van Tolkien. Vanuit literair perspectief zou je dit realisme kunnen relateren aan het feit dat Martin zijn wereld vormgeeft aan de hand van concreet historisch materiaal. De Engelse Rozenoorlog is een veelgenoemd voorbeeld, maar ook de ondergang van Pompeï, de rooftochten van de Vikingen en de Hongaren, de kinderen van Woolpit, de paleisrevoluties in Byzantium en de bloei van het Moorse rijk in Spanje zijn in meer en mindere mate verwerkt. Belangrijker dan het bronmateriaal is echter het resultaat: Martins wereld is er één waarin complexe figuren voor complexe keuzes komen te staan en daarbij door een veelvoud van factoren beïnvloed worden. Die factoren zijn niet zelden economisch: eerzucht en plichtsbesef zijn voor Martins figuren veelal van minder doorslaggevend belang dan de druk die van schulden, gebrek aan grondstoffen en corruptie uitgaat.

Een goed voorbeeld is het verhaal van Daenerys Targaryen. Politiek gezien is haar lot aanvankelijk één van de meest dubieuze verhaallijnen in A Song of Ice and Fire. Het blonde meisje dat als verweesde vluchteling in Essos is beland, ontwikkelt zich namelijk van damsel in distress tot white savior. Eerst wordt ze door haar broer, de laatste erfgenaam van een afgezette dynastie in Westeros, uitgehuwelijkt aan de hoofdman van een machtig ruitervolk, in de hoop op een alliantie waarmee hij zijn troon terug kan winnen. Van die alliantie komt het niet, maar Daenerys ontpopt zich al snel tot een geliefde koningin en begint een succesvolle militaire campagne om de slaven in Essos te bevrijden. Die campagne loopt voorspoedig, totdat de drie steden die ze heeft veroverd in een diepe recessie belanden omdat hun economieën volledig op slavernij waren gebaseerd. Zodoende wordt haar lot een boeiend verhaal over politieke ambitie, publieke druk, klassentegenstellingen, de kracht van tradities, de valkuilen van pragmatisme en idealisme, ras en, uiteindelijk, vrijheid.

Het fantastische van het realisme

Martins realisme dringt zodoende, als elk authentiek realisme, dieper in de werkelijkheid door dan kranten, websites en televisieprogramma’s dat doen. Nu blijft A Song of Fire zijn genre wel trouw in de zin dat het een fantastische dimensie kent. Er zijn draken, er zijn een soort elfen, er zijn wezens die zo iets als het absolute kwaad representeren. En er is magie, veel magie zelfs. Maar ook die fantastische dimensie reikt inzichten aan. Neem de boze wezens. Bij Tolkien zijn dat orcs, een karikaturaal amalgaan van alle menselijke eigenschappen die we doorgaans als negatief ervaren. Ze zijn doortrapt, lui, dom, sadistisch, egocentrisch – en dwingen daarmee hoegenaamd geen morele reflectie af. Martins boze wezens zijn ondoden, afkomstig uit het noordelijke (!) ijs, die er niet uit op uit zijn om de macht te grijpen, maar om alles wat leeft te vernietigen. Veel meer dan een representatie van het kwaad zijn ze een representatie van leven zonder leven, die niet zozeer de vraag oproept wat het betekent om een goed mens te zijn, als wel wat het betekent om überhaupt een mens te zijn. Niet voor niets worden ze in A Song of Ice and Fire de ‘anderen’ genoemd.

Over de elfen van Tolkien is wel gesteld dat ze een fantasie representeren over wat de mensheid had kunnen zijn als de zondeval niet had plaatsgevonden. Maar daar valt nogal wat op af te dingen: zo kennen Tolkiens elfen feodale machtsverhoudingen, voeren ze oorlog en liggen ze, blijkens de Silmarillion, vrij systematisch overhoop met de goden – allemaal nogal postparadijselijk, kortom. Het idee van een visie op de mens zonder zondeval vind ik veel meer van toepassing op de ‘kinderen van het bos’, zoals Martin zijn tegenhanger van Tolkiens elfen noemt. Aanvankelijk wordt gesuggereerd dat ze niet meer bestaan – of althans, in Westeros wordt verteld dat de kinderen de oorspronkelijke bewoners van het continent waren, maar systematisch zijn uitgemoord. Na verloop van een paar duizend pagina’s blijkt dit niet helemaal te kloppen. Ver buiten het bereik van de beschaving leven nog een handvol kinderen, verscholen onder de aarde. Deze laatste kinderen leven zoals de mensheid voor de neolithische revolutie: zonder akkerbouw, jagend en verzamelend. Door het contrast tussen de wereld van de kinderen van het bos en de mensenwereld wordt duidelijk wat de zondeval in historische zin representeert, namelijk de ontdekking van het concept bezit – en alle gevolgen van dien.

Een ander belangrijk gegeven voor de fantastische dimensie van de cyclus is dat de wereld van A Song of Ice and Fire zich kenmerkt door metafysische onbeslistheid – in tegenstelling tot opnieuw Tolkien, bij wie het universum ondubbelzinnig bestiert wordt door een aantal goden. Martin hanteert een hele reeks metafysische voorstellingen. Zo is er, duidelijk ontleend aan het geloof in Zoroaster, het geloof in R’hllor, die zich in een manicheïsch conflict met de god van de duisternis bevindt. Er is het geloof in de verdronken god, dat wordt gepraktiseerd door de vikingachtige Ironborn. Er is het obscure geloof in de god met de vele gezichten, dat herinneringen oproept aan de cultus van de vrijmetselaars. Er is het animistische geloof in de oude goden, dat gepraktiseerd wordt in het noorden. Er is het geloof in zeven archetypische goden, het dominante geloof op het continent Westeros, dat veel wegheeft van het katholicisme uit de Europese middeleeuwen. Er is zelfs zoiets als een verlichting: de zogeheten maesters, wier functie het midden houdt tussen wetenschapper en spindoctor, hebben een eigen, op eruditie en empirie gebaseerde levensopvatting ontwikkeld die door hun nauwe banden met de machthebbers in Westeros grote invloed heeft. Net als die van de vele religies is hun aanspraak op de waarheid echter ambigu.

De metafysische onbeslistheid van Martins wereld maakt dat zijn figuren niet alleen voor morele en politieke, maar ook voor levensbeschouwelijke dilemma’s komen te staan. Op die manier wordt de dynamiek tussen religie, levensbeschouwing, economie en oorlog zichtbaar. Een intrigerend en zeitgemäßes voorbeeld is de ontwikkeling die het geloof in de zeven archetypische goden in de romans doormaakt. Al in het eerste deel van de cyclus wordt duidelijk dat de instituties van dit geloof geperverteerd zijn door corruptie. Dit leidt tot het ontstaan van een beweging die een spirituele herbezinning op de oorspronkelijke leer voorstaat: wereldverzaking, charitas en kuisheid. De beweging wint enorm aan aanhang als het oorlogsgeweld in de vorm van hongersnoden en ontheemding zijn tol begint te eisen. Die populariteit resulteert in de vorming van twee bewapende milities, die een staat binnen de staat gaan vormen en steeds meer macht naar zich toe trekken. Al met al een goede herinnering aan de materiële condities van religieus gemotiveerd geweld.

Hoop

A Song of Ice and Fire gaat verder dan dat. In een tijd waarin geweld van staatswege als een soort vlotte chirurgische ingreep wordt gepresenteerd, laat Martin zeker in de laatste romans uit de reeks op een indringende manier zien wat oorlog voor menselijke lichamen betekent. Ook ken ik weinig schrijvers die zo nadrukkelijk duidelijk kunnen maken dat de geschiedenis niet, zoals het gros van onze media wil doen laten geloven, een opwaartse ontwikkeling is die noodzakelijk eindigt in neoliberale pragmatiek, maar een tragische en soms farcicale aaneenschakeling van catastrofes.

Toch is het geen sadistisch universum dat Martin geschapen heeft. A Song of Ice and Fire kent momenten van grote schoonheid. De liefde tussen Ygritte en Jon Snow bijvoorbeeld, die over een bemuurde grens heen weet te grijpen en kan bestaan ondanks een wereld van vooroordelen, onbegrip en hostiliteit. Moed – vrouwelijke moed – kan ontleend worden aan het lot van de figuur Arya Stark, die zich als jong verweesd meisje staande weet te houden in een wereld vol verkrachting, moord en onderdrukking. En er is Tyrion Lannister. Tyrion is de broer van Jaime Lannister, de man die alles representeert wat een man voor de elite van Westeros moet zijn: moed, kracht en intelligentie. Hij is ook de broer van Cercei Lannister, die alles representeert wat een vrouw voor de elite van Westeros moet zijn: schoonheid en vruchtbaarheid. Zijn vader is één van de machtigste mannen, zo niet de machtigste man van Westeros. Maar Tyrion zelf lijdt aan achondroplasie – de vriendelijkste typering die zijn medemens voor hem overheeft is ‘dwerg’. Zijn moeder is bij zijn geboorte overleden, wat hem de levenslange haat van zijn zus heeft opgeleverd. Zijn vader veracht hem om zijn gestalte en heeft alles gedaan om van zijn jeugd tot een hel te maken. Tyrion weert zich met cynisme en zelfmedicatie. Als hij betrokken raakt bij de conflicten in Westeros – en later zelfs bij conflicten aan de andere kant van de wereld – blijkt hij echter een indrukwekkende politicus. In zijn handelen is hij in eerste instantie steeds pragmatisch. Hij sluit ongebruikelijke allianties, leert van zijn fouten en probeert de zwaktes van zijn tegenstanders uit te buiten. Maar in laatste instantie manifesteert hij zich – om een begrip van Terry Eagleton te gebruiken – als tragische humanist: hij accepteert dat de geschiedenis zich in al haar wreedheid zal blijven herhalen, maar ageert desondanks vanuit het idee van de mogelijkheid van een betere toekomst.

Die mogelijkheid is geen kwestie van ratio, of ideologie. Veelmeer is het een kwestie van geloof, of misschien beter: verlangen. Dat wordt duidelijk in het verhaal van Bran Stark. Bran verliest alle privileges die hij als gezonde jongeman van adel heeft gekend: hij raakt verlamd, verliest zijn familie in de troebelen van de oorlog en wordt gedwongen om het kasteel waarin hij is opgegroeid smeulend achter te laten. Toch geeft hij niet op. Hij onderneemt zelfs een waaghalzige tocht richting het onbestemde, omdat hij niet kan en wil accepteren dat een door machtswellust, corruptie en terreur verminkte wereld de enig mogelijke is. Het is uiteindelijk deze figuur die de laatste kinderen van het bos ontdekt. Wat hij bij hen aantreft is niet het paradijs zoals we ons dat door de eeuwen heen zijn gaan voorstellen: een tropisch zwemparadijs waar niemand hoeft te werken. Het heeft meer weg van een vluchtelingenkamp. Toch is het waarschijnlijk dat daar de remedie te vinden is waarmee de ontzielde ‘anderen’ te bestrijden zijn, het middel waardoor de mensheid weer ontdekt hoe precair en waardevol het leven is.

Tot slot. Het zou natuurlijk best kunnen dat deze interpretatie van A Song of Ice and Fire ook het product is van een gerijpte smalltown white boy die zijn lectuur van ondertussen goed zevenduizend pagina’s wat al te graag van een diepere, politiek gewenster betekenis wil voorzien. Maar zelfs als dat zo is, dan staat die betekenis haaks op de wereld waar hij vandaan komt. Dat lijkt me winst.

Links

Harper Voyager, Londen, 2015
ISBN 9780007507672
355p.

Geplaatst op 16/11/2015

Deel:

Reacties

  1. nico van der sijde

    Ik vind dit een erg intrigerende bespreking (bijna een essay) die mij zeer verrast: ik dacht altijd dat “The game of thrones” zowel op papier als op beeld een te vermijden fenomeen was, want reactionaire anti-kunst die politiek incorrecte schijnwerelden voortovert, maar dat vooroordeel moet ik geloof ik drastisch herzien of op zijn minst sterk heroverwegen!

    Beantwoorden

  2. Gijsbert Pols

    Veel dank voor de complimenten Nico! Zowel de boeken als de serie zijn zeer de moeite waard.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.