Politiek en rommel

Het plein. Lokaal dagboek

Jan-Willem Anker

Het is eerst even schrikken als je aan Het plein begint, het nieuwe boek van dichter en romanschrijver Jan-Willem Anker (1978). Dat begint al op de flap. ‘Hoe overleef ik een achterstandswijk,’ klinkt het schel. Daarmee is de toon gezet. Angst verkoopt, moet de uitgeverij gedacht hebben, en de boekenkopende burgerij is bang. Verderop lezen we, ook niet zonder bombast, dat dit boek een ‘verslag uit de arena’ is. Deels klopt dat wel, omdat Anker een strijd beschrijft, waarin hij samen met zijn gezin (Anna, Abel) als een van de strijdende partijen lijnrecht tegenover de verveelde, overlastgevende jeugd wordt geplaatst. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de pers gretig op dit boek sprong – met veel misverstanden tot gevolg. Prikkelen oké, maar zo’n narratief is natuurlijk een simplificatie van jewelste, die een complexe sociale werkelijkheid geweld aandoet. De vraag wat hij in dit boek, op literair en politiek gebied, nu eigenlijk doet raakt daardoor op de achtergrond. En dat is jammer, want Anker maakt juist komaf met conservatieve en (neo-)liberale clichés.

Wat bijvoorbeeld meteen opvalt is dat Anker de jongens die rotzooi trappen op het plein aan het begin van het boek nog overduidelijk aan het profileren is – ze hebben bijvoorbeeld een ‘Marokkaans aandoend uiterlijk’ – maar hij ze gaandeweg met meer empathie beschrijft, ze meer van een gezicht voorziet. Ze krijgen een bestaan buiten het etiket van ‘probleemgeval’ dat ze aankleeft – of beter gezegd, wordt opgeplakt. Ze krijgen autonomie. Een eigen denkwereld. En tegelijkertijd wordt duidelijk dat hun gedrag niet op zich staat – net zomin als dat van de schrijver zelf, die als wit (en dus dominant ) wordt gemarkeerd, maar deel uitmaakt van een maatschappelijke context van verarming, uitsluiting en achterstelling. Dat is een maatschappelijk probleem.

Dan blijkt Het plein een veel interessanter en complexer boek dan de sensationele taal op de flap doet vermoeden. Dat komt juist doordat Anker zich goed bewust is van zijn eigen positie, als blanke, hoogopgeleide schrijver in een arme wijk in Amsterdam-Noord, met zijn behoefte aan rust, aan een weldadige burgerbubbel van gezinsintimiteit en ongekreukte individualiteit. Elke geografie beïnvloedt je, vormt je en verandert je, en Anker wil die verandering serieus nemen. Als dit boek inderdaad een verslag uit de arena is, dan is dat ook een arena waarin een innerlijke strijd plaatsvindt – een strijd om de verhouding van literatuur tot de gemeenschap. Maar ik ga te hard. Voor ik die tweestrijd (of: verwarring) verder toelicht, eerst wat feiten over dit boek.

Wie, wat, waar?

Het plein is de publicatie van het dagboek dat Anker in 2014 bijhield over het plein in de Vogelbuurt waaraan hij woont met zijn vriendin en zijn zoon. Amsterdam-Noord, het stadsdeel waarin de Vogelbuurt ligt, was tot begin deze eeuw een achtergestelde, stiefmoederlijk behandelde plek, maar is tegenwoordig helemaal booming, door de komst van allerlei creatieve hotspots, het nieuwe filmmuseum, festivals en de opening van een dependance van poppodium Paradiso in de Tolhuistuin, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Maar deze gentrificatie is niet ongeremd of gelijkmatig: voor een groot deel is het beeld van ‘hip Noord’ een façade, die vooral is opgetrokken aan de oevers van Amsterdam-Noord, in het gebied dat Overhoeks wordt genoemd en de NDSM-werf, maar zich niet tot het weidse Noordse achterland uitstrekt (pensionadodorpen als Landsmeer en Broek en Waterland buiten beschouwing gelaten). Er bestaat nog altijd een sociale en economische kloof – zowel binnen Noord als tussen Noord en het traditionele Amsterdam, aan de benedenoever van het IJ. Een waterscheiding.

Dat blijkt uit dit boek maar al te goed. Op het plein in de Vogelbuurt, grofweg gelegen waar de IJ-tunnel weer boven de grond komt, zijn vandalisme, zwerfvuil en kleine onlusten een dagelijks terugkerende ergernis. De rommeligheid van deze plek wordt nog eens versterkt door het quasikarakter van het plein, dat zowel oningevuld is als allerlei bestemmingen heeft. Het is een kluwen van elkaar bijtende functies: het is een doorgangsweg, maar ook een parkeerplaats en zelfs een schoolplein. Daarmee is het ook een mooie metafoor voor de ongerieflijkheid die elk samenleven met zich meebrengt. Anker zou wel wat meer voorspelbaarheid – meer gentrificatie, minder rafels – willen zien, maar beseft ook dat hij spreekt als geprivilegieerde bewoner en dat meer voorspelbaarheid heel reële gevolgen heeft voor de mensen die hier vaak al jaren wonen. Tegelijkertijd schuilt er voor Anker een zekere potentie in de aanwezigheid van het plein. Onder het plaveisel ligt, als een kunstmatig paradijs (‘een zoete of juist explosieve cocktail’ noemt Anker het zelf) een écht plein begraven, en Anker probeert het uit te hakken, zoekend naar een nieuwe politiek, een vorm van gemeenschapszin.

Dat zie je volgens mij ook terug in de vorm en structuur van het boek. Anker volgt in zijn dagboekaantekeningen grofweg twee lijnen. De eerste registreert, in licht ironische, vermoeide bewoordingen, wat er op het plein gebeurt. Het gaat dan om een alledaags ritme van kleine criminaliteit, verveling, vechtpartijen, regen, vuilnis, te harde muziek, voetballen, school, bedrijvigheid en gezamenlijk tuinieren en opruimen. Heel grappig en typerend voor de montere moedeloosheid van dit boek is het moment waarop Anker ontdekt dat het de oorspronkelijke bedoeling van de architect was om een ‘subtiele overgang tussen privéterrein en openbare ruimte’ te creëren. Dit is wat ik het micropolitieke niveau van het boek zou willen noemen. Het kenmerk van die micropolitiek is, behalve dat ze lokaal is, precies haar poreuze karakter. Zelfs de intimiteit van de slaapkamer of de eettafel is niet veilig voor invallen van buiten, of dat nu een irritante, felle buitenlamp is, een melding van diefstal of een appel tegen de ruiten.

De tweede lijn die Anker trekt is ook politiek, maar begeeft zich op een meer institutioneel niveau. De schrijver mengt zich als betrokken burger in de besluitvorming over de door het stadsdeel voorgestelde herinrichting van het plein, maar loopt tegen een muur van bureaucratie op. Het gaat daarbij niet zozeer om de bureaucratie van een logge staat, maar om een neoliberale marktbureaucratie waarin alles draait om transparantie en bestuurbaarheid – die in werkelijkheid natuurlijk ver te zoeken zijn, en in feite als cover-up fungeren van een proces van privatisering en outsourcing, door onze koning zelf afgekondigd. De overheid, van oudsher belast met de zorg voor het collectief, besteedt die taak uit aan de burgers zelf. De participatiesamenleving: het wegbezuinigen van de prullenbakken en daarna de bewoners vragen de rommel zelf op te ruimen.

Overmacht = overlast

Je kunt Het plein dan ook lezen als een verslag van het failliet van de representatieve politiek tout court, met haar de demoralisering en afstomping van de burger. Maar dat zou een te simpel gegeven zijn voor dit essayistische boek, dat zich juist kenmerkt door het ontbreken van zo’n narratieve structuur. Het geloof in de formele politieke structuren wordt weggedrukt ten faveure van de sleur van alledag in de soap die Amsterdam-Noord heet. ‘In Amsterdam-Noord woon je niet alleen,’’ profeteert Anker ergens. Het is een performatief moment, want het mooie is dat het plein waarnaar Anker zo verlangt, via een omweg, eigenlijk alsnog geboren wordt. Het stijgt op uit de rommel zelf. Het krijgt niet zozeer zijn monumentale, publieke, misschien zelfs utopische betekenis terug, als plek waar je de straat opeist, maar het wordt een omgeving waar je met moeite aan een gemeenschappelijke wereld werkt. Anker gebruikt het plein om op nieuwe manieren na te denken over politiek, die hij heel informeel definieert als ‘de verhouding en omgang tussen mensen’. Institutionele vormen van politiek handelen worden op scepsis onthaald, maar in het gezamenlijk werken aan het verbeteren van je leefomgeving, buiten de opgelegde do it yourself van de krimpende stadsdeelbegroting, schuilt uiteindelijk ook iets hoopgevends. Dat is een triomf, maar wel een steile. Wie het heft in eigen handen neemt voldoet immers perfect aan het beeld van de burger die het voortaan zelf maar moet uitzoeken – en dat graag doet, voor de gemeenschap. Zelforganisatie is neoliberaal geworden. Ik ben geneigd die verwarring, en het risico erop, als het eigenlijke thema van dit boek op te vatten.

Bij het lezen van Het plein dacht ik dat dit boek ook ‘Politiek en rommel’ had kunnen heten. Of politiek = rommel. Maar Anker heeft met ‘overmacht = overlast’ zijn eigen motto al. Het verband tussen vuilnis, overlast en de status van de buurt is glashelder. Een bekende, antropologische definitie van vuil is: matter in the wrong place. Je zou aan de informele definitie die Anker van politiek geeft dan ook nog een element toe kunnen voegen: politiek is niet alleen de verhouding en omgang van mensen met elkaar, maar ook hun verhouding tot dingen. De betekenis van rotzooi, vuil en rommel voor dit boek, en voor Amsterdam-Noord, werd voor mij tijdens het lezen steeds onomstotelijker. Rommel wordt hier een kennisleer, een perspectief laag bij de grond waarin het denken geen vlucht neemt, maar dicht bij de materialiteit van het dagelijks leven blijft.

Een paar voorbeelden. De grote hoeveelheid zwerfvuil op het plein kunnen we volgens Anker lezen als ‘een claim op de publieke ruimte’, waarin een ‘een nieuwe orde [wordt] opgelegd aan de oude, burgerlijke orde’. De oude orde van Anker. En: ‘Vandalisme is het middel van wie het aan macht ontbreekt’. Het middel van de rebel? Anker essayeert er op los. De aanwezigheid van lege bierblikjes en afgetrapte blikjes energydrank leidt bij hem tot de overpeinzing dat er twee soorten ervaringen worden gezocht: roes en prestatiedrang. Dat laatste is natuurlijk vooral een surrogaat, bij gebrek aan reële macht. Ook daar gaat het boek over. De nadruk die in straatcultuur wordt gelegd op verbale krachtpatserij en agressief vertoon komt neer op een vorm van winnaarsgedrag voor de losers. Het aanvallen van symbolen van consumptie. Stuk voor stuk scherpzinnige observaties die ook iets louterends hebben, want Anker komt ermee tot de slotsom dat hij even klem zit in zijn frustratie als de jongens die zijn leven aan het plein zo verzieken. Daarin schuilt een kiem van solidariteit. Een solidariteit van de niet-soevereiniteit.

Creatieve incoherentie

Het plein is een crisisboek, op allerlei niveaus. Zo speelt het zich af tegen de achtergrond van de economische en politieke crisis waarin de naoorlogse verzorgingsstaat zich op dit moment in West-Europa bevindt, die weer verbonden is aan de financiële crisis. Ook het ontstaan van het boek zelf wortelt in een crisis, waarin het normale schrijfproces is opgeschort. Het boek is ertussen gekomen, omdat de vele overlast Anker het werken aan zijn roman onmogelijk maakte. De dwang van buiten – de onrust, de ruis – waarmee Anker geconfronteerd werd op het plein heeft hij, misschien als overlevingsstrategie, uiteindelijk verinnerlijkt, zo schrijft hij zelf in de inleiding. Daardoor wordt ergens ook de crisis van de schrijver als burger naar voren gehaald: die is niet meer in staat om zich terug te trekken in zijn eigen, behaaglijke wereld, maar moet ruimte delen met anderen. De innerlijkheid en afzondering die de motor van het schrijverschap zijn worden doorgeprikt, zodat er lucht bij komt. En in alle incoherentie blijkt dat uiteindelijk een creatief moment. Als verzameling dagboekaantekeningen claimt dit boek nergens de objectiviteit van een sociologische analyse. Het is bescheiden, maar even geleefd en ongeregeld als het plein zelf. Maar juist de verwarring die Het plein laat zien maakt dat het geen louter particulier boek is, zoals de auteur mij, als buurtgenoot, toevertrouwde. Het is de kracht van dit boek dat het particuliere sores weer in de openbaarheid plaatst, als tegenwicht tegen de zorgzaamheid waartoe de staat dwingt. Tegen de verinnerlijking van een maatschappelijke plicht, de privatisering van wat aan de gemeenschap toekomt, houdt Anker vast aan een idee van het publieke.

Tot slot. Het plein gaat tussen de regels door steeds over gentrificatie. Dat komt niet alleen als een sociaal en economisch begrip naar voren. Ze heeft ook een sterke affectieve component, die vat heeft op onze emoties en verbeelding van de werkelijkheid. Ook literatuur is schoongeveegd, van haar rafels en tegendraadsheid ontdaan. Ze laat vooral ontheemde privépersonen aan het woord die verlangen naar gemeenschap, maar haar niet weten te belichamen. Een mogelijk antwoord op deze impasse is literatuur opnieuw met randfiguren en alternatievelingen te bevolken die niet in een decaf-realiteit leven. Het is alleen de vraag of zo’n antwoord in de huidige tijd niet hopeloos nostalgisch zou zijn. Onze steden zijn bezaaid met alternatieven, en toch is alles hetzelfde. Anker doet denk ik iets anders. Hij romantiseert niet, maar laat zien wat het betekent om opnieuw samen te leren leven, een leefbare wereld voort te brengen, in al zijn ontnuchterende banaliteit en politieke gecompromitteerdheid. Jan-Willem Anker is een optimist.

De Arbeiderspers, Amsterdam, 2015
ISBN 9789029538404
221p.

Geplaatst op 06/12/2015

Deel:

Reacties

  1. Marc Kregting

    Frank Keizer schreef een voorbeeldige en beklijvende recensie over Het plein. Ik kan hem dikwijls volgen, maar niet bij zijn stelling dat de uitgever van dit boek auteur Jan-Willem Anker publicitair in een hoek geduwd heeft, waar ‘de pers’ vervolgens kon poeren. Hoe ben ik daar zo zeker van?
    Zie desgewenst http://dehoningpot.blogspot.be/2015/12/balanscensuur.html

    Beantwoorden

  2. Frank Keizer

    Interessant stuk Marc, dat ik op mijn beurt op veel punten ook weer kan volgen. De taal van de macht wordt inderdaad overgenomen, en ik heb me ook afgevraagd wat ik daarvan moest vinden – en wat ik erover moest schrijven. Ik heb ervoor gekozen de verwarring rondom, en het inderdaad vaak gebrekkige van Ankers zelfrepresentatie te benadrukken als indicatie van een crisis in de ‘reproductie van het leven’ die hij in Het plein beschrijft. Dat Anker zichzelf tot driemaal toe ‘burgerlijk’ noemt is voor mij eerder een giveaway van het feit dat zijn ongemak zich niet laat integreren in het subject, om eens psychoanalytisch uit de hoek te komen. De crisis valt niet op te lossen met meer internalisering, en wordt dus schoorvoetend publiek gemaakt – al zou Anker daar inderdaad – eens – nog verder in kunnen gaan. Een andere mogelijkheid is dat deze verwarring, eenmaal opgeklaard, tot een preciezer begrip van de eigen klassepositie leidt, en daarmee tot een nieuwe organisatie – een ‘nieuw links verhaal’. Het dichtst daarbij komt Anker wanneer hij beseft dat hij net zo klem zit in zijn frustratie als de usual suspects – die inderdaad als een soort proletarische Anderen worden neergezet. Maar mensen begrijpen vaak niet goed wie of wat ze zijn, of ze identificeren zich met een subjectpositie die ze helemaal niet hebben – ideologie! Toch voelt Anker verbondenheid, zij het een verbondenheid die meer affectief is dan structureel. Historisch gezien vind ik dit veelzeggend, als het gaat over desolidarisering tussen klassen en generaties, en gelijktijdig de opkomst van nieuwe vormen ervan, onder mensen, bottom-up. Hierin zou inderdaad de kiem kunnen zitten van een nieuw collectief verhaal. Maar de kiem kan ook gesmoord worden, of domweg niet tot bloei komen. En áls de kiem ontkiemt is het maar de vraag in welke vorm. Een partij? Een staat? Een buurthuis of co-op? Een plein? Kan een negatieve emotie zoals frustratie de basis voor een nieuwe politiek? Anker weet het niet, en ik ook niet. Het collectieve leeft hier vooral voort als fantasie. Dat komt misschien reactionair over: het politieke gereduceerd tot iets droomachtigs, een kleurige cocktail. Maar ook dat is niet het enige antwoord, denk ik. Het is ook een voorwaarde voor diezelfde politiek. En er schemert wel hoop door in het boek dat andere, meer informele verbanden het zouden kunnen overnemen van de oude, uitgeholde. Het boek houdt die hoop open, en daarmee ook: oningevuld. Dat is misschien een luxe. Is dit alles defaitistisch? Misschien, maar ik wilde de crisis, de impasse voorrang geven en kijken wat daar gebeurt als er geen verhaal voorhanden is en misschien ook geen verhaal meer kan worden verteld.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan paar uren of dagen duren.