cover big

Over de literaire kritiek in Vlaanderen

Erik Spinoy

(0) reactie(s) - geplaatst op 15-01-2010

Bookmark and Share

(Geschreven voor een avond van Het beschrijf over ‘De literaire kritiek in Vlaanderen kritisch bekeken’, in literatuurhuis Passa Porta, Brussel, 25 oktober 2005. Overgenomen met de toestemming van de auteur.)

In kringen van schrijvers, critici, literair geïnteresseerden is de algemene teneur dezer dagen dat het bereslecht gaat met de literaire kritiek in de mainstream media.

Het verval lijkt alomtegenwoordig: een actualiteitenmagazine op de radio dat aanvankelijk ook aandacht besteedde aan literatuur, hield daar een jaar of twee geleden zonder opgave van redenen mee op. Een ‘magazine voor politiek, economie, maatschappij en cultuur’ dat tot in de jaren negentig verschillende boeken per week besprak, houdt het nu bij één ‘Boek van de week’. De literatuurkritiek in de Nederlandse en Vlaamse kranten die zich niet tot een intellectuelenpubliek richten, is zo goed als uitgeroeid. Een van oorsprong financieel-economische krant, die de beste boekenbijlagen van het Nederlandse taalgebied bracht, zette het mes in die bijlagen. Een poëziecriticus van een Nederlandse ex-katholieke kwaliteitskrant kreeg recent te horen dat hij het voortaan met half zoveel woorden moest gaan doen. En zo kunnen we nog even doorgaan.

Het zijn geen prettige berichten. Toch moet men vermijden hierover in het publieke debat te gaan jeremiëren. Dat is strategisch onverstandig, want het geeft de tegenpartij de kans om de klagers af te doen als onaangepasten, die de geest van de nieuwe tijden niet hebben begrepen. Maar jammerklachten zijn ook intellectueel problematisch, omdat ze in hun ongenuanceerdheid suggereren dat het vroeger allemaal zoveel beter was, wat beslist niet het geval is. De strategisch en intellectueel juiste respons is denk ik een koele analyse, die overigens geen engagement en kritische stellingname uitsluit.

Een voorwaarde voor die analyse is dat men nagaat welke maatschappelijke en ideologische veranderingen de genoemde ontwikkelingen signaleren. De crisis van de literaire kritiek as we knew it komt immers niet uit het niets. Twee kernwoorden in dit verband zijn ontzuiling en globalisering.

Zoals bekend bestond het systeem van de verzuiling erin dat de samenleving werd opgedeeld in op een ideologie of confessie gefundeerde segmenten, die hun leden volkomen inkapselden. Ingekapseld was in deze context natuurlijk ook de literatuurkritiek, die vooral als drager van het ‘eigen’ ideologische gedachtegoed te functioneren had. Van dit systeem zijn op dit ogenblik enkel restanten over. Zeker in het culturele domein is zuilaangehorigheid bijna helemaal voltooid verleden tijd, al zijn er nog relicten van aan te wijzen, zoals het fameuze Cultuurpact, dat nooit officieel is opgedoekt en zodoende nog altijd sporen trekt in besturen en structuren. Die ontwikkeling is het gevolg van een emancipatorisch streven dat een einde wilde maken aan de representatie van het individu door elites die zeggen de belangen van hun cliënteel te behartigen, maar in werkelijkheid vooral met hun eigen besognes begaan zijn.

Een ander kernwoord is globalisering. Al in het begin van de 20e eeuw ontstond, aanvankelijk vooral in het domein van de ‘populaire’ cultuur, een cultuurindustrie die, zeker vanaf de Tweede Wereldoorlog, in toenemende mate ook de traditionele kunsten inclusief de literatuur ging inlijven. De mainstream literatuur wordt dan ook al lang niet meer aangeleverd door ideologisch bevlogen uitgeverijen, maar door een beperkt aantal commerciële concerns. Hun aanbod is een lokalisering van het geglobaliseerde literatuuraanbod: een reeks vertalingen van internationale – dat wil in de praktijk vooral zeggen: Engelstalige of in het Engels vertaalde – grote kanonnen, aangevuld met een beperkte selectie Nederlandse en (speciaal voor ‘onze’ markt) hier en daar ook nog een Vlaamse schrijver.

Van dat geglokaliseerde aanbod zijn de boekenbijlagen in de mainstream media al geruime tijd de getrouwe afspiegelingen. Als willekeurig voorbeeld neem ik de boekenbijlage van afgelopen week van een Vlaams ‘onafhankelijk dagblad’: zes pagina’s Bret Easton Ellis, drie pagina’s Doris Lessing, besprekingen van een Engels, een Chinees, een Portugees en een in het Engels schrijvend Nederlands auteur, twee pagina’s over een biografie van Catharina de Medici en ten slotte, als lokaliserende touch, twee pagina’s over de Verzamelde van de Vlaamse dichter Gaston Burssens.

De ideologische basis van de cultuurindustrie is dat culturele producten vooral gedefinieerd worden in functie van hun, om de oude marxistische term weer eens van stal te halen, ruilwaarde. In de hedonistische cultuur die de onze is, hebben producten een hoge ruilwaarde wanneer een voldoende groot aantal consumenten tot de overtuiging wordt gebracht dat die producten hun maximaal plezier zullen verschaffen. Dat geldt voor BMW’s, Coca-Cola, Iglo Diners – het geldt ook voor literatuur.

In dit licht moet ook de nieuwe rol van de criticus worden gezien. Zijn core business is voortaan dat hij literaire producten onder de aandacht moet brengen waarvan kan worden gehoopt dat hun ruilwaarde hoog zal zijn. Hij is een voorproever geworden, die aangeeft dat er met boek X of Y veel of weinig te genieten zal vallen. Overigens is zijn gezag daarbij aanzienlijk uitgehold. Niets verplicht de geïndividualiseerde consument om na kennisneming van het oordeel van de criticus zijn eigen vrije keuze te maken – over smaken en kleuren wordt immers niet gediscussieerd.

De inlijving van de literatuur door de cultuurindustrie leidde in de Vlaamse context aanvankelijk tot een expansie van de literaire kritiek in de media. Momenteel echter wordt de buikriem aangehaald. De cultuurindustrie is een zeer riskante en onvoorspelbare business, en binnen de competitieve context ervan krijgt de boekenindustrie alle sussende geluiden ten spijt rake klappen. Het is dan ook maar logisch dat hoofdredacteuren en marketeers tot sanerende maatregelen overgaan wanneer literaire kritiek een aandeel van hun cultuurkaternen inneemt dat niet langer in verhouding staat tot het krimpende aandeel van literatuur in de algemene consumptie van cultuurgoederen. Vanuit het subjectieve standpunt van wie literatuur nog altijd hoog aanslaat, is dan sprake van een crisis van de literaire kritiek in die media.

Op grond van deze analyse enkele kritische bedenkingen. Zoals gezegd is het heersende discours geïnteresseerd in producten, dus ook in boeken, voor zover ze consumenten de belofte van een gemaximaliseerd genot weten voor te spiegelen. Het kan niet de bedoeling zijn om tegenover dit discours een reactionair moraliserend discours te stellen dat genieten bij voorbaat verdacht maakt. Maar natuurlijk is ook een hedonistische cultuur behept met haar ideologische illusies, die blind maken voor het reële van literatuur – en dus ook voor andere mogelijke definities van wat literatuur kan doen of beogen. Om dit te illustreren een voorbeeld. In een recent nummer van het hoger genoemde ‘magazine voor politiek, economie, maatschappij en cultuur’ lees ik: ‘De Ierse schrijver John Banville heeft de prestigieuze Man Booker Prize voor het beste niet-Amerikaanse Engelstalige boek gewonnen. Prijsbeest The Sea handelt over een uitbollende kunsthistoricus die na de dood van zijn vrouw terugkeert naar de stad waar hij enkele flinke jeugdtrauma’s verzamelde. Een mens wordt er niet vrolijk van, maar volgens de jury is het toch genieten geblazen.’ Als ik dit zo lees, vermoed ik dat ‘genieten’ niet het eerste was wat Banville bij zijn lezer wilde teweegbrengen. In de geciteerde passage wordt Banvilles boek echter slechts geaccepteerd voor zover het in het hedonistische gareel kan worden gedwongen.

Het voorbeeld dat ik zo-even aanhaalde is leerrijk voor wie probeert aan te wijzen waar de kern ligt van het onbehagen dat bij schrijvers, critici en andere literatuuradepten leeft over de manier waarop literatuur in de media verschijnt. Ik probeer het uit te leggen langs de omweg van Louis Paul Boons De kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat. Dit verhalende gedicht handelt zoals bekend over een lustmoord op een jong meisje – een traumatisch gebeuren dat aanvankelijk een ontwrichtend effect heeft op de maatschappelijke orde. Die weet zich echter te herstellen door allerlei apparaten in te zetten ‘die de schok van alle nieuws opvang[en] en bre[ken]’. Tot die apparaten rekent Boon – als journalist zelf in de media actief – behalve politie, gerecht en medische wereld ook de media. Zij moeten de op zich zinloze gebeurtenis die de gruwelijke moord op het meisje is, betekenis verlenen en haar zo in de maatschappelijke orde opnemen. De omgang van de mainstream media met literatuur is hiermee te vergelijken: het reële van literaire teksten, dat men als een exces kan omschrijven, een overdaad aan mogelijke betekenissen, wordt gefixeerd – zo van betekenis voorzien dat alternatieve betekenissen worden onderdrukt. Dat is precies wat gebeurt in het Banville-citaat: de roman The Sea wordt geannexeerd door de orde van de ruilwaarde, wat daar niet aan beantwoordt wordt als een hinderlijke rest verdrongen.

Wat als gevolg van deze inlijving ontstaat is wat de Franse filosoof Lyotard een différend noemt – een geschil, een staat van verongelijktheid. Die toestand ontstaat wanneer een groep of individu wordt beoordeeld volgens andere regels dan die welke de beoordeelde zelf hanteert – of beter nog: wanneer iets of iemand wordt beoordeeld punt aan de lijn. Geen wonder dus dat bij velen die geëngageerd met literatuur omgaan en daardoor dagelijks geconfronteerd worden met het exces van literaire teksten, verongelijkt wordt gereageerd wanneer de betekenis ervan door een hegemonische orde op een enkele, ondubbelzinnige wijze wordt vastgelegd. Dat er een nood wordt gevoeld aan een debat over de stand van de literaire kritiek in de media suggereert dat die verongelijktheid toeneemt, wat niet kan verbazen, nu de regel van de ruilwaarde strakker op de literatuur wordt toegepast dan ooit voorheen.

Een weinig benijdenswaardige positie in dezen bekleden de literatuurcritici die in deze media actief zijn. Wie onder vier ogen met hen praat, hoort onveranderlijk roerende jammerklachten. Opvallend is dat ze met die klachten nooit on the record gaan. Vreemd toch, in een land waar de vrijheid van meningsuiting een grondrecht heet te zijn, en waar je met name van literatoren en literatuurcritici zou verwachten dat ze dat recht ook uitoefenen. Bij nader toezien niet zo vreemd, want ook dat is typisch voor het slachtoffer van een différend, een geschil: de symbolische orde reikt hem geen taal aan waarin hij het onrecht dat hij zich aangedaan voelt, onder woorden kan brengen. Een verongelijkte krijgt zelden gelijk, omdat vaak niet eens begrepen wordt waar hij zich dan wel over beklaagt.

Waarom dan niet gewoon uitstappen? Niemand verplicht de literatuurcriticus immers om te doen wat hij doet. Hij kan toch best een eerlijke baan zoeken? Zo eenvoudig ligt het echter niet. De keuze tussen meedoen of weggaan is verscheurend. Je kunt proberen om een impact te hebben in de bestaande symbolische orde, maar dan moet je onderhandelen met haar dictaten. Je kunt dat radicaal weigeren en uitstappen – maar daarmee veroordeel je jezelf tot een bestaan als intellectuele schim. Dat is op dit moment ook het feitelijke lot van de kritiek die zich ophoudt in een aantal vrijplaatsen: de grote vrijheid die men zich daar verwerft, wordt doorgaans betaald met de prijs van de marginaliteit. Toch komt het voor dat zich in die enclaves gebeurtenissen voordoen die een impact hebben in de symbolische orde.

Een zo’n enclave zijn de discussiefora en weblogs op het internet, waar volop een nieuw en autonoom grassroots circuit begint te ontstaan Aanvankelijk was de kwaliteit van wat in cyberspace aan kritiek werd gepresteerd bedenkelijk, ja zelfs deprimerend. Maar met name in het domein van de poëziekritiek hebben letterlijk in de laatste weken en maanden zowel interessante jongeren als meer gevestigde namen het medium ontdekt. Zo volgde ik op het internet in de voorbije weken felle en interessante discussies over poëticale boeken van Jan Lauwereyns, Jan de Roder en Dirk van Bastelaere. In het geval van beide laatstgenoemden ging de discussie over boeken die vijf, zes jaar oud zijn – oeroud in termen van de boekenindustrie – en die nauwelijks weerklank hebben gekregen in de reguliere kritiek. Voor het eerst sinds lang had ik bij het lezen van kritische teksten weer het gevoel: hier is iets aan het gebeuren. Misschien wordt hier zo het terrein geëffend voor een terugkeer van het verdrongene.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?