Essays

[Rede voor de Dag van de Literatuurkritiek] Lezen in de klas: de kracht van herkenning

Tijdens de vierde editie van de Dag van de Literatuurkritiek, op 7 november 2019 in Amsterdam, spraken zes auteurs korte statements uit over het literatuuronderwijs. Hokjes en hoe we die kunnen openbreken vormden deze keer de rode draad. Deze nascholingsdag voor docenten Nederlands in het middelbaar onderwijs is een samenwerking tussen deBuren en De Reactor. Murat Isik vertelde in zijn statement over hoe belangrijk herkenning is tijdens het lezen van boeken.

Ik ben opgegroeid in de Bijlmer, een wijk die niet bestond in de boeken op mijn lijst. De Bijlmer was in mijn tienerjaren een wijk in verval. Niemand wilde er wonen. En als het in de media over de Bijlmer ging, ging het ook altijd over de junks, de dealers, de leegstand en over de dreigende sloop. De Bijlmer was een opgegeven wijk.

De boeken die ik als tiener voor mijn lijst las, speelden zich af in heel andere werelden dan de mijne. De verhalen gingen vooral over vroegere tijden, handelden heel vaak over de oorlog, of de tijd er vlak na, en vonden veelal plaats in de betere wijken van Amsterdam, ergens aan de grachten of in Zuid, plekken die voor mij ontoegankelijk leken.

Die boeken gingen niet over mij of mensen zoals ik. Die boeken gingen niet over de wereld waarin ik opgroeide, de diverse wereld vol verschillende culturen en religies, de wereld waarin armoede en werkloosheid helaas ook alom aanwezig waren. Hoewel ik een belezen kind was, voelde ik met de meeste boeken geen verbinding.

De boeken van Leon de Winter vormden hierop, op een heel eigenaardige manier, een welkome uitzondering. Die boeken bevatten spannende verhalen die zich afspeelden in de moderne tijd. Verhalen waarin iets gebeurde, met spanning, erotiek, moderne snufjes en spionage. Verhalen over vriendschap en verraad. Verhalen die nu nog het potentieel hebben om verfilmd te worden door Netflix. Op mijn lijst was De Winter, halverwege de jaren negentig, de enige die zo schreef: meeslepend, brutaal en met bravoure.

Op een dag stokte mijn adem toen ik in een van De Winters boeken een woord las dat wél bij mijn wereld hoorde. Sterker nog: het was de naam van mijn wereld.

De Bijlmer.

Heel onverwacht werd mijn wijk in het boek De (ver)wording van de jongere Dürer (1978) genoemd en zelfs een beetje beschreven. Het overdonderde mij. De Bijlmer. In een roman. Van Leon de Winter. De hoofdpersoon wachtte op station Bijlmer op de trein. Hij was er maar even. Ik geloof dat het maar een alinea duurde, maar de tekst deed iets met mij. Na alle eindeloze beschrijvingen van de binnenstad, de grachten en de mensen in Zuid, bevond ik me nu in een roman op de plek waar ik elke ochtend de metro naar school pakte. De roman was mijn wereld binnengestapt.

Ik was in die tijd fan van Leon de Winter, met de nadruk op ‘in die tijd’. De Winter wijdde weinig woorden aan de Bijlmer, zei helemaal niets over haar inwoners of geschiedenis, was er waarschijnlijk niet echt in geïnteresseerd, want zijn wereld was er een met meer luxe en allure, met Porsches en dure pakken.

Hij deed het in mijn herinnering af met een korte beschrijving van de directe omgeving van het treinstation. Maar de scène maakte alsnog een enorme indruk op mij. Ik herlas de alinea opnieuw en opnieuw. En hoe gek het ook klinkt: ergens was het een bewijs dat mijn wijk bestond, dat mijn buurt het waard was om genoemd te worden in een roman van een vooraanstaande schrijver, dat die plek als decor kon dienen voor een groots verhaal. Ja, dat mijn wijk bestaansrecht had en niet onbeduidend was. In een tijd waarin iedereen de Bijlmer omlaaghaalde in de media, de buurt een getto zonder toekomst werd genoemd en de politiek het woord ‘sloop’ steeds in de mond nam, werd mijn wijk in een heel andere hoedanigheid genoemd: als decor – hoe beperkt ook – in een roman van mijn schrijfheld. En ja, ik weet het: een kinderhand is gauw gevuld. Zeker die van een onzichtbaar kind.

Overigens heb ik toen geen moment gedacht: ik ga een roman schrijven over de Bijlmer en een jongen die daar opgroeit. Ik was toen niet zo ambitieus. Ik was al blij, net als mijn hoofdpersoon in Wees onzichtbaar (2017), dat het me gelukt was het vwo af te ronden en ik me kon inschrijven aan de universiteit. (Er was toen overigens al wel een zwak stemmetje in mijn hoofd dat zei: ik wil ooit schrijver worden.)

Het gaat volgens mij niet alleen om lezen over je eigen wijk of woonplaats, want literatuur vermag veel meer. Lezen gaat ook over kennismaken met werelden die je niet kent, over je verplaatsen in mensen met wie je op het eerste gezicht weinig gemeen hebt.

Na het winnen van de Inktaap dit jaar – een prijs die mij dierbaar is omdat ze toegekend wordt door middelbare scholieren – voor mijn roman Wees onzichtbaar, kwam er een jongen uit Zeeland naar me toe. Hij was lid van de kernjury. Hij had mijn boek gelezen en erop gestemd. Hij zei: ‘Ik ben pas zestien jaar, maar toen ik uw boek uit had, had ik het gevoel dat ik een tweede jeugd had beleefd.’ Een andere jongen, uit Limburg, ietwat verlegen, zei op zachte toon: ‘Ik heb veel boeken gelezen, maar nooit gingen boeken over een kind zoals ik. Altijd waren kinderen zoals ik onzichtbaar. Door dit boek zag ik mezelf eindelijk en voelde ik me zichtbaar.’ Dit raakte mij. Zulke opmerkingen leren mij namelijk dat een jongen uit Zeeland of Limburg zich kan verplaatsen in een jongen uit de Bijlmer met een heel andere achtergrond.

Hoe dat komt? Mijn hoofdpersoon worstelt op de middelbare school met dezelfde dingen als veel leerlingen nu: verwachtingen van ouders, de druk om erbij te horen, gepest worden, keuzes maken voor de toekomst, verliefd worden, afgewezen worden, vriendschappen sluiten en verliezen. En soms vertwijfeld zijn, geen idee wat je moet doen om vooruit te komen of te ontsnappen aan je zorgen. En dan weer voetballen met vrienden, gamen of een goed boek lezen. Het is de kracht van herkenning die de wereld van een Bijlmerjongen toegankelijk maakt voor jonge lezers uit andere delen van Nederland.

Ik leerde die dag nóg iets, tijdens de uitreiking van de Inktaap. Ik leerde dat het heel goed werkt om leerlingen te laten debatteren of discussiëren over hun favoriete boek. Laat leerlingen met elkaar in debat gaan. Laat ze argumenten formuleren en vurige pleidooien houden. Die leiden namelijk tot de analyse van de kracht van boeken en kunnen zorgen voor een verdieping van de leeservaring, waardoor het boek nog meer beklijft. Laat leerlingen hun favoriete passages voorlezen. Het zal leiden tot nieuwsgierigheid bij hun klasgenoten. Leerlingen nemen van niemand zoveel aan als van elkaar. Als een van hen een gloedvol betoog houdt over een lievelingsboek, zal dat pleidooi leiden tot interesse en leeslust bij de anderen.

Mijn verhaal is overigens geen pleidooi tegen de klassiekers op de lijst, want Hermans, Reve en Mulisch zijn onmisbaar, net als Wolkers, Bordewijk en Elsschot. Mijn statement is wel een appèl om op de lijst ruimte te maken voor diversiteit, op het gebied van thema’s en culturen. En het is een pleidooi voor hedendaagse literatuur en actuele thema’s, zodat leerlingen voelen dat boeken ook over hen gaan. Dat verhalen zich afspelen in de tijd waarin ze leven, dat ze een wereld beschrijven die zij herkennen, qua samenstelling en sociale klasse, en die zij beter leren begrijpen door erover te lezen. Dat boeken ook onderling begrip kunnen creëren in een gepolariseerde tijd waarin populisme en onverdraagzaamheid de boventoon voeren.

Dit is trouwens geen reclame voor mijn eigen werk, want er zijn meer schrijvers die heel treffend het leven van worstelende jongeren in achterstandswijken beschrijven. Ik noem hier graag Alex Boogers en Abdelkader Benali. Niet toevallig treden wij regelmatig op in middelbare scholen. Andere schrijvers die schrijven over tieners die hun weg zoeken op school en in de samenleving zijn Karin Amatmoekrim en Mano Bouzamour.

Wat in mijn ogen heel belangrijk is anno 2019: leerlingen verleiden om te lezen. Hun aandacht voor het boek terugwinnen in een tijd waarin ontlezing een feit is en de gemiddelde leestijd per dag schrikbarend daalt. Leerlingen verleiden in een tijd waarin smartphones constant piepen, trillen en knipperen, om aandacht vechten en met dopamine strooien, net als sociale media, die een ongelooflijk aanzuigende werking hebben. Om nog maar te zwijgen over Netflix.

Maar het boek vecht niet voor aandacht, zoals al die smartphones en appjes. Een boek wacht heel geduldig tot het opgepakt wordt. En juist daarom heeft het pleitbezorgers nodig. De beste pleitbezorgers voor jonge mensen zijn, naast hun leraren (ja, jullie zijn heel erg belangrijk!), klasgenoten. Zoals gezegd: laat ze elkaar vertellen wat ze moeten lezen en waarom. En als er een fantasy-boek tussen zit, of een boek van Stephen King, prima! Uiteindelijk gaat het erom leerlingen kennis te laten maken met de magie van het lezen. Lezen is een unieke manier om je verbeeldingskracht aan te spreken en je een innerlijke reis te laten maken waartoe Facebook, Netflix en Instagram nooit in staat zullen zijn.

Een innerlijke reis die je van binnenuit opvult, verrijkt en je anders naar de wereld laat kijken. Een innerlijke reis die je verwondert, met empathie vervult en leidt tot introspectie. Een onmisbare ervaring die je als mens voor altijd zal vormen.

Geplaatst op 14/11/2019

Tags: 2019, Dag van de Literatuurkritiek, deBuren, literatuuronderwijs, Murat Isik, Wees onzichtbaar

Categorie: Essays

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.