Filosofie, Recensies

Als de vreemdeling God wordt

De vreemdeling

Eenheid in verschil

Michel de Certeau

1.

 

De vreemdeling. De titel van het boek dat recent bij uitgeverij Sjibbolet (Amsterdam) is verschenen, laat zich makkelijk op de auteur zelf toepassen. De plaats die deze Franse mystiek-historicus in het intellectuele landschap van de late twintigste eeuw bekleedt, kun je gerust die van een vreemdeling noemen. Als jezuïet, gespecialiseerd in de geschiedenis van zijn orde en meer bepaald in de mystieke lijn daarin, is Michel de Certeau (1925-1984) tegelijk auteur van een sociale theorie van onze moderne ‘alledaagsheid’. Zijn L’invention du quotidien (1980) vormt tot op vandaag een belangrijk referentiekader voor heel wat socioculturele studies in dit veld. Als eminent kenner van de mystieke traditie heeft hij tegelijk affiniteit met de scherpste godsdienstkritische discoursen van zijn tijd. Als gelovig christen, zijn hele leven trouw aan de katholieke kerk – én aan de jezuïetenorde die van het propageren van die trouw haar core mission heeft gemaakt – koestert hij niettemin warme sympathie voor de hele waaier aan contestatiebewegingen van zijn tijd. Hij is zelfs een van de zeldzame intellectuelen die, wanneer de revolutionaire geest in mei 1968 helemaal uit de fles is en Frankrijk voor maanden lamlegt, nog datzelfde jaar een boek publiceert met zijn analyses en reflecties daarover (La prise de parole) .   ​

​Een vreemdeling. Ook de lezer van La prise de parole moet zoiets over Certeau hebben gedacht wanneer hij een jaar later een exemplaar van L’étranger van hem koopt. De vreemdeling is een essaybundel waarin Certeau uitsluitend teksten heeft opgenomen die hij als christelijke theoloog heeft geschreven en eerder al, in hun oorspronkelijke versie, had gepubliceerd in twee toonaangevende Franse jezuïtische tijdschriften: Christus (opgericht in 1954) en Études (dat al in 1856 zijn eerste nummer had).

Dat de auteur zich er aan een ‘theologie van de revolutionaire geschiedenis’ waagt, is slechts één van de links die met het volstrekt ontheologisch getoonzette La prise de parole te ontwaren zijn. De link tussen revolutie en christendom is voor Certeau zonder meer essentieel. In zijn ogen is het christendom wezenlijk revolutionair, althans in de formele zin van het woord: de essentie ervan bestaat erin dat het nooit in de eigen identiteit gesetteld blijft, maar het aan zichzelf verplicht is om de eigen identiteit steeds weer opnieuw op het spel te zetten.

Vandaar de titel. ‘De vreemdeling’ is de naam voor die essentie of, wat op hetzelfde neerkomt, de naam voor de godheid waar het in het christendom om te doen is. God is ‘de vreemdeling’, diegene die vreemd is aan het eigene en het eigene daarom per definitie met het risico van ‘onteigening’ confronteert. De essentie van het christendom bestaat erin dit risico op te zoeken en te koesteren. Het komt er voor de christen op aan zich door zijn essentie – zijn per definitie vreemde God – telkens opnieuw uit het eigen huis te laten jagen en, zoals eertijds Abraham, ergens naar op weg te gaan zonder de zekerheid te hebben waarheen.

​Het eigene van het christendom is ‘de vreemdeling’, de God die radicaal anders is, de God die het verschil maakt, en wel zo radicaal, dat dit verschil elke identiteit steeds weer in haar grondvesten doet wankelen, steeds van zichzelf vandaan jaagt, steeds weer noopt om de revolutie waarin ze gefundeerd is, revolutionair nog eens over te doen. Ontrouw te zijn aan de trouw waartoe elke gesettelde identiteit verleidt en vervolgens trouw blijven aan die ontrouw: dit is volgens Certeau de eigenheid van de gemeenschap en de cultuur van hen die zich tot de christelijke God bekennen.

​Let wel: die steeds weer doorbroken identiteit ís hun eigenheid en maakt het christendom tot wat het is. Dit is het paradoxale dat christenen met elkaar delen. Dat hun eigenheid haar grond vindt in wat die onteigent en ontwortelt: dit bindt hen tot een gemeenschap. Dit maakt hen één. ‘Eenheid in verschil’ (‘union dans la différence’): ook de ondertitel van het boek moet in al zijn radicaliteit begrepen worden.

​Ziehier de kern én de spanning die het hele boek beheersen. Wanneer de cultuur van de jaren zestig zich afzet tegen het traditionele christendom, wanneer ze in die laatste het tegendeel van de eigen identiteit ziet, dan is het aan de gelovigen om te beseffen dat in die contestatie – in die crisis, in dit ‘verschil’ – niet zozeer een breuk met het christendom schuilt als wel de essentie ervan. Voor Certeau zou het christendom zich in de revolutionaire jaren 60 daarom juist ‘thuis’ moeten voelen. Ontheemd in de eigen tijd als het christendom zich dan voelt, wordt het in zijn ogen precies de kans geboden om opnieuw aansluiting te vinden bij zijn ware kern. In een aantal teksten verwijst Certeau naar het Tweede Vaticaans Concilie (1962 – 1965) dat in die jaren nog vers in het geheugen ligt. Voor hem is het duidelijk: dit concilie moet breken met het verleden, en precies in die breuk opnieuw haar ware grond – haar ‘rupture instauratrice’ – onderkennen.

​Het is een gewaagde, sterke stelling. Wie studie wil maken van het christelijke denken in de twintigste eeuw, zal niet om het denken van Michel de Certeau heen kunnen, zoveel is zeker. De vertaling van L’étranger zal daar zeker dienstbaar bij zijn. Het is overigens het eerste boek van deze auteur dat in Nederlandse vertaling voorligt, en dit alleen al maakt de uitgave bijzonder. Bovendien gaat het om een zeer mooi verzorgde uitgave, in een voortreffelijke vertaling en voorzien van twee verhelderende inleidingen: een door Luce Giard, die Certeaus postume editie heeft verzorgd, en een door Inigo Bocken, die het werk in een breder perspectief plaatst.

2.

De plaats ontbreekt hier om uitvoerig op het waagstuk van Certeaus stelling in te gaan. Een paar reflecties zullen moeten volstaan.

​Wanneer Certeau de christelijke God als ‘de vreemdeling’ neerzet, is daar in se weinig eigenaardigs aan. Het christendom staat nu eenmaal te volle in een monotheïstische traditie, en daar is God per definitie de ‘Andere’, de God van het ‘Verschil’ die niets gemeen heeft met wat we rondom ons kennen. Het is een God die van ‘buiten’ komt, al was het maar omdat Hij van daaruit alles uit het niets heeft geschapen. Dat God niet is wat de mens denkt dat Hij is, dat hij anders is dan de ‘afgod’ die de mens van Hem maakt, dat hij zich niet door offers en vrome vleierij laat paaien: het is een constante in de Bijbel. Het enige wat het christendom daaraan toevoegt, is dat die ‘andersheid’ zich incarneert, dat ze hier en nu rondloopt – in de gedaante van ‘de vreemdeling’ bijvoorbeeld. Wanneer vandaag sommige kerken hun deuren openzetten voor vluchtelingen, is het omdat ze in die ‘vreemdelingen’ hun geïncarneerde God herkennen.

​Achter Certeaus definitie van God als ‘Andere’ of ‘verschil’ schuilt echter niet alleen een monotheïstische en christelijke traditie. Certeau schrijft zich hiermee ook in de heersende filosofische stroming van zijn tijd in, een stroming die onder meer bekend staat als ‘la pensée de la différence’, ‘het denken van het verschil’. En, meer nog, Certeau wil dit ‘denken van het verschil’ uitdrukkelijk inschrijven in het christendom. Op die manier wil hij het christendom vertaalbaar maken in het zich van het christendom losrukkende, ‘revolutionaire’ discours dat in de jaren zestig de toon aangeeft.

​Het maakt het boek van Certeau er alleen maar interessanter op, maar ook problematischer. Het ‘denken van het verschil’ is immers niet meteen christelijk van signatuur. Het is diep geworteld in de antimetafysische filosofie van na Hegel waarin het heersende identiteitsdenken wordt ontmaskerd als een vorm van machtsdenken. In die zin is dit denken verre van mild voor christelijke vormen van filosofie. En precies dit hyperkritische ‘denken van het verschil’ zet Certeau in om het christelijke narratief van een nieuw denkgrammatica te voorzien. De vraag is dus in hoeverre hij hier zelf nog het ‘verschil’ tussen christendom en ‘het denken van het verschil’ respecteert. Een filosofische of cultuurkritische studie van zijn oeuvre is het aan zichzelf verplicht die vraag een centrale plaats te geven.

Met dat doel dient uiteraard Certeaus gehele oeuvre betrokken te worden, maar bij wijze van voorbeeld belicht ik kort één topic uit De vreemdeling waarin die vraag zich het meest pregnant opdringt. Zo presenteert het vierde hoofdstuk een aantal van zijn reflecties op het fenomeen van de missie en de missionaris – een ideaal dat in de jaren zestig nog sterk leefde in christelijke middens. Met dat ideaal voor ogen was de jonge Certeau trouwens ooit ingetreden in de orde van de jezuïeten.

​Voor Certeau, zo bleek al, is God de Andere, de Vreemde, diegene die buiten het plaatje van een gesettelde identiteit valt. In die zin is God per definitie de Afwezige. In dit perspectief valt te begrijpen waarom hij in een missionaris de christen par excellence herkent. De missionaris zoekt God waar Hij thuishoort, dit wil zeggen ‘buitenshuis’, in ‘den vreemde’, in een land waar alles vreemd en anders is. Voor de missionaris is, ook in en voor dat vreemde land, God bij uitstek de Vreemdeling. Die ‘vreemden’ kennen God immers niet; Hij is bij hen in een veel extremere manier ongekend dan Hij dat bij ons in het Westen kan zijn. Zo vreemd is God voor die ‘vreemden’ dat zij niet eens weet hebben van die ‘Vreemdeling’, die Afwezige, die God.

Nee, weert Certeau zich tegen de kritiek die hij voelt aankomen, de missionaris is niet de pretentieuze westerling die een vreemde cultuur zijn waarheid wil opdringen. Hij doet aan missie, niet uit hoofde van zijn kennis van God, maar omdat hij God juist niet kent, omdat hij naar Hem op zoek is. En hij doet dat precies dáár waar Hij ook voor hen die daar leven afwezig blijkt. Heeft de missionaris, anders dan zij, dan wél greep op die Afwezige? Precies niet. Daarom gaat hij ‘in den vreemde’ naar de Vreemde op zoek.

Let wel, die Vreemde is niet aan de locus van ‘den vreemde’ gebonden. Hij is tegelijk de eigen Vreemde, de Vreemde die ook in het thuisland van de missionaris vreemd is. In dat thuisland is het christendom in crisis zowel omdat het geloof in God achteruitgaat als omdat zij die in God geloven, in dat geloof als in een vergrendelde identiteit opgesloten blijven. Terwijl God de Andere is. De missionaris zoekt dus bij de ‘heiden’ (Certeau schuwt het woord niet) zijn God, de God van het christendom. En die kan hij bij de ‘heidenen’ des te beter leren kennen omdat die God voor deze heidenen op een andere, misschien wel radicalere manier vreemd is. De reden waarom de missionaris de nederigheid zelve moet zijn, zo laat Certeau niet na te herhalen: hij mag zich onder geen beding voor de kar van de kolonisatie laten spannen, zo hamert hij er met zo mogelijk nog meer nadruk bij de lezer op. Als de missionaris in den vreemde aan missie doet, is het vooral om zichzelf te bekeren, om bij zichzelf de vreemde te vinden.

Hij vindt bij ‘de vreemdeling’ ‘de vreemdeling’ die hij zelf is. Pas deze zelfbekering maakt het de missionaris mogelijk de andere met diens andersheid voeling te doen krijgen. In deze gedeelde andersheid zijn ze elkaars gelijken. Alleen daarin zijn ze één. ‘Eenheid in verschil’. Eenheid in de vreemdeling. Het is op die manier dat Certeau ‘katholicisme’ verstaat, in de betekenis die ooit het antieke Griekse woord had: kata holos, ‘over alles’, ‘universeel’. Wat ons als mensen met zijn allen uni, één en gelijk maakt, is het feit dat niemand van ons gelijk is aan zichzelf, maar dat we allen getekend zijn door een verschil, een vreemdheid die niet toe te eigenen is. Een onherleidbaar verschil met onszelf, een radicale andersheid maakt ons tot wie we zijn. En het is pas op basis van dit verschil, die andersheid, dat we een gemeenschap vormen – een universele, mondiale gemeenschap.

Een mondiale samenleving valt niet zozeer te verwachten van een verzameling autonome identiteiten die van anderen eisen dat ze hierin worden getolereerd, en die slechts op die basis bereid zijn ook andere, vreemde identiteiten te tolereren. Wat mensen bindt, is niet een gedeelde eigenheid, maar een gedeeld tekort – een bres, een opening die elk van hen ontwaart in de eigen eigenheid: een vreemdheid die in het binnenste van ieders eigen identiteit die identiteit openhoudt ten aanzien van anderen, van andere, evenzeer door inherente vreemdheid gekenmerkte identiteiten.

​Die laatste zinnen geven kort maar raak de stelling van Certeau weer – een stelling die nog steeds  van invloed kan zijn in de socio-politieke debatten van onze tijd. Alleen laten die beknopte zinnen de context achterwege waarin Certeau die stelling ontwikkelt, met name een analyse van de christelijke missionaris. En aan die context kleeft onvermijdelijk die van het kolonialisme. Certeau is zich van die laatstgenoemde context terdege bewust, en wie zijn tekst op de letter volgt, voelt hoe erg hij ermee verveeld zit dat hij het probleem bij momenten enkel even kan bezweren, maar nooit echt van een oplossing kan voorzien. De koloniale context weet ook Certeau nooit echt van zijn nieuwe – door het ‘denken van de differentie’ gevoede – missiologie weg te houden.

​Dit laatste zorgt ervoor dat Certeaus analyse voor de hedendaagse lezer aan overtuigingskracht moet inboeten. De wereld ‘één’ laten zijn in ‘het verschil’ – Certeaus naam voor het ‘katholieke/universele’ project – heeft de schande van het kolonialisme niet kunnen tegengaan. Erger nog: is het gek te stellen dat onder de vlag van ‘eenheid in verschil’ het kolonialisme vandaag alleen nog harder doorgaat?

De vraag is dan ook of een van het christendom en zijn missiologie ontdaan ‘denken van de differentie’ dat kolonialisme kan tegengaan. Zet het kolonialisme zich niet onder andere vormen – die van het IMF, de wereldhandel, de explosie van het toerisme – onverminderd voort? Is het niet ook nu nog, maar dan via listiger wegen, een effect van onze pogingen om het ‘verschil’ binnen onze eigen identiteit de basis te willen maken om met alle andere door ‘verschil’ gekenmerkte identiteiten een mondiale gemeenschap te vormen?

​Het is echt een vraag: afgrondelijk maar niettemin pijnlijk urgent. De worsteling met die vraag die je op zoveel pagina’s in De vreemdeling leest, is een meer dan welkome referentie om die vraag in alle scherpte überhaupt gearticuleerd te krijgen.

Sjibbolet, Amsterdam, 2019
ISBN 978 94 9111 038 2
245p.

Geplaatst op 13/09/2019

Tags: 2019

Categorie: Filosofie, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.