‘Dit was wie ik moest zijn’

Vele hemels boven de zevende

Griet Op de Beeck

De deuren van vijf binnenkamers staan wijd open in Griet Op de Beecks (1973) Vele hemels boven de zevende. De lezer maakt in deze debuutroman kennis met Lou (twaalf), Eva (zesendertig), Elsie (tweeënveertig), Casper (zesenveertig) en Jos (eenenzeventig). De roman verhaalt over hun zoektocht naar acceptatie, erkenning en genegenheid; naar het geluk, kortom, waarvan ze vaak maar een glimp te zien krijgen. Op de Beeck tracht ‘levensechte personages’ op te roepen en gezien de prijzende pers is ze hier klaarblijkelijk in geslaagd.

Treurnis

De personages krijgen door Op de Beeck aardse problemen voorgeschoteld. Het pubermeisje Lou worstelt met haar identiteit en populariteit. De vrijgezelle en altijd behulpzame Eva ziet haar gemankeerde zelfbeeld telkens bevestigd door haar omgeving. Eva’s zus Elsie en Casper hebben een affaire waardoor hun gezinsleven op het spel komt te staan. Jos is een alcoholist met een vreselijk geheim: hij heeft zijn neefje tot kasplantje gereden, maar niemand weet dat hij toen dronken achter het stuur zat. Treurnis te over dus.

Toch lezen we geen zwartgallige roman. De grote strubbelingen worden afgewisseld met kleine geluksmomenten en speels bedoelde taalvondsten. Zo zegt Eva over het lijf van haar ex: ‘alles wiebelt en beweegt de hele tijd een heel klein minibeetje’. En bij wijze van overpeinzing over de dood van zijn broer merkt Jos op: ‘mensen die er zijn, dat is beter dan mensen die er niet zijn’. Dit soort formuleringen moeten lucht in de roman blazen, maar vaak wekken ze een nogal kunstmatige indruk.

Daarnaast kiest de schrijfster graag voor een ‘happy end’, waarbij de personages min of meer gelouterd uit alle ellende komen. Neem Eva’s afscheidsbrief, aan het slot van de roman. Ze ‘is er klaar mee’ en kiest voor een val van een paar seconden ‘die alles op zou lossen’. De suïcide van haar zus maakt dat Elsie uiteindelijk toch voor zichzelf kiest. Dat wil zeggen voor de buitenechtelijke relatie met Caspar en niet voor haar gezin, ‘omdat ik [Elsie] haar [Eva] niet heb kunnen redden, maar mijzelf nog wel’. De lezer kan opgelucht ademhalen. Of toch niet? De wijze waarop de schrijfster zelfmoord inzet als een louterende catharsis komt niet alleen geforceerd over, maar vooral ook gemakzuchtig. Dat geldt feitelijk voor het gehele einde van de roman. Zo is het weinig geloofwaardig dat Jos zelfs in zijn zelfwoede rust vindt: ‘Voor het eerst vind ik het oké dat ik oud ben. Dan hoef ik tenminste niet meer al te lang.’ De wisselwerking tussen de zware problemen en de daaruit volgende ‘leerprocessen’ blijft zo beperkt tot een simplistische ethiek van de aanvaarding – nergens prikt dit debuut door die oppervlakte heen.

‘Dit was wie ik moest zijn’

Op de Beeck gebruikt voor haar roman een beproefd recept: per hoofdstuk krijgt één van de vijf personages het woord. De personages zijn allemaal met elkaar verbonden – door een familieband, een vriendschap of door de liefde. Zonder expliciet de lezer aan te spreken vertellen ze over hun ervaringen; soms onderbroken door een mijmering of herinnering. Deze zogeheten multiperspectivistische vertelvorm zorgt ervoor dat de personages niet alleen over zichzelf vertellen, maar ook over elkaar en over gedeelde gebeurtenissen. Dat zou moeten leiden tot tegenstrijdige informatie en contrasterende beeldvorming, maar de relazen lopen naadloos in elkaar over: de personages blijven vreselijk coherent. Deze sjablonen worden in de eerste vijf hoofdstukken al uit de doeken gedaan. Eva: ‘Ik denk te veel, zeggen ze’. Lou: ‘Twaalf zijn is verschrikkelijk. Het enige wat nog erger is: twaalf zijn en op de middelbare school zitten’. Caspar: ‘[D]it was wie ik moest zijn: een schilder’. Elsie: [I]k [vind] het belangrijk om mooi te zijn’. En ten slotte Jos: ‘Natuurlijk heb ik fouten gemaakt. Ik ben eenenzeventig, en ik betaal er nog elke dag voor’. In het vervolg van de roman lijken de getuigen hun verhaal op elkaar te hebben afgestemd.

Neem Eva, die vastzit in het sjabloon van een behulpzame, maar ongelukkige single. Niet alleen haar eigen verhaal wordt opgehangen aan deze kapstok (zo werkt ze als hulpverlener in een gevangenis), ook wanneer anderen over haar spreken zien we steeds hetzelfde beeld oprijzen. Zo zegt Elsie: ‘Eva zegt altijd ja als er gered moet worden’, ‘Eva is een rots. Altijd daar, altijd klaar’, ‘Zij wilde dood omdat het leven haar niet bracht wat ze droomde. Omdat ze heel diep kon voelen’. En over Elsie’s affaire met Caspar: ‘Behalve Eva wist niemand ergens van’. Ook Lou schetst een soortgelijk beeld van Eva: ‘Ik wil graag dat Eva gelukkig is. Ik denk dat je altijd makkelijker gelukkig kan zijn met twee’, en: ‘Volgens mij scoort Eva momenteel qua gelukkig zijn op schaal van één tot tien ook maar een vier’.

De personages blijven, anders gezegd, steken in de sjablonen die Op de Beeck voor ze heeft bedacht. De auteur durft het kennelijk niet aan de lezer te verrassen en dat maakt van de roman een voorspelbare en uiteindelijk slaapverwekkende leeservaring. Nergens spreken de perspectieven elkaar tegen, waardoor de lezer nooit écht gedwongen wordt om zelf keuzes te maken en een eigen positie in te nemen. Deze vertelvorm stemt je zelfs niet tot nadenken over wat het betekent dat de informatie vanuit meerdere posities wordt aangereikt.

‘Ik wil daar nu niet op ingaan’

Met het achterhouden dan wel uitstellen van informatie bedient Op de Beeck zich van een trucje, dat de lezer vooral moet stimuleren om door te lezen. Maar omdat de lezer gaandeweg de roman beseft dat alle vragen uiteindelijk netjes beantwoord zullen worden sorteert deze verhaaltechniek weinig effect. De schrijfster lijkt zich daarvan bewust op het moment dat ze haar vertelstrategie blootlegt. Bijvoorbeeld bij monde van het pubermeisje Lou dat vertelt over een grote ramp: ‘Eva is de enige die weet van de ramp. Ik wil daar nu niet op ingaan’. Zoals de lezer verwacht, worden de details over deze ramp op een later moment onthuld. Caspar rommelt al aan de deur, zijn hoofdstuk moet immers zo beginnen: ze vertelt het straks wel. Helaas blijken de personages zich daarna nauwelijks te bekommeren over de vorm waarin zij gepresenteerd zijn. En dat is een gemis, omdat de protagonisten van Op De Beeck zelf weinig om het lijf hebben.

‘Mijn leven is van mij’

Even kritiekloos als Op de Beeck omspringt met haar multiperspectivistische vertelvorm, gaat ze uit van het liberale mensbeeld van het autonome individu. Het leven is maakbaar, zo wil de roman zeggen. ‘Elsie en ik hebben voor mekaar gevochten. Door te wachten, door te kiezen, door mekaar vast te houden en verder te duwen’, aldus Caspar, die zijn leven heeft ingericht zoals hij wilde. Hij heeft zijn vrouw verlaten om samen te wonen met zijn nieuwe vriendin Elsie, die een soortgelijk parcours achter de rug heeft. Lou kon niet aarden op haar middelbare school, maar vindt na overplaatsing naar een nieuwe leeromgeving eensklaps een hartsvriendin. Ook voor Jos schijnt ‘genereus’ de zon: zijn gezondheid is tanende, zoals ik hierboven al aanhaalde.

Eva fungeert als de spreekbuis van de autonomiegedachte op het moment dat ze naar de supermarkt gaat om, tegen haar gewoonte in, gezond eten te kopen. Vol trots zegt ze: ‘Mijn leven is van mij, ik mag dat niet vergeten’. De context van deze uitspraak wordt onbedoeld ironisch – de supermarkt is misschien wel hét symbool voor het verlies van autonomie van de moderne mens. Deze ironie ontgaat Op de Beeck blijkbaar, want nergens probeert ze een kritiek op het beeld van de mens als een onafhankelijk en rationeel wezen te formuleren. Het summum van deze autonomiegedachte is de zelfmoord van Eva. Je zou kunnen zeggen dat deze suïcide nu juist aangeeft dat het leven níet maakbaar is. Maar uiteindelijk overwint Eva het leven, want zij maakt er zelf een eind aan. Dat haar zelfmoord in haar afscheidsbrief rationeel beargumenteerd wordt, laat des te meer zien dat het leven klaarblijkelijk maakbaar is. Tot de dood toe.

Spinvis

De uitspraak van Eva dat het leven van haar is, is ook op poëticaal vlak naïef-realistisch: haar leven is wellicht van de auteur, van de lezer, of van de wisselwerking tussen beiden. Nergens echter wordt over deze kunstmatige situatie gerept. Zo morrelt de roman noch aan de levensbeschouwelijke (en benauwende) conventies van deze tijd, noch aan de literaire traditie waarvan de roman deel uitmaakt.

De al eerder genoemde taalvondsten van Op de Beeck verleidden Daniëlle Serdijn om de roman in de Volkskrant te vergelijken met ‘een Spinvisliedje’. Deze vergelijking (ongetwijfeld ingegeven door het motto van de roman: een tekst van Spinvis), gaat echter mank. Waarin Spinvis, zeker op zijn eerste album, excelleert, is het gebruik van productietechnieken, of juister: het hoorbaar maken daarvan. Hierdoor wordt de luisteraar zich heel bewust van de compositorische kunstmatigheid van waaruit het liedje ontstaan is. De luisteraar hoort als het ware het zoldertje waar het album is opgenomen.

Spinvis problematiseert zijn productietechniek niet door het kunstmatige karakter ervan te verbergen, maar juist door het onderdeel te laten uitmaken van zijn compositie. Dit is bij Vele hemels boven de zevende geenszins het geval. Nergens bevraagt Op de Beeck haar eigen verhaalvorm. De lezer dient zich over te geven aan het deinen van het vertelritme van de personages. En wanneer blijkt dat die in een paar steekwoorden te vangen zijn, blijft er nog maar bar weinig over.

Links

Prometheus, Amsterdam, 2013
ISBN 9789044622805
272p.

Geplaatst op 28/10/2013

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.