Proza, Recensies

Een apocalyps die geen einde is

Baron Wenckheim keert terug

László Krasznahorkai

Wie de eerste bladzijden opslaat van Baron Wenckheim keert terug, de derde roman van de Hongaarse schrijver László Krasznahorkai die in het Nederlands is vertaald, zal in eerste instantie denken een misdruk in handen te hebben. Geen titelpagina, geen vermelding van auteur, vertaler, uitgever, ISBN of copyright. Het boek begint plompverloren met een ‘Waarschuwing’. Ruim vijf bladzijden lang spreekt een naamloze man een groep muzikanten toe – kennelijk een Argentijns combo – van wie hij de grootst mogelijke uitvoerigheid en volledigheid eist bij de rapportage van hun bezigheden: ‘Hoe lang de bandoneonspelers en de pianisten hebben geoefend […], wat ze vandaag hebben gegeten […], in welke hoek u de muziekstandaard precies neerzet […], de domste gedachten die u over de neerdwarrelende harspoeder te binnen schieten.’

Wie is daarin aan het woord? Zelf noemt de man zich provisorischerwijs ‘de impresario van deze productie’, dat wil zeggen van het muziekstuk dat ten gehore moet worden gebracht. Maar een gewoon muziekstuk is het niet, zoals hij zelf ook geen gewone impresario is. Bij voorbaat, zo waarschuwt hij hen, weet hij alles wat de musici hem zullen vertellen, zoals hij ook bij voorbaat weet wat er zal gaan klinken. Hij stelt hun ‘lijden, bloed, zweet en tranen’ in het vooruitzicht bij het stuk dat zij gaan spelen en dat zich naadloos moet invoegen in de Schepping. Is hij God? Is hij de schrijver? Hij is alleen degene die toezicht houdt, zegt hij, en die ‘alleen maar wacht tot het in Godsnaam eindelijk allemaal is afgelopen.’

Dan begint het eigenlijke boek, met titelblad en al. Maar ook zonder titel en auteursnaam was al overduidelijk aan wie die vijf bladzijden van de ‘Waarschuwing’ moeten worden toegeschreven. Zinnen die zich eindeloos voortzetten (in dit geval ruim vijf pagina’s lang) waren we al gewoon uit de eerdere vertaalde romans van Krasznahorkai: Satanstango uit 1985 (vertaling 2012) en De melancholie van het verzet uit 1989 (vert. 2016). Misschien nog kenmerkender zijn de metafysische en apocalyptische toonzetting en enscenering , die hier uitlopen op een onmiskenbare aanzegging van het einde. Nog meer dan in zijn vorige boeken lijkt Krasznahorkai in deze roman een alomvattend vonnis van doem te gaan vellen.

In die verwachting wordt de lezer niet teleurgesteld. Maar zover is het pas na een kleine vijfhonderd bladzijden waarin Krasznahorkai een veel alledaagser en soms zelfs bijna komisch-satirische toon aanslaat. De terugkomst van een gefortuneerde baron vanuit Argentinië (vandaar dat combo) zet in het Hongaarse stadje waarin hij ooit geboren werd het leven op stelten. De baron, zo speculeren de kranten, zal met zijn filantropie en financiering van publieke werken het stadje opstoten in de vaart der volkeren.

In allerijl wordt een feestelijke ontvangst voorbereid. De burgemeester spreekt de hooggeborene toe, de politiecommissaris doet in zijn speech alvast een voorzet voor de nuttige besteding van al die gelden (‘snellereactie-eenheid, ten minste twee helikopters, vier amfibievoortuigen’), het folkloristisch vrouwenkoor zingt Don’t cry for me, Argentina en de plaatselijke motorclub toetert hetzelfde liedje op hun bikes.

Daar komt allemaal niets van in huis – en niet alleen omdat de feestelijke ontvangst hopeloos in het honderd loopt. Baron Wenckheim blijkt een gokverslaafde simpelman die regelmatig doet denken aan de hoofdpersoon uit Jerzy Kosinski’s roman Being there (1970) (Peter Sellars in de schitterende verfilming door Hal Ashby). Hij begrijpt nauwelijks wat er om hem heen gebeurt, wat men van hem wil, en zijn enige echte reismotief, het weerzien met een jeugdliefde, verknoeit hij door haar tot twee keer toe niet te herkennen. Pas wanneer de baron door een spoorongeluk om het leven komt, beseft het stadsbestuur dat hij geen cent te makken had. Haastig probeert elke notabele die hem ooit ophemelde de sporen daarvan in de archieven van kranten, fotografen en tv-stations uitgewist te krijgen.

 

Nepnieuws en vreemdelingenhaat

Tot zover lijkt Krasznahorkai in Baron Wenckheim keert terug vooral goed gekeken te hebben naar het toneelstuk De revisor (1836) van Nikolai Gogol. Die liet al ruim anderhalve eeuw geleden zien hoe de komst van een overheidsinspecteur de hele society van een Russisch provinciestadje op stelten kon zetten. Helaas wordt bij Gogol de verkeerde persoon voor de hoogwaardigheidsbekleder aangezien en tot voorwerp gemaakt van alle vleierij, strijkages en de hoopvolle presentatie van huwbare dochters.

Krasznahorkai drijft de klucht nog een stapje verder – bijvoorbeeld wanneer hij het gemeentebestuur alle fruitmachines preventief uit de cafés laat verwijderen om de gokverslaafde baron niet in verzoeking te brengen. ‘Hoeveel vrachtwagens zijn daarvoor nodig’, vraagt de Burgemeester. ‘Vijftien’, zegt een raadslid. ‘Hebben we die?’ Ja, die heeft de gemeente, maar ook hier steekt het wanbestuur van het stadje een spaak in het wiel: slechts vier vrachtwagens zijn daadwerkelijk in bedrijf. Komischer kan Krasznahorkai het alleen nog maken wanneer hij de burgemeester iedereen laat opdragen ‘bij het secretariaat de verplichte vlinderdas op [te] halen.’

Door de plot van Baron Wenckheim keert terug weeft Krasznahorkai echter nog een tweede verhaallijn, waarmee hij de roman begint. In een bizarre scène wordt een gepensioneerde hoogleraar biologie (gespecialiseerd in mossen) belaagd door de dochter die hij ooit verwekte maar van wier bestaan hij pas nu verneemt. Terwijl hij zich verschanst in een zelfgebouwd hutje, schreeuwt zij hem vanaf een afstand haar verwensingen toe, met behulp van een megafoon die haar gedienstig door de plaatselijke pers is aangereikt. Uiteindelijk zal de professor in een dodelijk conflict met de eerder genoemde motorbende verzeild raken. Maar wat deze verwikkeling precies van doen heeft met het hoofdthema van de teruggekeerde baron wordt niet erg duidelijk. Voor een satire op de MeToo-beweging verscheen deze roman uit 2016 net iets te vroeg – al dringt die associatie zich wel op.

Veel van de actuele thema’s waarmee Krazsnahorkai Gogols 19de-eeuwse moraliteit heeft opgetuigd verraden echter een onmiskenbare opzet. Nepnieuws, vreemdelingenhaat (het stadje wordt, net als de hoofdstad Boedapest, overspoeld door vluchtelingen), criminele bendevorming en corruptie (de motorclub wordt aangestuurd door de politiecommissaris), falende publieke diensten, nationalistische eigenrichting (‘Wij Doen Iets’) als antwoord op alle bestuurlijke onmacht en politieke chaos: met dat alles zet Krasznahorkai de sociale en politieke satire voort die hij in De melancholie van het verzet al stevig in stelling had gebracht.

In dat boek steekt niet de komst van een mythische baron maar die van een groep circusklanten met een opgezette reuzenwalvis het lont in het kruitvat van de algehele maatschappelijke verloedering. Het bij het walvis-spektakel toestromende volk verandert in een moordende en plunderende bende, die slechts met moeite in het gareel kan worden gebracht door een nieuwe tiran, die zich onder de populistische slogan ‘Schoon erf, net huis’ dankzij het oproer de macht heeft weten te veroveren. In het licht van het huidige Hongaarse bewind onder Victor Orbán was deze in het omwentelingsjaar 1989 verschenen roman weinig minder dan profetisch.

In Baron Wenckheim keert terug is de toon nog vlijmender geworden. Tegen het eind van de roman vaart Krasznahorkai onder de hoofdstuktitel ‘Aan de Hongaren’ bladzijden lang uit tegen Hongarije en ‘de’ Hongaar, die – in de woorden van de hoofdredacteur van een plaatselijke krant – zwelgt in de nationale grootheid van het verleden maar volkomen onverschillig blijft bij een oorlog die vlakbij, ‘op slechts zo’n twintig kilometer afstand’, woedt. De Hongaar is ‘een uitzonderlijk walgelijk sujet’, behept met jaloezie, kleinzieligheid, bekrompenheid, vadsigheid, achterbakse gluiperigheid, enzovoort.

Het is niet alleen deze filippica die Baron Wenckheim keert terug uittilt boven de aanvankelijke comédie humaine naar Gogoliaanse snit. Het hele boek is doortrokken van dezelfde surreële of zelfs bovennatuurlijke sfeer die in de beide eerder vertaalde romans al de toon bepaalde. Tot tweemaal toe laat Krazsnahorkai de tijd plotseling stilstaan. In het stadje verschijnt een raadselachtig konvooi van tankwagens die de stad blokkeren en de volgende dag weer even onmerkbaar vertrokken zijn. Alle treinverkeer houdt om onverklaarbare reden halt. Bedelaars overspoelen de stad en zijn plots verdwenen; raadselachtige ‘vreemdelingen’ nemen hun plaats in. Geweld, moord en verkrachting vernietigen de sociale orde, apocalyptischer dan enige misdaadroman beschrijven kan.

 

Nog één boek?

Wat is Baron Wenckheim keert terug dan voor een boek? Ook al is er sinds het verschijnen van Krasznahorkai’s debuut Satanstango ruim dertig jaar verlopen, de drie nu vertaalde romans laten zich heel goed lezen als een trilogie waarin het alledaagse achteloos verbonden wordt met het metafysische. Bovenaardse heilsverwachting stoot daarin hard op een alledaagse banaliteit, waartegenover de ontnuchtering in de sterren geschreven staat. Wie in romans zoekt naar troost en levenslust, is bij Krasznahorkai aan het verkeerde adres – tenzij hij daartoe uit pure balorigheid wordt geïnspireerd, zoals sommige tobbers zich door de uitzichtloze films van Ingmar Bergman van de weeromstuit opgevrolijkt zeggen te zien en anderen zich door de in hopeloosheid gedrenkte aforismen van Emil Cioran laten weerhouden van zelfmoord.

Krasznahorkai zelf onderstreept de samenhang van deze drie boeken met subtiele onderlinge verwijzingen. De naam Wenckheim valt (als straatnaam) ook een paar keer in De melancholie van het verzet en (als ‘Weinckheim’) in Satanstango, net als diens ‘kasteel’ Almásy of Almássy. Terloops duikt in Baron Wenckheim keert terug de muziekmeester op die in de voorgaande roman al op zoek was naar een zuivere stemming als symbool van een harmonische (maar in het ongerede geraakte) kosmos. In alle drie de romans weerspiegelt de staat van de werkelijkheid zich in muziek: een doorlopend thema bij Krasznahorkai. En alle drie spelen zij zich af in (of in Satanstango vlakbij) eenzelfde stadje, dat bij Krasznahorkai een universele betekenis krijgt, zoals het Macondo van Gabiel García Márquez of Yoknapatawpha County van William Faulkner.

Maar wat is die betekenis dan? Lees de drie romans achter elkaar, en je ziet de reikwijdte van Krasznahorkai’s blik steeds breder worden. In Baron Wenckheim keert terug heeft die zijn uiterste grens bereikt. De ‘Waarschuwing’ die aan de plot voorafgaat wordt uitgesproken door iemand die álles overziet en daarvan het einde aankondigt. Aan het slot van het boek realiseert dat einde zich. Alles explodeert, het stadje (de wereld) wordt door vuur verteerd, alleen nog bezongen door een bijfiguur – ‘de Idioot’ – die wie weet de waarschuwer uit het begin zou kunnen zijn. Als om zijn ‘inventaris’ van de werkelijkheid werkelijk af te ronden, laat Krasznahorkai daarop onder de titel Verzamelde bladmuziek een lijst volgen van alle figuren, elementen, voorwerpen en plaatsen die in de roman een rol hebben gespeeld. Daarna, zo mag je als lezer vermoeden, is het definitief met het boek – en de wereld – ‘uit’. Ook in De melancholie van het verzet liet hij in de slotzinnen alles al vergaan, ‘verteerd door een vonnis uit een ondenkbare verte, zoals ook dit boek hier wordt verteerd door het laatste woord.’

Toch is het lied van de Idioot in Baron Wenckheim keert terug niet Krasznahorkai’s laatste woord. In het boek volgt nog een inhoudsopgave (‘Dansschema’) die verder gaat dan wat de roman zelf behelst. Veel zinnigs lijkt die toevoeging niet te behelzen: ‘EN IN HET VERVOLG: RAM, PAM, PAM, PAM, HMMM, RARIRA, RI, ROM…’ enzovoort – zo eindigt dit ‘Dansschema’. Maar wie iets hoger op de bladzijde kijkt ziet dat dit de hoofdstuktitels zijn van het boek dat we zojuist gelezen hebben. Behelst dat slotliedje daarom een opdracht: lezen, herlezen en blijven herlezen? Of vormt het een metafysische uitspraak op zich: alles herhaalt zich, alles beweegt zich in cirkels, zoals Nietzsche ooit zijn Zarathustra had laten constateren? Zelf had Krasznahorkai de slotbladzijden van Satanstango al identiek gemaakt aan de openingspagina’s ervan, zodat het boek een Möbiusband werd die almaar hetzelfde liedje afdraaide.

Als dat zo is, dan was Krasznahorkai in Satanstango subtieler dan in Baron Wenckheim keert terug, dat nogal lijdt onder het plotse en ál te schrille contrast tussen menselijke komedie en het kosmische drama waarop die uitloopt. Dat laatste krijgt daarmee iets bombastisch mee, als een soort negatieve deus ex machina. Dat is spijtig voor de afronding van deze trilogie – die misschien wel geen trilogie is omdat Krasznahorkai hiermee nog lang niet zijn laatste woord gesproken zou kunnen hebben. Voor een werkelijk meesterwerk is in ieder geval nog minstens één vervolgdeel nodig. Onlogisch is dat niet. Tenslotte deed ook Wagner, de grootste apocalypticus van de muziekgeschiedenis, zoals Krasznahorkai dat is van de hedendaagse Midden-Europese literatuur, het ook niet voor minder dan een tetralogie.

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2019
Vertaald door: Mari Alföldy
ISBN 978 90 284 2743 3
496p.

Geplaatst op 16/02/2020

Tags: Baron Wenckheim keert terug, De revisor, Laszlo Krasznahorkai, Nikolai Gogol, Vreemdelingenhaat

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.