Non-fictie, Recensies

Goedgelovig

Het klimaat zijn wij

De wereld redden begint bij het ontbijt

Jonathan Safran Foer

De boodschap van Jonathan Safran Foers laatste boek, Het klimaat zijn wij. De wereld redden begint bij het ontbijt, is eenvoudig: door de enorme bijdrage van de bio-industrie tot de uitstoot van broeikasgassen, is een aanpassing van je dieet ‘het belangrijkste wat je als individu kunt doen om de opwarming van de aarde te keren’. Meer specifiek raadt de succesvolle romanschrijver ons aan om geen dierlijke producten te nuttigen bij het ontbijt en de lunch. Daarmee pikt hij de draad van zijn vorige non-fictieboek Dieren eten (2009) op, dat zich voornamelijk boog over de consumptie van vlees en de schadelijke manieren waarop de bio-industrie dat momenteel produceert.

Meer dan ‘een pleidooi om collectief anders te gaan eten’, is Het klimaat zijn wij echter vooral ‘een nadere verkenning van een beslissing die we door de planeetcrisis genoodzaakt zijn te nemen’. In vijf hoofdstukken buigt Foer zich over het belang van die keuze, maar meer nog over de (zijn) moeilijkheid om die te maken. De tactiek om ‘zo veel mogelijk mensen ervan te overtuigen dat ze hun leven moeten veranderen’, lijkt er met andere woorden in te bestaan om de moraliserende vinger of de apocalyptische donderstem achterwege te laten en de lezer tot actie te bewegen door die te laten sympathiseren met een worsteling die ze als hun eigen impasse kunnen herkennen. Vandaar waarschijnlijk de nadruk op een matiging van de consumptie van dierlijke producten in plaats van een pleidooi voor veganisme.

Of die aanpak mensen kan overtuigen, zullen anderen moeten uitmaken – zelf heb ik die beslissing immers al een kleine tien jaar terug genomen, onder meer na de lectuur van Dieren eten. Wel wil ik het karakter van Foers individualiserende betoog beoordelen in het licht van de klimaatdiscussie.

 

De mens en de mensheid

Vanaf pagina één is het duidelijk dat Foer ten volle de kaart trekt van de universele mensheid. Die incarneert zich letterlijk in één individu wanneer hij schrijft over de manier waarop we tijdens het inademen moleculen innemen van ieder die leeft en ooit heeft geleefd: ‘Met elke inademing nam ik het verhaal van leven en dood op aarde in me op. Die gedachte gaf me een overkoepelende blik op de geschiedenis als een uitgestrekt web dat uit één draad was geweven.’ De klimaatcrisis brengt Foer tot een verhaal over het individu en de mensheid. Net zoals Neil Armstrong sprak over ‘een kleine stap voor de mens, een reuzensprong voor de mensheid’, kunnen kleine individuele dieetaanpassingen volgens Foer leiden tot een grootschalige collectieve vooruitgang.

Foers vergelijking met Armstrong is veelzeggend omdat ze zijn blinde vlek blootlegt: hij gaat er immers aan voorbij dat er een hele materiële en ideologische infrastructuur aanwezig was om Armstrongs stap mogelijk te maken – denk bijvoorbeeld aan NASA en de Koude Oorlog. Voor Foer lijkt er weinig tot niets te bestaan – geen historische periodes, geen culturen, geen ideologieën – tussen het individu en de mensheid, verbonden als ze immers zijn door Foers ietwat halfslachtig aangeroepen menselijke natuur, die hij tevens verantwoordelijk houdt voor onze tekortschietende klimaatactie: ‘Omdat de mensen zijn zoals ze zijn: mensen zoals ik, die zich er iets van zouden moeten aantrekken […], vinden het bijna onmogelijk om een paar kleine offers te brengen voor een groot toekomstig goed.’ Het kleinschalige is hier belangrijk. Foer pijnigt zichzelf namelijk het gehele boek lang met de vraag waarom ‘wij’ (hij) niet in staat is zulke keuzes te maken.

Deze nadruk op het menselijke (on)vermogen zou je humanisme kunnen noemen, maar evengoed is het een uiting van de dominante neoliberale ideologie die al vier decennia lang meent dat er geen maatschappijen zijn, maar slechts mensen en hun families. Foer spreekt vaak over de verplichting die elk van ons heeft ten opzichte van vorige en toekomstige generaties; iets wat zich in zijn boekpraktijk niet vertaalt in een kwestie van democratische rechten en plichten, maar voornamelijk in verhalen over zijn (groot)ouders en kinderen – het laatste hoofdstuk is een brief aan zijn zonen; hij merkt op dat hij zich met dit boek eigenlijk ‘alleen tot [hen] wil richten’.

Gemeenschappen kan Foer zich dan ook slechts voorstellen als een optelsom van individuen: ‘Natuurlijk is het waar dat één persoon die besluit vegetarisch te gaan eten de wereld niet zal veranderen, maar natuurlijk is het ook waar dat de som van miljoenen van dergelijke beslissingen dat wel zal doen.’ Dat is tevens het geval wanneer hij spreekt over de kleinschalige opofferingen die Amerikanen aan het thuisfront deden tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoals de aanvaarding van voedsel- en benzinerantsoenering en het licht uitdoen als het donker werd. Foer legt de nadruk op de acties van ‘gewone mensen die hun krachten bundelden’. In haar boek This Changes Everything (2014) beklemtoont de Canadese klimaatactiviste Naomi Klein bij de bespreking van dezelfde situatie daarentegen de acties van de overheid. Die nam niet enkel deze maatregelen, maar verzekerde tevens de sociale rechtvaardigheid en eerlijkheid waaraan deze maatregelen hun breed gedragen steun dankten: de regels golden voor iedereen. Daarom spreekt Klein over ‘bad timing’ in verband met de klimaatactie: net nu een dergelijke staatsinterventie nodig is, richt de dominante politiek zich voornamelijk op de afbraak van de publieke sfeer en de deregulatie van de bedrijfssector. Gaat het om het klimaat, dan manen regeringen ons in de eerste plaats aan tot individuele acties – doe een extra trui aan; wees zuinig met je energie.

Bedenkingen die het niveau van individuele actie overstijgen zijn Foer vreemd. Het betoog van Klein – dat overigens niet in zijn extensieve bibliografie voorkomt – zou hij afdoen als een zondeboktheorie die ons ervan vrijstelt om zelf iets te doen. Zo schrijft Foer na het citeren van enkele tweets van Trump in wat zowat de meest ontstellende passage van het boek moet zijn:

 

Mij vullen ze met een primitieve woede, zoals ik die anders alleen maar voel als iemand mijn kinderen in gevaar brengt.

Maar die reacties zijn misplaatst.

Er is een veel schadelijker vorm van het verwerpen van wetenschap dan wat Trump doet – de vorm die zich voordoet als acceptatie. Degenen van ons die wel weten wat er gaande is maar er veel te weinig aan doen, verdienen die boosheid veel meer. We moeten bang zijn van onszelf. Wij zijn zelf degenen tegen wie we in opstand moeten komen […]. Ik ben zelf degene die mijn kinderen in gevaar brengt.

 

Deze passage maakt meteen duidelijk wat rest als politieke actie van de klimaatkwestie wordt gestript: sentimentaliteit en moralisme. De duivel ben je in de eerste plaats zelf.

 

Geloofscrisis

De duivel krijgt geen vermelding in Het klimaat zijn wij, maar er is wel een duidelijke religieuze retoriek aanwezig. De klimaatcrisis krijgt het karakter van een apocalyps waarbij Het Laatste Oordeel uitgesproken zal worden: ‘Nu de planeetcrisis aan het licht komt als een reeks noodtoestanden, zullen onze beslissingen onthullen wie we zijn.’ Hoe dan onze innerlijke duivel te verdrijven? Foers methode is alvast de seculiere biecht die neurotische zelfkritiek heet: ‘We moeten onszelf dwingen om voor de spiegel te gaan staan en daarin naar onszelf te kijken. We moeten steeds met onszelf in discussie blijven of we wel doen wat gedaan moet worden.’ Foers moralisme is van neurotische aard omdat zijn zelfkastijdende biecht een drang tot zuiverheid verraadt. Zo vindt hij het ‘ondraaglijk gênant’ om te vertellen dat hij wel eens een cheeseburger at tijdens de promotietour van Dieren eten omdat hij er troost zocht in een persoonlijk moeilijke periode. So what? – zou je kunnen zeggen, maar deze auteur moet blijkbaar door de schaamte en de van hypocrisie beschuldigende blikken heen. Daarbij wil ik meteen opmerken dat Foers neurose zoals elke neurose hoogst selectief is. Zo vindt hij ‘twee vliegreizen per jaar minder’ (op hoeveel is onduidelijk) blijkbaar al een voldoende opoffering en spreekt hij zonder blikken of blozen over zijn ‘auto waarin ik meer voor het gemak rijd dan uit noodzaak’. Het gaat er mij hier nu niet om met het vingertje te wijzen, maar veeleer om te tonen hoe snel de individualisering van klimaatactie tot andere en nieuwe moraliserende beschuldigingen kunnen leiden.

Foer verklaart onze collectieve inertie voornamelijk als een geloofscrisis: we beschikken dan wel over de belangrijkste kennis, maar vinden het moeilijk deze te geloven en daarnaar te handelen. Dat verhoogt de schuldenlast nog wat meer: ‘Kennis is het verschil tussen een ernstige fout en een onvergeeflijke misdaad.’ Foer heeft in zekere mate gelijk dat we allen bijdragen aan de klimaatcrisis, maar hoe kan het anders in een maatschappij die geheel op fossiele brandstoffen drijft? Die vaststelling maakt echter het gebrek aan actie van pakweg iemand die over de klimaatcrisis hoort of leest niet tot een even grote ‘onvergeeflijke misdaad’ als dat van de desinformatie verspreidende fossiele brandstoffenindustrie en van apathische politieke leiders. Foer lijkt niet in staat om machtsverschillen in acht te nemen, noch om de politieke en economische systemen te zien die ons bestaan vormen. Slechts als we daarin politieke verandering brengen, kunnen we ons ontheffen van gedrag dat bijdraagt tot de klimaatopwarming.

 

Politiek

In zijn volledig overtrokken mea culpa meent Foer ook de zondes van de vervuilende industrieën op zich te moeten nemen. In navolging van de oudste bewaarde zelfmoordbrief ‘Discussie met de ziel van iemand die het leven moe is’ houdt hij in het vierde hoofdstuk eveneens een discussie met de ziel en meent hij – tegen de stroom van zijn gehele betoog in – dat het onjuist is het individu verantwoordelijk te houden. Daar laat de onpersoonlijke en dus hogere instantie van de ziel hem niet mee wegkomen: ‘Maar bedrijven produceren wat wij kopen, boeren verbouwen wat we eten. Hun misdaden begaan ze ter wille van ons.’ Foer is gemakkelijk te overtuigen; zo schrijft hij later: ‘De meeste mensen vinden [dierlijke producten] net als ik heel lekker. Dus natuurlijk willen we er dan meer van.’ Omgekeerd denkt hij dat de abstinentie van vlees ‘druk’ kan ‘uitoefenen’ op de markt. Dat getuigt allemaal van een enorme goedgelovigheid.

Meer ter zake zou je deze logica met Klein en vele anderen kunnen lezen als het gevolg van de heersende ideologie waardoor we onze sociale acties slechts nog in termen van consumptiekeuzes kunnen zien. Maar zelfs zonder deze ideologische analyse is het maar de vraag of een alternatieve keuze zo makkelijk te maken valt als Foer voorstelt. Het gaat immers niet louter om consumptie, maar evengoed om aanbod, beschikbaarheid, productie en infrastructuur. In een van zijn talloze halfslachtige vergelijkingen schrijft Foer: ‘We zitten vast in het verkeer omdat we het verkeer zijn.’ Dat is niet geheel juist: we zitten vast in het verkeer omdat het openbaar vervoer in zijn huidige vorm tekortschiet – als je bijvoorbeeld met de bus in dezelfde file vastzit als met je auto, wat is het voordeel dan; en wat als er überhaupt geen bus of trein in de buurt is voor jouw route?

Een vergelijkbaar punt valt te maken in verband met de consumptie van dierlijke producten: zowel in winkels als op straat is het aanbod en de actieve promotie ervan nog steeds ontzettend veel groter dan van vegetarisme. De verhouding is verre van in balans; de vegetarische of veganistische opties zijn steeds (sterk) in de minderheid. Daarbij is voedsel de laatste decennia in het rijke Westen verworden van een levensmiddel tot genotsproduct, een middel om (zogenaamd) je gezondheid en levenskwaliteit te vergroten en zodoende een middel tot distinctie. Anders gezegd is er weinig solidariteit en collectiviteit te vinden in de manier waarop we vandaag naar voedsel kijken. Tot slot kun je de productie van voedsel niet los zien van haar wijdere inbedding in het kapitalistische systeem: voedsel wordt goedkoop gehouden – onder meer door geen rekening te houden met de milieukosten – om tevens arbeidskosten laag te houden: goedkoop voedsel is nodig om slechtbetaalde arbeidskrachten in toom te houden.

 

Meer leven

Over de dominantie van witte mensen in de huidige klimaatbeweging zei Naomi Klein onlangs in De Groene Amsterdammer: ‘Als een beweging wordt beheerst door het meest welvarende deel van de samenleving, voert angst voor verandering vaak de boventoon.’ Het klimaat zijn wij is daarvan een perfecte illustratie. De grootste moeilijkheid die Foer zich kan voorstellen is ‘steeds die hunkering’ naar vlees te moeten ‘weerstaan’. Op dit punt is zijn zogenaamde bescheidenheid al lang omgeslagen in een blinde arrogantie die niet in staat is een ander dan zijn eigen perspectief in te nemen.

Met zijn pleidooi voor een zekere onthouding, sluit Foer aan bij de vele stemmen die stellen dat het aanpakken van de klimaatcrisis gepaard moet gaan met een vermindering van ons plezier. In het laatste hoofdstuk spreekt Foer echter over ‘meer leven’, maar net zoals hij die woorden als een gebed prevelt om zijn vliegangst te overwinnen blijft die mantra in dit boek louter een abstracte en universele bevestiging van het leven. ‘Meer leven’ kan echter aan veel meer kracht winnen wanneer de materiële condities van precarisering en ongelijkheid in onze samenleving in acht worden genomen. Wanneer dus de actie om het klimaat te redden zich verbindt met de sociale vraag om een andere samenleving te creëren – om de condities waarin velen vandaag slechts overleven om te zetten tot condities waarin ieder werkelijk meer kan leven. Een basale definitie van een goed klimaatboek zou er dan in kunnen bestaan dat ze ons doet verlangen naar een beter leven. Het klimaat zijn wij zit daar alvast mijlenver van.

Ambo/Anthos, Amsterdam, 2019
Vertaald door: Patty Adelaar
ISBN 9789026344770
279p.

Geplaatst op 04/01/2020

Tags: Het klimaat zijn wij, Jonathan Safran Foer, Kapitalisme, Klimaat, Klimaatverandering, Naomi Klein, Vegetarisme

Categorie: Non-fictie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.