Proza, Recensies

Het andere dier

Brief aan mijn vader en andere teksten uit de nalatenschap

Franz Kafka

Kafka dus weer. Vooruit, altijd liever meer Kafka dan minder Kafka, iets beters heeft mijn goede oude eeuw niet voortgebracht. Zijn werk raakt niet gedateerd, blijft fris en raadselachtig: dat geldt zowel voor de drie onvoltooide romans en voor de tijdens zijn leven gepubliceerde verhalen als voor het nagelaten proza, waarvan Willem van Toorn nu een deel heeft vertaald. De tekst in dit boek volgt de ‘nieuwe’, op de handschriften gebaseerde Duitse edities van de jaren negentig, maar de keuze komt ongeveer overeen met die van vroegere vertalingen. (De ‘oude’, door Kafka’s vriend Max Brod bezorgde Duitse versies zijn bijna allemaal in pdf te vinden op het internet.)

Het gaat dus om verhalen en bijna-verhalen van diverse soort, sterk wisselend in lengte, vaak onvoltooid, en vaak met titels die niet van Kafka stammen; daarnaast krijgen we de ‘Brief aan mijn vader’ (1919) en de ‘Aforismen’ van 1917-1918. Over de erg conventionele selectie zou je kunnen discussiëren (waarom niet pakweg de mooie toespraak over het Jiddisch, of het verhaal over de zwemkampioen die niet kan zwemmen en die de taal van zijn thuisstad niet herkent?), en het is jammer dat de teksten – die zo’n twintig jaren bestrijken – niet voorzien zijn van een (benaderende) datering. Wat Van Toorn in het nawoord zegt over ‘vroege’ en ‘late’ verhalen suggereert een geleidelijke evolutie, maar in feite ligt er een echte breuklijn (1912, toen ‘Das Urteil’ ontstond) tussen enerzijds ‘Beschrijving van een strijd’ en ‘Bruiloftsvoorbereidingen op het land’ (waarvan we hier telkens verschillende versies krijgen) en anderzijds alle overige teksten. Vooral de fantasietjes van het eerstgenoemde verhaal staan vér van de echte Kafka, al is het nog zo ‘knap geschreven’; het heeft in mijn ogen vooral documentair belang, in de orde van: ‘zie waar hij vandaan komt’.

Van Toorn verdient respect voor deze en eerdere Kafka-vertalingen; in zoverre ik het kan nagaan en beoordelen zijn ze degelijk en treffen de juiste toon. Toch stuit je op wat slordigheden die vermeden hadden kunnen worden door een goede eindredactie. ‘Je zo’n stad voorstellen is gemakkelijker dan te geloven dat Peking en zijn keizer één zouden zijn’ (191) zegt het tegenovergestelde van de brontekst, en ‘juist jou zou ik het moeten vertellen’ (177) had ‘juist ik zou het je…’ moeten zijn. De terechte wens om ‘men’ zo veel mogelijk te vermijden leidt soms tot dubieuze resultaten, bijvoorbeeld botsing tussen een persoonlijk (‘die mensen’) en een onpersoonlijk (‘men’) ‘ze’. Helemaal mis loopt het in: ‘Daar verderop vinden geen veranderingen plaats, daar zijn ze rustig…’ (327); moet zijn: ‘Daarginds [of zelfs: daarboven]…, daar ben je gerust…’. In het verhaal ‘Fürsprecher’ is het titelwoord een aantal keren weergegeven door ‘advocaat’ i.p.v. ‘pleitbezorger’, wat voor mij onbegrijpelijk blijft, ondanks de verantwoording in een noot.

Het is curieus dat Van Toorn geen melding maakt van de versie van ‘Brief aan mijn vader’ die hij in 1999 maakte samen met de intussen overleden Gerda Meijerink. (Mijn recensie van toen zit, vrees ik, achter de betaalmuur van De Standaard.) In de nieuwe ‘Brief’ zijn ‘kleine [in 1999 ‘voorzichtige’] pogingen tot zelfstandigheid’ op een cruciale plek in ‘geen pogingen’ (379) veranderd (Duits kleine/keine!). En Kafka laat zijn vader zeggen dat ‘Dein Verschulden’ de oorzaak is van hun moeilijke verhouding; bij Van Toorn/Meijerink werd dat ‘jouw schuldbeladenheid’, en nu: ‘het feit dat je onder schuld gebukt gaat’ (381) – maar dit zou gewoon ‘jouw schuld’ moeten zijn: Kafka beweert immers dat hijzelf géén schuld ervaart, er dus níet onder gebukt gaat!

Tot daar het geklaag. Wat de (nooit verzonden) ‘Brief’ betreft nog dit: het is de langste en veruit de beroemdste tekst in het boek, maar in literair opzicht geenszins de voornaamste. Zeker is dat je hem ‘gelezen moet hebben’, als een soort ‘uitleg’ bij het eigenlijke werk, en omdat de schrijver zich erin ‘laat kennen’, maar juist om die laatste reden gaat hij bij herlezing ook wat vervelen.

 

Processie van Echternach

Raadselachtigheid nodigt uit tot interpretatie, en zoals bekend werd Kafka’s werk het object van een onwaarschijnlijke en nog altijd aanhoudende stroom van secundaire literatuur, vervaardigd door schrijvers, essayisten, filosofen, en uiteraard vooral academici. In principe moet je daar niet misprijzend over doen, er valt veel uit te leren – als je de weg vindt naar de ‘beste’ stukken. Wat de meer publieksgerichte studies in ons taalgebied betreft: Vestdijk schreef al zinvol over Kafka in de jaren dertig, en in de jaren vijftig waren er krachtige opstellen van de veelgeprezen Gentse hoogleraar Herman Uyttersprot (later gebundeld in Praags cachet van 1963, samen met artikelen over Rilke). De Leuvense professor Ludo Verbeeck wijdde vanaf de jaren zeventig drie boeken aan Kafka, en recenter kregen we de vertaling van Roberto Calasso’s op zijn minst stimulerende K. (Wereldbibliotheek, 2005).

Ik herinner ook graag aan een bundel die wijlen Jacq Vogelaar in 1987 samenstelde (Proces-verbaal van Franz Kafka, SUN): een stel fundamentele essays, waarvan sommige op hun beurt weer ettelijke commentaren hebben gegenereerd (Walter Benjamin, Theodor W. Adorno, Maurice Blanchot…). Wellicht is dit het diepgravendste boek over Kafka in het Nederlands, maar het wordt nu wel tijd voor een nieuwe bloemlezing, met jongere analyses en beschouwingen. Een dergelijk werk brengt ook enkele problemen aan het licht. Ten eerste, juist originele denkers hebben de neiging een Kafka naar hun eigen beeld en gelijkenis te scheppen, en je moet daar niet te gehoorzaam in meegaan. Ten tweede, zulke essays veronderstellen vaak veel intellectuele bagage en meer dan gewone moeite, zodat sommigen nodeloos kunnen worden afgeschrikt. Kafka heeft wakkere maar ook onbevangen lezers nodig, en bovenal meer-dan-één-keer-lezers; minstens even ver als met geleerdheid kom je met vatbaarheid voor taal, voor paradoxen, voor beelden, voor humor.

Voorts, dit is geen nieuws: om deze schrijver te appreciëren hoef je niet gebrand te zijn op loodzware thema’s en boodschappen, hij is geen hoogdravend filosofische of religieuze verkondiger, hij is geen Ontleder van de Condition Humaine, hij blijft altijd uiterst concreet. En nog iets wezenlijks: het lezen van Kafka, zegt Fredric Jameson, ‘dompelt ons in een haast oeverloos afwegen van alternatieven, een onvermoeibaar heen en weer tussen het pro en het contra, die zich dan elk weer ontplooien in eigen oeverloze gevolgen, enzovoort tot in die oneindigheid die op elk punt kan worden afgebroken’. (‘Kafka’s Dialectic’, in The Modernist Papers, 2007.) Lang geleden sprak Uyttersprot al van verhalen die ‘uiteenspatten in een praktisch onbegrensde reeks onderstellingen en mogelijkheden’; hij zei ook dat Kafka in ‘de processie van Echternach’ liep, en noemde hem de ‘Aber-Mann’. De tekst ‘Gemeenschap’ in deze bundel telt 28 regels, minder dan een pagina, met daarin achtereenvolgens: of beter gezegd… / het zou… zijn als niet steeds… / maar / weliswaar / je zou kunnen zeggen… maar / bovendien / trouwens / [het heeft] geen zin, maar we zijn nu eenmaal… / maar / maar.

Van echte somberheid kun je nauwelijks spreken, maar je ervaart vaak het geknaag van iets wat niet klopt, iets verkeerds wat je zou willen rechtzetten. Lezers die Kafka niet lusten hebben daar te veel last van, of ze vinden geen toegang tot zijn realiteit, of worden tureluurs van zijn razende geredeneer. (En nu en dan is er iemand die wat al te pijnlijk de beschadigde mens gewaarwordt die achter de teksten schuilt.)

 

Is dat een schuld?

‘De jager Gracchus’ (1916-17) maakt een extreem onvolledige indruk, omdat het verschillende fragmenten omvat die relatief los van elkaar staan. De hoofdpersoon (wiens naam via het Latijn en het Italiaans verwijst naar de kauw, ‘kavka’ in het Tsjechisch) bevindt zich op een bark die de haven van Riva (aan het Gardameer) binnenzweeft, ‘moeiteloos, alsof hij over het water werd gedragen’. Hij blijkt een jager te zijn die eeuwen geleden in het Zwarte Woud is verongelukt – maar, zegt hij tegen de burgemeester, ‘mijn doodsschip raakte uit de koers, een draai van het roer, een moment van onoplettendheid van de stuurman’, en sindsdien bevaart het ‘de aardse wateren’, rusteloos van haven naar haven. En nee, hij heeft geen schuld aan zijn mislukte dood! In een volgend fragment lijkt Gracchus zelf de tekst te schrijven, en later zien we hem in een kribbig gesprek met een niet nader bepaalde figuur, een journalist?

In de ‘Brief aan mijn vader’ staat dat Kafka volgens zijn vader ‘met een draai aan het stuur alles een andere wending had kunnen geven’: kennelijk hangt het lot van mensen slechts van zo’n kleine foute of juiste beweging af. Gracchus doet ook denken aan het slot van ‘Een plattelandsdokter’: ‘Naakt, blootgesteld aan de vrieskou van dit rampzalige tijdperk, met een aardse wagen, onaardse paarden, zwerf ik, oude man, rond.’ (En alweer is een kleinigheid de trigger.) Hoofdzaak lijkt dat Gracchus een dubbelwezen is (levend/dood), dat hij zich in een tussengebied bevindt, met de kafkaiaanse eenzaamheid die daarbij hoort (plus de onverdraagzaamheid en agressiviteit die geregeld bij die eenzaamheid schijnt te horen). Marthe Robert brengt dit thema in verband met ’s schrijvers hachelijke positie als ongelovige én slecht geassimileerde jood (in Seul, comme Franz Kafka, 1979 – nog steeds een uitstekend boek). Maurice Blanchot van zijn kant heeft het over de onbekwaamheid om te sterven: ‘Er is geen einde, het is niet mogelijk een definitief eind te maken aan de dag, aan de zin van de dingen, aan de hoop; dat is de waarheid die de westerse mens […] geprobeerd heeft draaglijk te maken door de gelukkige zijde ervan naar voren te halen, die van de onsterfelijkheid, van een overleven dat het leven zou compenseren.’ En: ‘[Onze angst] komt niet alleen voort uit dat niets waarboven, zo vertelt men ons, de menselijke werkelijkheid zou oprijzen om er vervolgens weer in weg te zinken, zij komt voort uit de vrees dat zelfs dit toevluchtsoord ons wordt ontnomen, dat er niet niets is, dat dit niets nog tot het zijn behoort.’ (Citaten uit ‘La lecture de Kafka’, 1943, in La Part du feu, ook in Proces-verbaal, vertaling gewijzigd.)

Natuurlijk denken we hier aan de slotzin van Het proces, waar de stervende Jozef K. voelt dat ‘het was alsof de schaamte hem moest overleven’. W.G. Sebald vertelt in Duizelingen (Schwindel, Gefühle, 1990) dat ‘Dr. K.’ het niet belachelijk vond dat stervende operazangers nog lang doorgingen met zingen, ‘wij liggen immers ons hele leven stervend op de planken’. (Zoals wel vaker bij Sebald, is dat niet bepaald een exact citaat: ‘Wir liegen und singen jahrelang’, luidt het in een brief aan Milena. Sebalds hele boek valt onder andere te beschouwen als een literair commentaar op Kafka; het Gracchus-verhaal is er ingenieus in verweven, evenals de reis die de Pragenaar in 1913 naar Riva maakte.)

Nog even terug naar Gracchus’ emfatische betuiging van onschuld, hoe geloofwaardig is die? Hij doet nogal defensief, hij was tenslotte een doder: ‘Ik was als jager werkzaam in het Zwarte Woud, waar je toen nog wolven had. Ik lag in hinderlaag, schoot, trof doel, vilde ze, is dat een schuld? Er rustte zegen op mijn werk. De grootste jager van het Zwarte Woud werd ik genoemd. Is dat een schuld?’ Calasso zegt dat Gracchus zich herhaalt ‘als een zeeman in een kroeg, maar ook met de dwangmatigheid van de eenlingen’. Nog meer dan op zijn onschuld hamert Gracchus op zijn identiteit, en zijn herkomst (‘mijn wonderschoon vaderland’); daarom betreur ik dat de vertaler een apart fragmentje heeft weggelaten dat alleen bestaat uit weer eens zo’n herhaling: ‘Ik ben jager Gracchus, mijn heimat is het Zwarte Woud in Duitsland.’ Veeleer een idee-fixe dan zelfkennis.

 

Vreemde beesten

Dwangmatigheid tref je vaak aan bij Kafka, in uiteenlopende vormen, en de lezer is verplicht om die kwellingen mee te maken maar beleeft daar plezier aan (tenzij hij/zij zich laat dwingen tot de treurnis om gedurig naar De Betekenis te speuren). In ‘De buurman’ wordt iemand geparalyseerd door de verdenking dat een buur zijn zakelijke telefoons afluistert en tot eigen voordeel aanwendt. In het lange verhaal ‘Het hol’ (1923-24) is een das-achtig dier aan het woord, dat een burcht vol gangen en pleinen gegraven heeft, om zich te beveiligen maar ook om te genieten van het bouwsel zelf, van zijn voedselvoorraden, en vooral van de stilte. Zijn aanvankelijke tevredenheid wordt meer en meer gesloopt door hardnekkige vrees voor vijanden, die van buitenaf zouden kunnen inbreken – maar eigenlijk evengoed, gaat het dier beseffen, van binnenuit: onder de grond. En het bedenkt vol zelfverwijt hoe het allerlei dingen anders had kunnen en moeten aanpakken, maar nu is het te laat… De zwaarste beproeving van de (zielen)rust begint wanneer de stilte verstoord wordt door een sissend geluid dat niet meer verdwijnt, en waarvan de bouwer vergeefs de oorsprong tracht te achterhalen. Uiteindelijk veronderstelt hij dat het komt van een ander groot dier, dat naar hem onderweg is. Dus iemand zoals hijzelf: de ander is ook een zelfprojectie, een sterker of machtiger ik – maar op een bepaald moment lijkt dat gevreesde dier evenzeer bedreigd te worden door het ik als omgekeerd. Calasso omschrijft dit verhaal als de uitwerking van een aantekening uit Kafka’s dagboek (februari 1920): ‘Mijn gevangeniscel – mijn vesting’; het zijn woorden die we ook op het schrijven mogen betrekken, op de betekenis van de literatuur voor de schrijver.

Tot het meest opvallende behoort hier het verbreken van de stilte, wat een autobiografische kant heeft: Kafka was hypergevoelig voor geluid; en we zien hoe het arme dier, typisch dwangmatig en half komisch, zich op den duur inspant om geluid te horen dat vrijwel onhoorbaar is. Elders in het boek wordt ook ‘Blumfeld, een vrijgezel op jaren’ in de eerste plaats door geluid gehinderd, maar een prikkelender vergelijkingspunt geeft het lawaai in ‘Pleitbezorgers’: ‘een gedreun, dat onophoudelijk uit de verte te horen was, […] je kon niet zeggen uit welke richting het kwam’; merkwaardigerwijs doet dit kabaal de ik-figuur gissen dat hij in een gerechtshof is (een leven als een oordeel!). Nog een andere associatie, uit Het slot: het sluipen dat de dienstmeisjes in het Herrenhof ’s nachts op de gang horen; dan ‘luisteren [ze] aan de deur, knielen neer, slaan in hun angst hun armen om elkaar heen. En voortdurend hoor je de sluiper’ (vert. Van Toorn/Meijerink, Athenaeum, 1997).

‘Het hol’ is ook door Blanchot bestudeerd en ingelijfd, in het essay ‘Le Dehors, la Nuit’ (uit L’Espace littéraire, 1955, vertaald in de Blanchot-bundel Het wakende woord van Annelies Schulte Nordholt e.a., SUN 1997). Het geluid van het andere dier staat hier voor ‘de andere nacht’, de nacht die niet het einde van de dag (zie hierboven) en de overgang naar een nieuwe dag betekent, die geen rust inhoudt, maar wel de dreigende ontmoeting met zichzelf als onherkenbare andere, en de ondergraving van evidenties. Ik blijf te vaag, wie het interesseert moet de teksten lezen.

Kafka heeft altijd historische en politieke duidingen aangetrokken. Het lijkt niet vergezocht om in de jammerende grenzenzoeker Gracchus een gefrustreerde nationalist te zien: ‘Zo reis ik, die alleen in zijn bergen wilde leven, na mijn dood door alle landen op de aarde.’ En de holenbouwer bedenkt: ‘Juist als bezitter van dit grote kwetsbare werk ben ik […] weerloos tegenover elke serieuze aanval, het geluk van het bezit ervan heeft me verwend, de kwetsbaarheid van het hol heeft me kwetsbaar gemaakt, zijn kwetsuren doen me pijn alsof het die van mezelf zijn.’ Hij identificeert zich zodanig met zijn bouwsel (bezit, en ‘eigen land’) dat hij eigenlijk niets anders meer is dan dat, en geen enkele waarde of kracht meer uit zichzelf heeft. Vandaag kost het bijna moeite om ‘Het hol’ niet te associëren met Fort Europa, dat zich zo grotesk afschermt voor vreemde beesten – gravers die komen zeggen dat wij eigenlijk in hún hol aan het feesten zijn. Een politieke visie op het verhaal vind je ook bij de filosoof Giorgio Agamben, in wiens werk Kafka trouwens, zoals in dat van Blanchot, een kardinale plaats inneemt. (Zie ‘Heidegger et le nazisme’, 1996, in La Puissance de la pensée, en ‘In This Exile’, 1992-94, in Means Without End.)

Maar zitten we nu niet op een hellend vlak, waarbij je over de teksten ‘om het even wat’ kunt beweren? Zijn we niet bezig, net als vroeger de metafysische interpreten, om Kafka al te willekeurig voor een ons dierbaar karretje te spannen? Maar in hoeverre lokt hij die willekeur nu eenmaal uit – zeker voor wie niet vertrouwd is met zijn leven? En zou dat dan een kwaliteit zijn, of toch ook een bezwaar tegen zijn werk?

 

Verlangen naar de vuist

De meisjes van het Herrenhof ‘zouden allemaal al gelukkig zijn, als [de sluiper] eindelijk binnenkwam, maar er gebeurt niets, niemand komt binnen’, en ook bij de verteller van ‘Het hol’ voel je soms een soort hoop op confrontatie. Nog duidelijker is in dit opzicht ‘Het stadswapen’, dat gaat over de bouw (!) van de toren van Babel. Er wordt amper begonnen aan die toren, vanuit het idee dat latere generaties het technisch veel beter zullen kunnen. ‘Zulke gedachten verlamden de krachten, men bekommerde zich meer om het bouwen van de stad voor de arbeiders dan om de bouw van de toren.’ In die stad ontstaan er rivaliteit en gevechten, en dat houdt niet meer op, naderhand zien de bewoners de zin van de ‘hemelhoge toren’ niet meer in, maar ze blijven wel bijeen. En al hun ‘sagen en liederen’ zijn ‘doortrokken van het verlangen naar een voorspelde dag waarop de stad door een reusachtige vuist met vijf kort op elkaar volgende slagen verpletterd zal worden’. Verlangen naar het einde (de nacht, de slaap, de dood…) wordt hier tot verlangen naar de catastrofe, de vernietiging, die komaf zal maken met het hard labeur. Ook dat hoort bij het vreselijke moeten, het is de droom van de dwangmatige – sla mij maar dood, dan ben ik er vanaf; maar je hoeft wel geen dwangneuroot te zijn om op een of andere manier naar de dood te verlangen. Bij dit alles, van Gracchus over de holbewoner tot Babel, denk ik terecht of onterecht ook aan die beruchte zinnen in Jacques Lacans Conférence de Louvain (1972): ‘U heeft groot gelijk om te geloven dat u gaat sterven, beslist – het houdt u overeind. Als u er niet in geloofde, zou u dan het leven dat u heeft kunnen uithouden? […] Het is maar een akte van geloof. Het toppunt van alles is dat u er niet zeker van bent.’

De letterlijke onafheid van vele teksten kan niet los gezien worden van de einde-loosheid die ze behandelen; het is al dikwijls opgemerkt: de onvoltooidheid heeft niets accidenteels, de verhalen zijn onvoltooibaar. John Updike sprak van ‘the typical Kafkaesque process of non-arrival’.

Nog een laatste illustratie, ‘De dorpsschoolmeester’ (1914-15), dat zo begint: ‘Degenen, en ik ben een van hen, die een kleine gewone mol al weerzinwekkend vinden, waren waarschijnlijk van weerzin gestorven als ze de reuzenmol hadden gezien die een paar jaar geleden is waargenomen in de buurt van een klein dorp, dat daardoor een zekere voorbijgaande beroemdheid heeft verworven.’ Bizar genoeg komt het monsterlijke dier verder bijna niet meer ter sprake, en blijkt zelfs zijn bestaan nog niet ‘onomstotelijk bewezen’. Waar het hier om gaat is dat de studie die de titelfiguur aan de mol heeft gewijd door geleerden en journalisten weggelachen wordt, dat de ik-verteller hem vervolgens zonder succes heeft verdedigd in een eigen publicatie, en dat de twee nu als rivalen blijvend met elkaar overhoop liggen; mede doordat de twisten voorbijgaan aan de kern van de zaak (die een reuzenleegte is) kunnen ze nergens toe leiden. Jameson ziet tussen ik en leraar een ‘versie van de vader-zoon-verhouding, waarin de zoon de vader wil helpen op een ambigue manier die tegelijk ondermijnend is, en waarvan het diepere verraad door de vader duidelijk begrepen wordt’. Hoe dan ook, na veel vijven en zessen neemt de verteller ‘definitief afscheid’, en de ander accepteert dat, maar komt niet in beweging; laatste zin, zonder einde: ‘Als je van achteren naar die taaie oude man keek, zoals hij aan mijn tafel zat, zou je bijna denken dat het volstrekt onmogelijk was hem de kamer uit te krijgen.’

Maar ‘De dorpsschoolmeester’ is ook een vertelling van het slag dat je direct doet verstaan waarom Kafka en zijn vrienden soms hard moesten lachen bij het voorlezen van zijn werk: een verbluffende opeenstapeling van moedwil en misverstand, van wantrouwen, nijd, autoriteitswaan, drogredenen, ijdelheden, absurditeiten, tegenspraken, overdrijvingen, gefnuikte illusies…, en dat op minder dan twintig bladzijden, in onnavolgbare tragikomische zinnen, in een ‘onpersoonlijke’, soms bijna onnozele taal.

Ik gaf maar wat voorbeelden – en voorbeelden van wat in die voorbeelden de aandacht verdient. Het moet allemaal gelezen en herlezen worden, allemaal, ik had het net zo goed kunnen hebben over ‘Blumfeld’ en ‘Bij de bouw van de Chinese muur’, over de ‘Onderzoekingen van een hond’, over ‘De waarheid over Sancho Panza’ en over de ware toedracht van Odysseus’ confrontatie met de Sirenen, en over de oneindige verwikkelingen van die waarheden. Als Kafka er niet was, zou de wereld nog veel ondoorzichtiger en zwetseriger en lelijker zijn dan hij is. Houd uw bark op koers en mis hem niet.

Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2019
ISBN 9789025308490
412p.

Geplaatst op 21/07/2019

Tags: Brief aan mijn vader en andere teksten uit de nalatenschap, Franz Kafka, Fredric Jameson, Herman Uyttersprot, Ludo Verbeeck, Maurice Blanchot, Roberto Calasso, Simon Vestdijk, W.G. Sebald

Categorie: Proza, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.