Proza, Recensies

‘Hij bracht namelijk geest, en geest verdeelt.’

De geesten

Yves Petry

Thuis is de plek waar je je ongeremd kan overgeven aan jezelf, waar je innerlijke geest vrij is. Zo blijkt uit de thuiskomst van Mark Oostermans, Dokter Zonder Kleur en hoofdpersonage van de nieuwe roman van Yves Petry, De geesten. Na een traumatische gebeurtenis vlucht deze eens van idealisme zwellende derdewereldarts weg uit het fictieve Port-au-Bout in West-Afrika. De fysieke omzwervingen bereiken een climax op de thuisbodem, als Oostermans zich, op de knieën gezeten, ingraaft in de aarde van bos Mirandel. Wat volgt is een mentale tocht van uitgebreide zelfbevraging, betekenisvolle flashbacks, de ontrafeling van zijn verleden in het licht van het heden. De schok na de ervaringen in kamp Bilonga, zijn eerste ‘niet-neutrale ramp’, veroorzaakt een persoonlijke omwenteling; zijn eerste gekleurde crisis. Zou het kunnen dat avonturier Oostermans gewoon naar een bungalow met vrouw en kind verlangt?

De lezer die bekend is met het werk van Yves Petry leert algauw dat de personages uit De geesten al een rol speelden in zijn vorige roman Liefde bij wijze van spreken (2015) – een interessante extra laag, al hoef je dit werk niet gelezen te hebben om De geesten te kunnen smaken. In Liefde bij wijze van spreken is de constellatie enigszins anders; daar fileerde protagonist Alex Jespers, een bestsellerauteur met gefnuikte literaire ambities, zijn getroebleerde relatie met Kristien en Jasper Fielinckx. Petry recupereert het duo Fielinckx, van wie de ouders bij een onwaarschijnlijk auto-ongeval het leven lieten in De geesten,maar verschuift de focus van broer Jasper naar zus Kristien en kiest als protagonist een destijds onbenullige nevenfiguur: Mark Oostermans, het inwisselbare liefje dat Kristien de bons gaf omdat ze niet van hem, maar wel van de homoseksuele kunstenaar Alex een kind wou. Grond genoeg voor Oostermans om gekwetst en vernederd als arts naar Afrika te trekken om er te bewijzen dat hij meer is dan de sufferd waar Kristien hem voor houdt.

 

‘Wij is niet minder ingebeeld dan ik’

Kan je Kristien ongelijk geven? Petry’s hoofdpersonage ziet zichzelf uitdrukkelijk als een gemeenschapsmens en afficheert meermaals met gezwollen trots zijn betrokkenheid met de wereld: ‘Alle kinderen waren mijn kinderen. Alle kinderen konden in dezelfde mate op mijn hulp rekenen waar die echt nodig was.’ Mark meent zijn eigenwaarde te kunnen ophangen aan zijn status als wereldverbeteraar, maar in feite is hij volkomen egocentrisch, zoals blijkt uit zijn relatie met Kristien. Wanneer hij haar op een dag volledig van de kaart aantreft, komt hij niet verder dan een onhandige poging om haar te troosten met seks; als hij in Afrika aan haar denkt, beeldt hij zich in hoe zij hem om zijn arbeid en overgave bejubelt: ‘Je bent een bijzondere man, fluisterde haar denkbeeldige stem me dan in.’  Zelfs de zichtbare effecten van een zwangerschap op de borsten van Kristien, het zogenaamde ‘netelige borstenprobleem’, weet hij te betrekken op zichzelf, want uiteindelijk komt hij tot het inzicht dat het problematische voornamelijk schuilt in het feit dat niet hij maar een ander deze verslapte toestand heeft veroorzaakt.

Dat egocentrisme is ook zichtbaar in de verklaring die Oostermans geeft voor het feit dat zo weinigen van zijn collega’s een langdurige, stabiele relatie hebben: ‘Je moet al ontzettend veel geluk hebben wil je als partner een persoon treffen die echt begrip kan opbrengen voor wat het inhoudt aan plichtsgevoel en verantwoordelijkheidsbesef om te werken voor Dokters Zonder Kleur.’ Geen enkele overweging – of zelfs mogelijkheid tot overweging – te bespeuren van wat de situatie van de andere partner vraagt. In die zin faalt Oostermans voor wat als een van de vuistregels voor empathie geldt in hedendaagse discussies: don’t make it about you.

Bovendien cirkelt zijn zelfzucht rond een leeg centrum, want hoewel het grootste deel van de eerste helft van het boek bestaat uit de gedachtestroom – soms oeverloos, bij momenten hilarisch – van deze derdewereldarts, lijkt er geen sprake van een echte ‘interioriteit’ die term waardig. Een verwijt dat Kristien hem in een vlaag van razernij dan ook toewerpt:

‘Ga naar Afrika. Daar hoor je thuis. In de anonimiteit van de spektakelellende, daar ben je een held. Hier niet. Ga jij maar knutselen en sleutelen aan het wereldleed. (…) Daar komt weinig geest aan te pas, hooguit zweet.’

Weldoener Oostermans bestaat uit bordkarton; hij is een slap, mat en fantasieloos personage, maar net daarin is hij ook realistisch: ‘Jij hebt gewoon niet de verbeelding om één iemand werkelijk bijzonder te vinden. Je had niet eens de moed om jezelf bijzonder te vinden.’

Petry laat in De geesten verschillende stemmen met elkaar botsen in de naar zijn aanvoelen al te eenvoudige opdeling tussen goed en kwaad, tussen wat moreel hoogstaand of verwerpelijk is. We nemen al te makkelijk aan dat zij die zich bekommeren om het leed van de wereld sowieso tot de categorie van ‘de goeien’ behoren, terwijl aan een intensieve betrokkenheid op het zelf bijna automatisch de geur van egoïsme kleeft. Petry durft provoceren in De geesten; hij ondergraaft bij monde van Jasper de logica van de humanitaire rekenkunde (‘Een miljoen keer niks is nog altijd niks.’) en constrasteert universeel leed met de impact vanindividueel, geestelijk leed: ‘In leven blijven is ook niet alles.’ Of waarom zouden zogenaamde first world problems automatisch minder problematisch zijn?

De personages die Petry inzet in zijn gedachte-experimentzijn nogal karikaturaal; het zijn pionnen die gestalte geven aan de ideeën van zijn roman. Als lezer kan je niet samenvallen met de protagonist maar evenmin met zijn antipode, urgentiearts Jeroen Ullings, daarvoor zijn deze figuren te eenzijdig, te fanatiek, te radicaal. Petry probeert de lezer nooit te overtuigen van het standpunt van een of ander personage en dat is, in een cultuur die veelal inzet op identificatie, verfrissend. Bovendien heeft hij zijn ideeën duidelijk verspreid over de hoofden van de verschillende karakters, waardoor hij een genuanceerd, veelzijdig en authentiek beeld van de complexe werkelijkheid creëert.

Waar aan het begin van de roman Kristiens broer Jasper het belang van wezenlijke introspectie en het vasthouden aan een innerlijke waarheid vertolkt, wordt die plaats in de tweede helft ingevuld door de nihilistische Ullings. Zo ontstaat een dynamiek waarin Oostermans, die koste wat het kost zijn neutraliteit tracht te bewaren uiteindelijk toch wordt gedwongen om kleur te bekennen, zowel wat betreft de politiek geladen gebeurtenissen in het kamp Bilonga als in de driehoeksverhouding die zich ontspint tussen de drie dokters.

Het resultaat van dit alles is een boeiend essay met de levendigheid van een roman. De personages functioneren allemaal vanuit een bepaalde insteek, maar de eigenlijke plot is – hoewel beladen met een zekere spanning, want slechts gaandeweg kom je te weten wat er zich in kamp Bilonga heeft afgespeeld – toch veeleer bijzaak. Dat hoeft niet negatief te zijn. De geesten behoort tot die literatuur die cirkelt rond fundamentele vragen en daarom zoveel meer is dan tijdelijke verdoving. Petry injecteert met zijn werk vertwijfeling en dubbelzinnigheden in het publieke debat, hij maakt de valse dichotomie tussen betrokkenheid op de wereld en betrokkenheid op het ik aanschouwelijk. Vanuit die optiek confronteert hij zijn personages met hun verschillende geesten: zogenaamde wij-mensen komen tegenover zogenaamde ik-mensen te staan: ‘Het wij stellen ze voor als de koninklijke weg naar de toekomst, het ik wordt stilzwijgend afgedaan als een doodlopende steeg.’

De uitkomst van deze meanderende denkoefeningen is nooit eenduidig, al slaagt Petry erin een aantal kwesties scherp te stellen. Zo blijkt uit het gesprek tussen Oostermans en Jasper – eigenlijk een kort essay – dat het wellicht Oostermans’ gebrek aan individualiteit is die een waarachtige ontmoeting met een a/Ander in de weg staat. Of geldt betrokkenheid op het ik niet als conditio sine qua non voor betrokkenheid op een ander, een wij?

 

De Ander

De ‘Ander’ is in De geesten gethematiseerd rond twee actuele ‘topics’, in de context wellicht het toepasselijkst verwoord door hun ontkenning: niet-man en niet-wit. Beide worden in volstrekt clichématige termen gezien door de hoofdfiguur: zwarte mensen worden beschreven in termen van vitaliteit, muziek alom, wreedheid en overlevingsdrang; hun (collectieve) identiteit wordt volledig gestructureerd rond het gegeven ‘slachtoffer’ … Zo ontlokt een vrouw hem de tenenkrullende gedachte: ‘Was zij niet mijn eigen stukje Afrika in Europa geweest? Mijn eigen slanke blanke negerin, slachtoffer van bruut verlies?’

Vrouwen staan in de beleving van het hoofdpersonage volledig ‘in het teken van’ hemzelf of andere mannen: hoewel ze het heft in handen lijken te hebben in relaties, is dat enkel zo vanuit een obsessie met de man – althans in de fantasie van Oostermans. Al hun handelingen worden direct of indirect gemotiveerd door een man. Er schuilt veel humor in de over the top clichématige beschrijvingen van vrouwen, die Petry door zijn vertelconstructie kan afschuiven op zijn hoofdpersonage: vrouwen krijgen steevast een fysieke beschrijving mee die vooral werkt als een weging van hun seksuele aantrekkelijkheid, met bijzondere aandacht voor hun borsten …

Haar bouw had die van een hardloopster of hoogspringster kunnen zijn. Het liefst posteerde ze zich schrijlings op mijn geslacht, terwijl ik achteroverlag met uitzicht op de mooi afgelijnde tepels van haar wippende borsten. Op dat tweetal, eerder bescheiden van omvang maar stevig van textuur, leek ze best trots te zijn, en met reden.

De vrouwen die Petry in beeld brengt, zijn stuk voor stuk problematisch: er is een bitch van een doktersvrouw met drankprobleem, de holhoofdige ex Petra die haar theorie over verborgen allergieën als universeel verklaringsmodel hanteert en uitvoert wat papa ‘potentaat’ voor haar in gedachten heeft, er zijn de ‘beetgare’ diensters op een huwelijksfeest, en er is ten slotte de derde arts uit kamp Bilonga, Margot, die tot tweemaal toe een hysterische obsessionele verliefdheid te beurt valt.

Ja, Oostermans’ enge (kudde)geest grossiert in stereotypen die vallen onder seksisme, racisme en exotisme, maar door op zijn uit de bocht schietende uitspraken meteen een ironisch commentaar, een lachwekkend zelfvoldaan kijk-eens-hoe-zelfbewust-ik-in-de-wereld-sta te laten volgen, wijst Petry de lezer duidelijk op Oostermans’ blinde vlekken.

 

De dood als verheldering

Ook in de botsing met Jeroen Ullings worden Oostermans’ blinde vlekken beter zichtbaar. In het voorjaar van 2006 arriveert Oostermans samen met ‘gutmensch’ Margot – een arts die leeft voor en stijf staat van het geloof in haar werk – in kamp Bilonga, zijn eerste ‘gekleurde ramp’, waar ze opereren onder leiding van urgentiearts Ullings, een etterbuil die Oostermans zich nog herinnert van zijn sollicitatie bij Dokters Zonder Kleur. Ondanks zijn vooringenomenheid tegenover deze smoezelige Nederlander met een zwak voor alcohol, een ‘klotsend figuur’ en een bril waarachter ‘optisch sterk vergrote fletsblauwe ogen’ dansen, verloopt de samenwerking tussen het drietal initieel zo goed als rimpelloos. ’s Avonds na het werk vergezelt Margot hem onder de sterrenhemel of schuift hij aan tafel bij Ullings, die hem in vast gezelschap van een fles whisky gebruikt als klankbord voor zijn levensverhaal en de in essays uitwaaierende uitkomsten van zijn zelfonderzoek.

Ullings bezit een krasse geest, hij herkent zichzelf in de toeschouwer uit het lijdensverhaal van Christus: ‘“Vergeef hun, Vader, want ze weten niet wat ze doen”, dat waren de woorden die mij van lezer in deelnemer veranderden.’ Ullings is een bevreemdend figuur, maar wel de enige die beschikt over wezenlijk zelfinzicht, en aldus als enige in staat om de drijfveren van de anderen en de ruimere context helder te interpreteren. Hij beseft dat de positie van de westerse dokter tegenover de plaatselijke bevolking allesbehalve neutraal is; sommigen hebben ‘het er knap lastig mee dat wij steevast de ongenaakbare weldoener uithangen terwijl hun niets rest dan de bescheiden status van beschermeling’. Waar ‘goeierd’ Mark zichzelf steeds ziet als ‘kleurloze engel verheven boven alle kwaad’, beschikt Ullings over het inzicht dat de hand die geeft, verheven is boven de hand die krijgt.

Anders dan Mark en Margot, die idealisme aangrijpen om invulling te geven aan het eigen leven en houvast zoeken in rationalisaties, verkiest Ullings om radicaal zijn eigen ongrijpbare geest te volgen. Dat wil zeggen: mens te zijn boven medemens, het ik boven het wij te plaatsen. Vanuit die optiek doet hij op het eerste gezicht schokkende uitspraken als ‘Ik zie een gered leven niet als een geredde mens’. Een mens is voor Ullings een individu, een ‘ik’ dat ‘ik’ kan zeggen omdat hij of zij zich van anderen onderscheidt. In zijn beleving loont het om een individu te worden. ‘Dat we niet weten wat we doen, niet kunnen zeggen wat we denken, onszelf amper kennen en dat elke seconde van ons reële bestaan zich afspeelt in de duistere kern van het heden’ ervaart Ullings als essentieel, terwijl het een schaap als Mark Oostermans enkel angst aanjaagt.

Ullings is een nihilist of pessimist, hij is doordrongen van een verlangen naar het niets en stelt ‘dat het ware onderscheid tussen leven en dood niet hier wordt gemaakt, niet in deze droom maar ergens buiten de tijd. En dat dit buiten-de-tijd zich ook binnen in ons, binnen in mij moet bevinden’. Als je iets aan je leven wil veranderen, moet je eerst je begrip van de dood veranderen. De dood maakt een integraal deel uit van Ullings leven, door vooruit te lopen op de dood nadert hij zijn existentie. Hij komt thuis in kamp Bilonga waar amper iets rest, zelfs de natuur wordt er opgeslokt door de woestijn.

Ik zit in kamp Bilonga omdat ik me niets pretentielozers kan voorstellen, niets meer ontdaan van schone schijn, niets zo manifest hopeloos als dit eeuwige oplappen van mensen die nergens heen gaan en van zichzelf ook weten dat ze dat niet doen. Het is werk dat me verlost van mijn zelfzucht maar dat betekent in de verste verte niet dat de wereld er beter van wordt.

Ullings zoekt als misantroop en mysticus naar dat punt van verdwijnen. Hij wil ‘het geestelijke moment bereiken waarop het lichaam ophoudt te bestaan en de dood geen verschil meer maakt’. Ullings’ denken herinnert naast het nihilisme waar Friedrich Nietzsche voor waarschuwde, ook aan het filosofisch pessimisme waarover ik recent las bij de Amerikaanse schrijver en academicus Eugene Thacker. Deze hedendaagse denker verbonden aan The New School for Social Research stuit eveneens telkens op de zinloosheid van alles en citeert meermaals de Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran, aan wie Petry het motto van De geesten ontleende.

Filosofisch pessimisme is een project dat bij voorbaat mislukt is; filosofie is een vorm van systeemdenken en het pessimisme (als idee) laat zien dat geen enkel systeem standhoudt. Ullings drijft deze gedachte door tot in de ultieme consequenties; pessimisten denken aan zelfmoord, enkel optimisten doen het ook, aldus Cioran. Of in de woorden van Thacker: ‘Above all, the pessimist is incapable of suicide, that solution of solutions that constitutes a horizon for even the most dyed-in-the-wool existentialist. Ironically, it is the pessimist’s deep-seated misanthropy that keeps them alive.’ Ullings beroept zich dan ook uiteindelijk op zelfmoord ‘by proxy’, hij gebuikt er anderen voor. Wanneer het zover is, bespeurt toeschouwer Oostermans echter geen angst in de blik van Ullings, maar extase.

 

Aangeraakt door de geest van een beter ik

Toch zijn gevoelens van onbeschrijfelijke volheid ook Mark Oostermans niet geheel vreemd; er was die vroegere ontvankelijkheid voor muziek, zo blijkt uit de terugblikken, die hij, vernederd na zijn liefdesbreuk met Kristien, inruilt voor veilige realiteitszin:

Ik had tenslotte ook een innerlijke waarheid, (…) En mijn waarheid liet zich door de feiten corrigeren. Ze wees me een richting in de reële wereld. Ze zette me niet aan tot gratuite woorden van verzaking of verzet maar riep op tot echt daden. Ik was een rationeel mens. Medisch opgeleid. Een wetenschapper.

Avonturier Oostermans is in feite niet meer dan een angsthaas die bescherming zoekt in redelijkheid, zich vastklampt aan principes van strikte neutraliteit als aan een reddingsboei. Pas in de nasleep van gebeurtenissen met Ullings volgt een ommekeer – ‘Ik was de komedie beu. Redelijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit – het kon me vierkant gestolen worden.’  – en tracht hij weer aansluiting te vinden bij dat deel van zichzelf dat hij lang geleden achter zich liet: de muziek en ruimer de kunst die hem ervaringen van diepe gelukzaligheid kunnen bezorgen:

Ik hield van deze muziek. Het was liefde op het eerste gehoor. Je zou ook kunnen zeggen dat zij van mij hield. Ze stelde verwachtingen in mij die niemand anders had.

Mark Oostermans wil niet ‘gauw weer de oude worden’ zoals men hem goedbedoeld toewenst, maar iemand worden. Iemand die door kunst wordt aangescherpt als door de geest van een beter ik: ‘Zo moest je een stempel op de wereld drukken, dacht ik soms, dat was pas een manier om een ander te laten voelen dat je bestond.’ Kunst als tegenkracht, als zingever in een universum dat van zin verstoken blijft.

Ook in zijn natuurervaring nadert Oostermans soms het gevoel bedoeld te zijn, opgetild te worden en te versmelten met het universum. Petry slaagt er bijzonder goed in om deze kosmische momenten gestalte te geven. Zijn taal is sprankelend, beslaat de gehele rijkdom van ons lexicon en aarzelt niet om verschillende registers op hoogst originele wijze met elkaar te vermengen. Dit draagt niet alleen bij aan de verheven momenten maar evenzeer aan de geslaagde humor. De geesten is een exceptionele roman, zowel op het vlak van taalbehandeling en beelden als van ideeën; hilarische, groteske scènes worden moeiteloos afgewisseld met meer lyrische evocaties. Onvergetelijk is bijvoorbeeld het tafereel van een groepje met elkaar pratende mannen bij wie door oorlogsgeweld verschillende ledematen ontbreken, dat ontaardt in een bevreemdend visioen dat zo uit een schilderij van Jheronimus Bosch zou kunnen komen.

Met zijn elastische pen grijpt Petry ook in de geest van de lezer in. Hij plant er als het ware kiemen van vertwijfeling over fundamentele vragen. De geesten levert immers geen kant-en-klare antwoorden – en terecht, want dat zou indruisen tegen het uitgangspunt van de roman. Wat insijpelt en een uiteindelijk residu vormt zal verschillen van lezer tot lezer, daarin ligt de kracht van De geesten. Zelf onthoud ik vooral dat gewaarwordingen die wortelen in je individualiteit ook een gevoel van samenhang creëren, doordrongen zijn van gevoelens van goedheid, dat eigenbelang erin afwezig is omdat het ik erin verdwijnt. Of Petry deze gedachte kan laten doorwegen op de morele weegschaal van de publieke opinie betwijfel ik, maar dat neemt niet weg dat zijn roman het belang ervan prachtig en veelkleurig uitlicht.

Dag Mag, Amsterdam, 2019
ISBN 9789492478818
356p.

Geplaatst op 21/04/2019

Tags: 2019, Afrika, De geesten, Emil Cioran, Individualisme, Liefde, Liesbeth D'Hoker, Yves Petry

Categorie: Proza, Recensies

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.