Poëzie, Recensies

Maar het offerlam will be back

offerlam

Dominique De Groen

Het gaat snel voor Dominique De Groen. Amper een paar jaar geleden was zij een volstrekt onbekende dichter, maar haar debuutbundel Shop Girl was zo acuut qua thematiek en zo krachtig qua verwoording dat hij opviel, zelfs in de massale en soms luidruchtige poëzieproductie van vandaag. De Groen stond meteen model voor de manier waarop heel wat jonge dichters zich maatschappelijk zoeken te engageren in een wereld die daartoe nog maar weinig ruimte biedt.

Het belang van De Groen en aanverwante dichters ligt evenwel niet alleen in hun geëngageerde wake-upcall maar ook en vooral in de manier waarop zij onverzettelijk blijven geloven in het project van hun literaire zending. In hun ogen moet poëzie veel meer doen dan de intimiteit koesteren van persoonlijke gevoelens en ervaringen of dan herkenbare anekdotes te berde brengen. Die belijdenislyriek berust op misleidende uitgangspunten (een zelfbewust ego, het geloof in eeuwige waarden en in een transparante communicatie) en is daardoor niet geschikt om ons warrige tijdsgewricht uit te drukken. Anderzijds is poëzie beduidend meer dan taal die als middel voor een alternatieve boodschap wordt ingezet. De gedichten van De Groen liggen zo poëticaal duidelijk in het verlengde van de naoorlogse neo-avant-garde. Ze worden gedragen door de overtuiging dat de vervreemdende werking van poëzie lezers zal doen nadenken: over de wereld waarin ze hun tijd doorbrengen, maar evenzeer over de manier waarop taal die werkelijkheid kadert en van interpretaties voorziet.

Zo presenteerde Shop Girl (2017) een indringende analyse van de fast fashion industry als een symptoom van onze postkapitalistische maatschappij, onze geglobaliseerde economie, de uitbuiting van derdewereldlanden en uiteindelijk onze cynische aanslag op de planeet waarop wij leven. Sticky Drama (2019) was qua opzet nog ambitieuzer en waaierde alle kanten uit. De gedichten analyseerden opnieuw actuele precaire situaties, maar legden ook historische verbanden met de hekserij en de opkomst van het kapitalisme, met de onderdrukking van de vrouw en het kolonialisme. Daarnaast werd ook het thema verder uitgewerkt van het antropoceen, de manier waarop de aanwezigheid van de menselijke soort aan de aarde en de kosmos onherstelbare schade heeft toegebracht.

Gemeenschappelijk aan die poëtische projecten is de kritische analyse van ogenschijnlijk vanzelfsprekende begrippen, tegenstellingen en hiërarchieën. Bij nader toezien blijken ze gebaseerd op ongefundeerde premissen, op uitsluitingsmechanismen en het opleggen van een norm. Het mannelijke wordt zo (zelfs onbewust) de norm voor het menselijke, de mens wordt hoger geacht dan dieren of de zogenaamd ‘levenloze’ natuur, de menselijke soort wordt onterecht beschouwd als het brandpunt van de wereld. Daartegenover stelt De Groen de mens voor als een weerloos schakeltje in de machinerie van economie, van ideologieën en machtsmechanismen maar evenzeer als een schadelijke factor die verantwoordelijk is voor de vernietiging van zijn eigen biotoop en de gedroomde eigen gemeenschap onderuithaalt voor materialistisch gewin.

De nieuwe bundel zet dat ambitieuze project verder maar is minder versplinterd dan zijn voorganger. offerlam kan gelezen worden als één lang gedicht in episodes of als een poëtische suite. Thematisch roept de tekst het verhaal op van een rituele slachting, die uitgroeit tot een theatraal en mediatiek spektakel. Daarmee wordt de soberheid van het ritueel, dat nauwelijks ruimte laat voor persoonlijke inbreng of improvisatie, duidelijk geweld aangedaan. Het offer wordt tegelijk de pervertering van het offer. De openingsregel stelt weliswaar: ‘Niemand wenst het offerlam kwade dingen toe / per se’ (met een veelbetekenende ironische toevoeging na het enjambement), maar onmiddellijk daarop volgt de mededeling: ‘maar iedereen wil haar zien rillen / gestript van haar volmaakte vacht’. Het is een tegenstelling die de hypocriete houding laat zien van een aaibaar dier dat niettemin geofferd wordt. Tegelijk ligt in die paradox net de antropologische essentie vervat van het offer, dat intrinsiek gepaard gaat met verlies. Op analoge manier is ook de slotscène bewust erg dubbelzinnig. Het offerlam is ondertussen op het altaar gesneuveld, maar dat gaat gepaard met de ironische remix van beroemde songs, met name ‘Heaven’ van Bryan Adams.

Hoe dan ook vormt het lam het centrale personage van dit tragische (of liever: tragikomische) verhaal, in die mate zelfs dat alle anderen nauwelijks meer zijn dan occasionele figuranten. Dat lam wordt geobserveerd en beschreven op de afstandelijke, onderkoelde toon die we kennen uit de eerdere bundels van De Groen, maar daarnaast komt het offerdier ook zelf aan het woord, waardoor er een contrast ontstaat tussen uiteenlopende perspectieven. Daarenboven is de talige complexiteit groter dan in Shop Girl, aangezien de dichter gebruik maakt van uiteenlopende stijlregisters en haar betoog lardeert met allerlei citaten uit de populaire cultuur, maar eveneens met verwijzingen naar het beroemde Gentse Lam Gods. De toon is soms tragisch en kil-ontnuchterend, maar op andere plaatsen meer ingetogen, bewust bombastisch of zelfs ronduit hilarisch-grotesk. Een homogene stijl zou immers onrecht doen aan de complexe thema’s die De Groen via haar lam ter sprake wil brengen.

Die brede thematiek leidt er alleszins toe dat het lam waar het allemaal om draait op tal van eigengereide manieren wordt gekarakteriseerd. Allereerst is het veelzeggend dat het lam bij De Groen nadrukkelijk een ‘zij’ is, een vrouwelijk wezen, in tegenstelling tot het ‘onzijdig’ substantief in onze taal. Daarmee onderstreept de dichter niet alleen haar kritiek op de ideologische mechanismen die schuilgaan in de taal, maar ook haar (post)feministische engagement. Dat zelfs het persoonlijk voornaamwoord ‘zij’ evenwel niet volstaat om het lam te definiëren kan nauwelijks verbazing wekken. Zo is halverwege de bundel een lang vers opgenomen dat uit niets anders bestaat dan een schier eindeloze opsomming van omschrijvingen van het lam. Zij is afwisselend (maar, in de visie van de dichter, gelijktijdig) een flexwerker, een junkie, een kind van haar tijd, lichamelijk en toch weer niet, warmte maar eveneens wolk zonder kern of een zeezoogdier, een ‘kreng’ of ‘bacterie in darm’, ‘niet wit’, ‘ondood’, ‘post-natuur’, en zelfs ‘#JeSuisOfferlam’. Kortom, het lam staat niet alleen voor het letterlijke offerdier van het ritueel, maar voor alles wat buiten de lijntjes kleurt, wat dreigt vergeten of verstoten te worden of, in freudiaanse termen, het ‘verdrongene’ van onze samenleving en van onszelf. Het offer is bijgevolg niet alleen een poging om te helen of te reinigen, maar ook een strategie om uit te stoten en te ontkennen. Het lam belichaamt daarbij niet alleen het vreemde, de zondebok, zij incarneert ook wat ons eigen is: zij is zowel de ander als ons diepste zelf.

Die rol van offerdier impliceert echter geenszins dat het lam uitsluitend passief zou zijn, een willoos slachtoffer. Bij nader toezien tekent zich in deze gedichten een uiterst pervers theater af, want het lam geniet schaamteloos van al die publieke aandacht, gedraagt zich exhibitionistisch als een diva of iemand die geilt op selfies (de overeenkomst met iemand als Britney Spears is niet veraf). Zelfs de dreiging en de kwetsuren worden bij momenten als masochistische genietingen voorgesteld. Daarbij komt nog dat het lam niet alleen de wereld observeert, maar die wereld ook letterlijk in zich opneemt, terwijl het omgekeerd leegbloedt en zo de wereld besmet. Dergelijke dubbelzinnigheden – die eens te meer onze gangbare stereotypen en tegenstelling op de helling zetten – zijn in deze intrigerende gedichten schering en inslag. Zij bemoeilijken een eenduidige interpretatie van offerlam, maar ze reveleren wel hoe problematisch rituelen in onze tijd zijn. In tegenstelling tot het naïeve verleden blijkt het niet langer vanzelfsprekend om de paradoxen weg te moffelen: de spanning tussen het algemene (de structuur van het rituele gebeuren) en het concrete, het onveranderlijke en het ogenblik, het objectieve en het subjectieve standpunt, de norm en het abnormale. De wereld waarin wij vandaag leven is er een van schermen en theatraliteit, van fake news en onwezenlijke gebeurtenissen: het is iets wat ook in de bevreemdende illustraties van de bundel (van de hand van Jacky De Groen) herhaaldelijk wordt onderstreept.

Die wirwar van associaties vormt, samen met de vreemde verhaallijn, ongetwijfeld de kracht van deze bundel. De intrige vormt een geschikte mal om allerlei betreurenswaardige maatschappelijke ontwikkelingen aan de kaak te stellen: de gebrekkige dierenrechten en de wantoestanden in de vleesindustrie, de klimaatproblematiek, het fanatisme van religies, het niets ontziende laatkapitalisme, … Via het complexe symbool van de zondebok kunnen al die lijnen samenkomen, ook al leidt dat onvermijdelijk tot een weinig doorzichtige en soms ook weinig consequente analyse. De stilistische woekering draagt extra bij tot die complexe gelaagdheid, en hetzelfde geldt voor de groteske beelden en de talrijke verwijzingen naar commerciële populaire deuntjes of films. In die zin is offerlam veel meer dan een in fraaie volzinnen verpakte boodschap en kan de bundel zelfs gelezen worden als een kritiek op de al te expliciete en naïeve missioneringsdrang van veel tijdgenoten en generatiegenoten. Wat vooral blijft nazinderen (of in de terminologie van de dichter, blijft ‘narillen’) is de retorische ritmiek van bepaalde fragmenten, de magie van revelerende beelden en scènes, de unheimliche sfeer die van iedere lezer een medeplichtige maakt én een offerlam.

 

Deze recensie verscheen eerder in Poëziekrant, jaargang 45 (2021), nr. 2

het balanseer, Gent, 2020
ISBN 9789079202737
32p.

Geplaatst op 02/04/2021

Tags: Dierenleed, Dominique De Groen, Kapitalisme, Klimaat, offerlam, Religie

Categorie: Poëzie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.