Recensies, roman

Romanversie van een tienerserie

Normale mensen

Sally Rooney

Als tiener was ik een grote fan van Dawson’s Creek, de Amerikaanse serie die boven alles draait om de relatie tussen Dawson en Joey. Hij komt uit een rijk gezin, zij is from the wrong side of the creek, met een vader die in de gevangenis zit. Desondanks zijn ze vrienden en gedurende de serie, waarin je hen volgt van de tweede klas van de middelbare school tot het eind van hun universitaire studie, is het steeds de vraag of er niet meer in zit. Eerst wil zij wel en hij niet, later hij wel en zij niet. Soms lukt het en zijn ze zowaar even samen, dan gaan ze weer uit elkaar. De hele tijd hoop je als kijker dat ze elkaar (weer) zullen vinden. Ze lijken immers voor elkaar gemaakt.

Tijdens het lezen van Normale mensen, de tweede roman van Sally Rooney (1991), spookte Dawson’s Creek regelmatig door mijn hoofd. Normale mensen speelt in Ierland, maar voor zover Ierland verschilt van Amerika is dat in het boek niet merkbaar. Er zijn vanzelfsprekend wel meer verschillen tussen de twee werken – zo heeft Marianne in Normale mensen een problematischer gezin en masochistische neigingen – maar in grote lijnen zijn het verhaal, de hoofdpersonages en zelfs de setting grotendeels hetzelfde. In beide gevallen staat een liefde tussen een jongen en een meisje centraal, de ene rijk, de ander arm. Eerst zitten ze op de middelbare school in een niet al te spannend dorp; hij is populair, zij een buitenstaander, er is seksuele aantrekkingskracht – want beiden zijn natuurlijk, net als Dawson en Joey, aantrekkelijk – er zijn misverstanden, het onvermijdelijke drama rond het gala. Later gaan ze naar een prestigieuze universiteit – want beiden zijn natuurlijk, net als Dawson en Joey, zeer intelligent – en blijven ze om elkaar heen draaien. De hele tijd hoop je als lezer dat ze elkaar (weer) zullen vinden. Ze lijken immers voor elkaar gemaakt. Connell, de jongen in Normale mensen, zegt het letterlijk tegen ‘zijn’ Marianne: ‘Marianne, zei hij, ik ben niet gelovig maar ik denk soms wel dat God jou speciaal voor mij heeft gemaakt.’

Het is enorm waardevol om je eigen verwarrende gevoelens gereflecteerd te zien in personages die het allemaal net wat beter kunnen verwoorden, die nog moeilijker doen dan jijzelf, die domme fouten maken die je al dan niet kunt navolgen. Dawson’s Creek heeft mij geholpen de middelbare school door te komen. Ik vermoed dat Rooneys Normale mensen in bescheiden mate – met zo’n 250 pagina’s ben je er nu eenmaal sneller doorheen dan door een serie van zes seizoenen – een vergelijkbare waarde kan hebben voor middelbare scholieren van nu.

Eigenlijk vind ik dat ik hiermee alles al heb gezegd wat er te zeggen valt over Normale mensen. Waarom er meer van maken dan het is? Laat het toch dit zijn: een fijn boek, prima om een paar dagen door meegesleept te worden. Een kleine terugkeer naar eigen jeugdliefdes als je de pak ‘m beet vijfentwintig voorbij bent, een warm bad van herkenning als je jonger bent. Maar op deze plek verwacht u waarschijnlijk dat ik meer zeg, een analyse geef. Een deel van mij, dat u elitair mag noemen, zegt: ‘Verspil de tijd van de Reactor-lezer niet. Dit is geen literatuur, niet het soort literatuur waar je een diepgravende literaire analyse aan kunt wijden. Er zijn geen lagen!’ Een ander deel zegt: ‘Maar wat is “literatuur” nou helemaal, is dat niet vooral een sociale afspraak? Weet je wel zeker dat dit geen literatuur is? En valt niet van alles een analyse te geven?’

Uitgespeld

Het lastige van het analyseren van Normale mensen is dat alles er al staat. De voortdurende aantrekking tussen Connell en Marianne, hun enigszins gecompliceerde maar nooit onbegrijpelijke gevoelsleven, de soms onverstandige keuzes die ze maken – alles wordt bij Rooney uitgespeld. Ze wisselt weliswaar tussen het perspectief van Connell en dat van Marianne, waardoor je soms even nog niet weet hoe die ander dan over de ene denkt, maar verduidelijking laat nooit lang op zich wachten. Er zijn daarnaast momenten waarop je dankzij de perspectiefwisseling als lezer meer weet dan de personages over de ander weten, maar ook die spanning blijft beperkt. De twee spreken tegen elkaar namelijk behoorlijk veel uit, zelfs als tieners al, zoals in de beginscene:

Ik weet wel dat je me waarschijnlijk haat, maar je bent de enige die met me wil praten.
Ik heb nooit gezegd dat ik je haat, zegt hij.
Nu heeft hij haar aandacht, ze kijkt op. Verward kijkt hij weg, maar uit zijn ooghoek ziet hij dat ze nog steeds kijkt. Als hij met Marianne praat, heeft hij een totaal gevoel van privacy. Hij zou haar alles over zichzelf kunnen vertellen, zelfs rare dingen, maar ze zou nooit iets doorvertellen, dat weet hij. Met haar alleen zijn voelt alsof hij de deur van het normale leven even opendoet en dan achter zich dichttrekt. Hij is niet bang voor haar, ze is zelfs best relaxed, maar toch vindt hij het angstaanjagend om bij haar te zijn vanwege zijn eigen verwarrende gedrag, de dingen die hij zegt en die hij anders nooit zou zeggen.
(…)
Ik vind je aardig, zegt Marianne.

Je hebt op dit moment zes pagina’s in het boek gelezen, je weet al dat Marianne er op school niet bij hoort, dat ze de populairdere Connell zou kunnen beschamen door hem in de gang gedag te zeggen, (maar dat ze dat nog nooit heeft gedaan) en dat Connells moeder de villa van Mariannes moeder schoonmaakt. Na deze passage weet je bovendien, zonder dat Connell ook nog maar iets ‘raars’ tegen Marianne heeft gezegd, dat er tussen hen een intimiteit speelt die hij vreest. Rooney biedt je steeds de kortste route, zodat je maar zo snel mogelijk begrijpt hoe de personages zich tot elkaar verhouden. Dit is een boek dat het de lezer niet moeilijk wil maken.

Net als je als lezer zelf het begin van een gedachte begint te vormen – ‘goh, die Connell leeft wel in twee verschillende werelden, hij zal waarschijnlijk toch moeten kiezen tussen de goedkeuring van “normale mensen” en de diepere gevoelens die hij ervaart voor Marianne en het hele intellectuele milieu waar zij voor staat’ – vult Rooney dat ook weer voor je in. Dan laat ze Connell denken:

Hij kan door iemand als Marianne worden gerespecteerd en ook populair zijn op school, hij kan er geheime opinies en voorkeuren op na houden zonder dat er een conflict hoeft te ontstaan, hij hoeft nooit definitief te kiezen. Met een heel klein beetje behendigheid kan hij twee totaal verschillende levens leiden zonder ooit de ultieme vraag onder ogen te hoeven zien wat hij met zichzelf aan moet of wat voor mens hij is. Dat is zo’n troostrijke gedachte dat hij een paar seconden lang Mariannes blik mijdt om dat geloof nog even te kunnen vasthouden. Hij weet dat hij het niet meer kan geloven als hij haar aankijkt.

Privileges

In principe hebben we in Normale mensen te maken met een liefde van het saaie soort: de beantwoorde. Zij houdt van hem, hij van haar, einde verhaal. Om de twee toch zo’n 250 pagina’s om elkaar heen te kunnen laten draaien, het knipperlicht in stand te houden, zijn er een paar onvermijdelijke obstakels. Het belangrijkste obstakel is Mariannes onzekerheid. Een klassieke (om niet te zeggen clichématige) onzekerheid: zij groeide op in een liefdeloos gezin en betwijfelt daardoor in hoeverre anderen van haar kunnen houden. Ze is beschadigd, houdt Rooney niet op te benadrukken. Er is een karikaturaal gemene broer, later een karikaturaal sadistisch vriendje. We moeten vooral niet denken dat masochisme ook een zeker plezier of een zekere kracht met zich kan meebrengen, het is een en al trauma-herhaling voor de arme Marianne. Die vat het helder samen voor Connell en voor ons: ‘Misschien wil ik wel slecht behandeld worden, zegt ze. Ik weet niet. Soms denk ik dat ik dat verdien omdat ik een slecht mens ben.’

Connell heeft ook zo zijn onzekerheden. Op de middelbare school maakt hij zich zorgen wat het betekent voor zijn sociale status als hij zijn liefde voor Marianne publiekelijk uit. Hij neemt een ander mee naar het gala, waarna Marianne – in een onkarakteristieke vlaag van zelfrespect – een tijdlang ophoudt zijn berichtjes te beantwoorden. Op de universiteit zijn de rollen ineens omgekeerd: zij heeft geen enkele moeite mee te komen in dit elitaire milieu, terwijl hij als de provinciale buitenstaander wordt gezien. Haar sociale status is vele malen hoger dan de zijne. Wat dan weer nieuwe onzekerheden bij hem losmaakt.

We hebben hier dus te maken met zeer mooie, zeer intelligente, extreem goed opgeleide, fysiek gezonde personages die gehinderd worden door hun achtergrond. Als je met een vergrootglas in dit boek wil zoeken naar een maatschappelijke boodschap, vind je misschien deze: dat zowel een hoge sociaaleconomische klasse als het opgroeien in een liefdevolle omgeving privileges zijn, en dat het ontbreken van elk van die privileges nog lang kan doorwerken.

Plooibaar

Het liefdeloze opgroeien lijkt het moeilijkst af te schudden. Connell ontwikkelt zich zowaar tot een schrijver, zijn oude schoolvrienden lijkt hij achter zich te kunnen laten. In potentie is Marianne van hun tweeën degene met het betere verhaal, degene die je nog wel een kunstenaar ziet worden, maar Rooney laat Connell met die buit weglopen. Om zijn transformatie niet te zeer uit het niets te laten komen, om wat broodnodige emotionele diepgang te suggereren, geeft ze hem op de valreep nog een depressie. Marianne ontwikkelt zich ondertussen nauwelijks, zij blijft plooibaar en masochistisch, niet in staat haar eigen slachtofferschap te overstijgen. Terwijl Connells ontwikkeling deels wordt bespoedigd door haar, maar ook deels door anderen en zichzelf, hangt de hare geheel af van hem.

Tegen het eind laat Rooney Marianne over Connell denken: ‘Ze was in zijn macht, hij had verkozen haar te redden, ze was gered.’ De aanleiding is het feit dat Connell haar eindelijk in het openbaar heeft gezoend. Het is op dit moment in het verhaal geen 1895, 1955 of zelfs 1995, het is 2015. Ja, meisjes denken zo. Ja, ik heb zelf ook weleens mijn zelfrespect zo laten afhangen van een man, maar in literatuur hoop je toch op z’n minst op een reflectie op zulke waanideeën. Marianne – intelligent als ze zou moeten zijn – reflecteert er niet tot nauwelijks op. Ze laat zich wegzakken in Connells armen en Rooney laat haar ermee wegkomen, vanuit de oneliner ‘Mensen kunnen elkaar echt veranderen’.

Eenmaal ‘gered’ lijkt Marianne plots voor eens en altijd in orde. Als Connell op de laatste pagina’s overweegt te vertrekken, volgt er geen suggestie dat Marianne nu in zal storten. Integendeel: ‘Hij heeft haar het goede gebracht, als een geschenk, en nu is het van haar.’ Laat uw dochter het vooral niet lezen. Geef haar liever Toni Morrisons A Mercy, waarin een personage tegen een verliefde vrouw die hem bezweert dat ze geheel en al van hem is de onvergetelijke regel uitspreekt: ‘Own yourself, woman.’

Iets voelen

Misschien ben ik te streng voor Rooney, want zoals gezegd: ondanks Mariannes passiviteit, ondanks de overbekende setting en personages en ontwikkelingen – of zelfs: dankzij – vond ik dit een fijn boek om te lezen. Maar een fijn boek is nog geen goed boek en we bewijzen de literatuur geen dienst door alles ertoe te rekenen. Misschien is dat nog wel het interessantst aan Normale mensen: hoezeer het boek is omhelsd door de literaire kritiek. Normale mensen ontving jubelrecensies in kwaliteitsmedia als De Groene Amsterdammer, Trouw en de Volkskrant en een longlist-nominatie voor de Man Booker Prize, terwijl Rooney alle regels overtreedt die literair recensenten in de laatste decennia keer op keer herhaalden: dat je niet mag schrijven over studentenperikelen, dat je emoties en gedachten niet te expliciet mag uitspreken, dat je werk echt niet zonder meerdere lagen kan en dat je niet al te optimistisch kunt eindigen.

Kennelijk mag het allemaal weer, dit mogen we weer literatuur noemen, goede literatuur, vijf-sterren-in-de-Volkskrant-literatuur. Een deel van mij denkt: godzijdank. Als schrijver vind ik het kleingeestige vasthouden van recensenten aan dogma’s als showing, not telling bloedirritant. Hoe meer vrijheid schrijvers gegund wordt om hun verhalen vorm te geven zoals zij dat zelf goed achten, hoe beter. Maar een ander deel van mij denkt: wacht eens even, dít boek vijf sterren?

In de Volkskrant prees de recensent Rooney vooral om hoe sympathiek haar personages zijn, hoe ‘invoelbaar’ hun gedachten en emoties. Nogal wiedes, denk ik dan, als je alles wat ze voelen en denken letterlijk weergeeft. De recensenten lijken hun kritische radar helemaal uitgeschakeld te hebben, schijnbaar verbaasd door het feit dat ze bij het lezen emoties ervaren. Dit gebeurde eerder al bij Hanya Yanagihara’s emotionele achtbaan Een klein leven. Het lijkt alsof recensenten kitsch niet meer kunnen of durven herkennen, alsof ‘iets voelen’ de hoogste waarde is geworden.

Het is lastiger om om emoties heen te schrijven dan om ze gewoon te benoemen. Heeft Rooney niet voor de makkelijke weg gekozen? Voegt de door haar gekozen directe vorm een extra laag toe aan de inhoud? Als dat zo is, kon ik hem niet zien. In Normale mensen overweegt Connell op een gegeven moment, verliefd als hij is op zijn eigen geweldige e-mails aan Marianne, om een roman in e-mails te schrijven, maar dat vindt hij toch te kunstmatig. Is dat het wat Rooney hier heeft proberen te doen, niet kunstmatig zijn? Heeft ze de vlogs van nu geprobeerd te benaderen: alles op tafel, open en bloot, no filter? Maar als dat het idee was, waarom gebruikt ze dan geen ik-perspectieven, en waarom speelt ze niet meer met de grens met autobiografische non-fictie? Rooneys personages zouden literatuurliefhebbers moeten zijn, maar daarbuiten zag ik geen enkele reden waarom Normale mensen taal als medium moest hebben.

‘Niet bruikbaar als vorm van verzet tegen wat dan ook’

Heel af en toe gaat het in Normale mensen over iets anders dan de relatie tussen Connell en Marianne. Dat zijn niet de beste momenten. Naar aanleiding van een literaire lezing waarbij hij zich verveelt, denkt Connell:

Zelfs als de schrijver zelf een goed mens was en zelfs als zijn boek echt van inzicht getuigde, werden uiteindelijk alle boeken toch als statussymbolen in de markt gezet en deden alle schrijvers tot op zekere hoogte mee aan die markt. Waarschijnlijk was dat het verdienmodel van de branche. Literatuur, zoals die bij openbare lezingen werd gepresenteerd, was niet bruikbaar als vorm van verzet tegen wat dan ook.

De holle frase ‘goed mens’ komt in dit boek vaker langs zonder dat die enige inhoud krijgt. Het is duidelijk iets wat belangrijk is voor Connell, een goed mens zijn, maar zonder dat hij in staat is er verder over na te denken. Zijn absurde idee dat een schrijver een ‘goed mens’ zou moeten zijn, wordt niet nader toegelicht. Ook zijn idee dat in deze tijd (Connell denkt dit in 2014) een literair boek nog als statussymbool kan gelden is licht lachwekkend, vooral als je dat in verband brengt met ‘het verdienmodel van de branche’. De bestverkopende boeken zijn immers kookboeken en thrillers. De bestverkopende boeken zijn boeken die ons instrueren of die sterke emoties opwekken.

Het is opvallend dat Rooney – via Connell – bovenstaande gedachten over de literaire markt uit. Probeert ze zo impliciet kritiek te leveren op een ander soort literatuur dan die zij schrijft of is het juist een moment van zelfspot, zelfinzicht? Want ook Normale mensen is, in Connells woorden, ‘niet bruikbaar als vorm van verzet tegen wat dan ook’. Niet omdat het een statussymbool is geworden, maar omdat het een roman is die ons laat zien wat we al kennen. Een roman die ons wat laat voelen, maar die geen moment schuurt en waarschijnlijk dan ook niet veel diepere gedachten aan mensen zal ontlokken. Een wegdroomroman, een verzetje. Deze tijd verdient meer dan dat, de literatuur verdient meer dan dat.

 

Ambo Anthos, 2019
ISBN 9789026343445

Geplaatst op 25/06/2019

Tags: 2019, dawsons creek, literatuuropvatting, normale mensen, Recensie, roman, rooney, tieners

Categorie: Recensies, roman

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.